ANTWOORD
Vooraleer ten gronde op de vraag van het geacht lid te kunnen antwoorden, dient er te worden nagegaan onder welke omstandigheden er sprake is van een intracommunautaire levering van goederen. Opdat een levering van goederen kan gekwalificeerd worden als een intracommunautaire levering:
1° moet het goed worden verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een andere lidstaat;
2° mag de plaats van de levering niet geacht worden zich te bevinden in de lidstaat van bestemming ingevolge de regeling van de verkopen met installatie of montage door de verkoper of voor zijn rekening (BTW-wetboek, artikel 15, § 2, tweede lid, 2°) of van de verkopen op afstand (BTW-wetboek, artikel 15, §§ 4 en 5).
Vermits de intracommunautaire levering bijgevolg steeds het vervoer of de verzending veronderstelt van een lidstaat naar een andere lidstaat, wordt de levering geacht plaats te vinden op de plaats (in het land) waar het vervoer of de verzending aanvangt zonder onderscheid of het goed wordt verzonden of vervoerd door de leverancier, door de koper of door een derde (BTW-wetboek, artikel 15, § 2, tweede lid, 1°). Een intracommunautaire levering vanuit België is derhalve een handeling die principieel de BTW in België opeisbaar maakt, indien ze wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.
Op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-wetboek, ingevoerd door de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 23 december 1994, zijn de intracommunautaire leveringen van goederen evenwel van de belasting vrijgesteld, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de levering wordt verricht door een belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW-wetboek, door een toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8bis, § 1, van het BTW-wetboek of een belastingplichtige onderworpen aan de forfaitaire landbouwregeling bedoeld in artikel 57 van het BTW-wetboek;
2° de levering wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen;
3° de goederen worden verzonden of vervoerd, buiten België maar binnen de Gemeenschap, door de verkoper, de koper of voor hun rekening;
4° de levering is niet onderworpen aan de bijzondere regeling van de belasting over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het BTW-wetboek (regeling uitsluitend van toepassing op de gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten en voorwerpen voor verzamelingen).
Het recht op deze vrijstelling moet vanzelfsprekend bewezen worden door de leverancier die de vrijstelling inroept. Op hem rust derhalve de bewijslast om aan te toen dat voormelde voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling vervuld zijn.
Dit bewijs moet worden geleverd door middel van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van hetgeen moet bewezen worden blijkt. Deze problematiek inzake de bewijsvoering, die overigens niet nieuw is en reeds vóór 1 januari 1993 bestond in verband met de uitvoer van goederen, werd uitgebreid toegelicht in een persmededeling die verscheen in het Belgisch Staatsblad van 20 februari 1993 en die bovendien via de BTW-controlekantoren aan alle belangstellenden ter beschikking werd gesteld.
De toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-wetboek zijn tweeërlei. Vooreerst dient het bewijs te worden geleverd dat de goederen naar een andere lidstaat werden vervoerd of verzonden.
Op grond van artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 dient de verkoper te allen tijde in het bezit te zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.
Daarnaast kan een door de koper ondertekend ontvangstbewijs met betrekking tot de geleverde goederen een nuttige aanvulling vormen op de overige, hiervoor reeds genoemde, gebruikelijke handelsdocumenten. Desondanks dient in dit verband duidelijk te worden gesteld dat een dergelijk ontvangstbewijs, zonder aanvullende bewijskrachtige stukken, het bestaan van het vervoer, of de verzending op geen enkele wijze afdoende aantoont. Het ontvangstbewijs slaat inderdaad slechts op het feit van de afgifte der goederen aan de koper en geenszins op het vervoer door laatstgenoemde naar de andere lidstaat.
In de door het geacht lid aangehaalde toestand is het bewijs van het bestaan van het vervoer, vermits dit door de koper zelf met eigen middelen wordt verricht, inderdaad problematischer aangezien er in dat geval geen stukken in verband met het vervoer zelf voorhanden zijn. In die omstandigheden kan de verkoper - vermits hij zich in een toestand bevindt waarin kan worden getwijfeld aan het feit of aan de voorwaarde van vervoer of verzending van de goederen buiten België zal worden voldaan - zich steeds de BTW door zijn medecontractant laten betalen.
De buitenlandse koper heeft er in dat geval alle belang bij voldoende bewijskrachtige documenten aan zijn leverancier te overhandigen indien hij wil vermijden dat de Belgische BTW wordt voldaan daar waar zijn intracommunautaire verwerving hoe dan ook belastbaar is in de lidstaat van aankomst. In dit geval zal de koper de reeds betaalde BTW slechts kunnen terugkrijgen op het ogenblik dat hij bewijst dat er een belaste intracommunautaire verwerving heeft plaatsgevonden in de lidstaat van aankomst.
Voorts slaat een tweede voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling vervat in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-wetboek, op de hoedanigheid van de koper.
Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 is de in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-wetboek bedoelde vrijstelling afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.
De hoedanigheid van de koper kan door de Belgische leverancier enkel nagezien worden aan de hand van het BTW-identificatienummer toegewezen door een andere lidstaat (voorafgegaan door de landencode), dat de koper hem meedeelt. De Belgische leverancier die niet zeker is van de geldigheid van het BTW-identificatienummer dat hem werd medegedeeld kan hiervan bevestiging vragen op onderstaand adres:
Ministerie van Financiën
Centrale eenheid voor uitwisseling van informatie tussen de andere
EEG-lidstaten op het gebied van de BTW
RAC
Kruidtuinlaan 50, bus 39
Financietoren - 15e verdieping
1010 Brussel
Tel: 02/210.29.25
Fax: 02/210.29.20.
Op uitdrukkelijk verzoek van de aanvrager wordt een geschreven bevestiging afgeleverd.
Aangestipt moet worden dat deze verificatie noch onmisbaar, noch voldoende is om de betrokken levering rechtmatig vrij te stellen. Zij voegt zich bij het geheel van de bewijsmiddelen, waarvan hiervóór sprake.
Deze verificatie is zeker nodig telkens wanneer een Belgische leverancier met vrijstelling van BTW verkoopt aan een klant in een andere lidstaat die de nodige garanties niet biedt (bijvoorbeeld omdat er geen vaste handelsrelatie bestaat) op het vlak van de geldigheid van het opgegeven BTW-identificatienummer, alsook van het feit dat de goederen effectief België verlaten. In die gevallen is het aangewezen de geldigheid van het BTW-identificatienummer na te gaan.
Het is tevens aangewezen dat de leveranciers zich telkens vergewissen van de identiteit en de hoedanigheid van de persoon aan wie ze met vrijstelling van BTW leveren (identiteitskaart, paspoort, kredietkaart, enz.), vooral indien de goederen, zoals in het door het geacht lid beoogde geval, meegenomen worden door de koper.