Intracommunautaire levering. Vrijstellingen. BTW-identificatienummer · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

342 11 september 2008

Zoeken

Intracommunautaire levering. Vrijstellingen. BTW-identificatienummer

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/342-intracommunautaire-levering-vrijstellingen-btw-identificatienummer-c959

Nummer
342
Datum
11 september 2008

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

19 paragrafen

Intracommunautaire levering

Vrijstellingen

BTW-identificatienummer

VRAAG

In het kader van de intracommunautaire btw eist de administratie van de belastingplichtigen het bewijs dat de goederen het land verlaten hebben en/of het bewijs van de betaling door de financiële instelling. Wanneer die bewijzen niet kunnen worden voorgelegd, is de Belgische belastingplichtige niet alleen verplicht de btw aan de administratie maar ook een boete gelijk aan de zogenaamd ontdoken btw te betalen Wij doen aan uitvoer in dit land en wij willen onze KMO's graag zo veel mogelijk zien uitvoeren om zo banen te creëren, wat overigens de reden is waarom er overheidssteun bestaat. Veel KMO's kunnen geen beroep doen op dure deskundigen om ze wegwijs te maken in de btw-doolhof en rekenen de btw te goeder trouw niet aan op de intracommunautaire verkoop maar ze verzuimen de bewijzen te verzamelen. Kan uw administratie het bewijs van de btw-aangifte in het aankopend land niet vragen aan de buitenlandse administratie vooraleer een Belgische KMO dubbel te beboeten, waardoor ze failliet kan gaan?

ANTWOORD

De problematiek van de bewijslast inzake de vrijstelling van btw voor intracommunautaire leveringen werd reeds uitvoerig becommentarieerd in de antwoorden op verscheidene parlementaire vragen. Ik verwijs het geachte lid meer bepaald naar de antwoorden op de vragen nr. 248 van de heer volksvertegenwoordiger Fournaux van 23 januari 1996 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 26 van 18 maart 1996, blz. 3019-3023) en nr. 668 van de heer Van den Abeelen van 13 december 1996 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 70 van 17 februari 1997, blz. 9396-9399).

Het voorstel van het geachte lid dat de administratie, telkens wanneer de belastingplichtige zijn op vrijstelling niet kan aantonen, systematisch de bijstand van de administratie van de lidstaat van de verwerver zou vragen om vast te stellen dat deze laatste de btw heeft voldaan, vooraleer de Belgische btw te vorderen, kan niet worden weerhouden omdat het niet overeenstemt met de Belgische wetgeving en de Europese jurisprudentie.

In de eerste plaats wordt er aan herinnerd dat de leverancier die de vrijstelling voor intracommunautaire levering van goederen inroept, verplicht is om aan de hand van een geheel van elementen het bewijs te leveren dat zijn klant in een andere lidstaat over een geldig btw-identificatienummer beschikt en dat de goederen zijn vervoerd naar een andere lidstaat. Het betreft een wettelijke verplichting die wordt voorzien door de artikelen 1 tot 3 van het koninklijk besluit nr. 52 genomen ter uitvoering van artikel 39bis van het Btw-Wetboek.

De verplichting voor de leverancier/dienstverrichter om het bewijs te leveren van het recht op vrijstelling, is een basisprincipe dat eveneens toepasbaar is voor tal van andere handelingen zoals export, verkopen aan ambassades en internationale organisaties, internationaal vervoer, enzovoort.

Bovendien heeft het Europees Hof van Justitie in het arrest Twoh International van 27 september 2007 met zaaknummer C-184/05 het volgende bepaald.

«Het beginsel dat de bewijslast van het recht op toepassing van een fiscale uitzonderingsmaatregel of toekenning van een belastingvrijstelling rust op degene die aanspraak maakt op een dergelijk recht, blijft binnen de door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen,

...

De richtlijn inzake wederzijdse bijstand en de verordening inzake administratieve samenwerking zijn niet vastgesteld met het oog op de invoering van een regeling voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de belastingdiensten van de lidstaten op grond waarvan zij de intracommunautaire aard kunnen vaststellen van leveringen verricht door een belastingplichtige die het daarvoor vereiste bewijs niet zelf kan leveren, ...

Zelfs in het geval dat de lidstaat van bestemming de belastingdienst van de lidstaat van levering heeft laten weten dat de koper aan zijn belastingautoriteiten een verklaring inzake de intracommunautaire verwerving heeft afgegeven, vormt een dergelijke verklaring geen doorslaggevend bewijs dat de goederen het grondgebied van de lidstaat van levering daadwerkelijk hebben verlaten, ...

De belastingautoriteiten van de lidstaat van waaruit goederen in het kader van een intracommunautaire levering worden verzonden of vervoerd, zijn niet verplicht de autoriteiten van de lidstaat waarvoor de goederen volgens de leverancier bestemd zijn, om inlichtingen te verzoeken, ...»

Het spreekt vanzelf dat indien de fiscale autoriteiten van de lidstaat van de verwerver systematisch zouden moeten bijstand verlenen aan de fiscale autoriteiten van de lidstaat van de leverancier omdat die leverancier omwille van nalatigheid of onwetendheid zijn recht op de vrijstelling niet kan bewijzen, deze fiscale autoriteiten kunnen geconfronteerd worden met een onevenredige administratieve last die hun primaire controletaken kan hypothekeren.

Eens te meer kan ik niets anders dan de belastingplichtigen en vooral de talrijke KMO's die zelden handelen met buitenlandse ondernemingen, aanraden de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen alvorens de vrijstelling voor intracommunautaire levering ten aanzien van hun klanten toe te passen. In dit verband kunnen deze belastingplichtigen alle nuttige inlichtingen verkrijgen bij het btw-controle-kantoor waaronder zij ressorteren.

Ten slotte wil ik het geachte lid erop attent maken dat, in het geval artikel 70 van het Btw-Wetboek een boete voorziet ten belope van tweemaal de ontdoken belasting voor diegene die de wettelijk verschuldigde btw niet heeft voldaan, deze boete door het koninklijk besluit nr. 41, dat het bedrag van de proportionele boetes inzake btw vastlegt (tabel G, eerste afdeling, VII), wordt verminderd tot 10% van de verschuldigde belasting voor zover de overtreding niet is begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking ervan mogelijk te maken.

Aangehaalde teksten

5