Intracommunautaire BTW-regeling. Recht op vrijstelling bij verkoop voertuigen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1039 15 december 2005

Zoeken

Intracommunautaire BTW-regeling. Recht op vrijstelling bij verkoop voertuigen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1039-intracommunautaire-btw-regeling-recht-vrijstelling-c3f2

Nummer
1039
Datum
15 december 2005

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

22 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 112, blz. 21114-21117

Intracommunautaire BTW-regeling - Recht op vrijstelling bij verkoop voertuigen

VRAAG

Op grond van artikel 39 bis van het BTW-wetboek worden de intracommunautaire leveringen door belastingplichtigen vrijgesteld van de belastingen op de toegevoegde waarde indien aan enkele voorwaarden voldaan wordt. Het vervoer naar een andere lidstaat is een essentiële grondvoorwaarde, alsook het bestaan van een geldig BTW-nummer van de koper. Het recht op vrijstelling moet bewezen worden door de leverancier. De problematiek van de bewijsvoering kwam reeds verschillende malen aan bod. Zo verwijst het antwoord op een vraag van de heer Fournaux van 23 januari 1996 (vraag nr. 248, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 26, 18 maart 1996, p. 3019-3023) naar een aantal documenten die het effectieve vervoer naar een andere lidstaat kunnen staven. Indien het vervoer echter door de koper wordt geregeld, is de effectieve verplaatsing van de voertuigen moeilijk te bewijzen. Om de BTW-vrijstelling te kunnen genieten, moet de koper "voldoende bewijskrachtige documenten" aan de leverancier bezorgen. Het antwoord op de vraag van senator Thissen van 16 januari 2003 (vraag nr. 2605, Vragen en Antwoorden , Senaat, 2002-2003, nr. 2-69) stelt onder andere dat een kopie van het inschrijvingsbewijs van het voertuig op naam van de klant in de lidstaat van bestemming en in voorkomend geval van het tijdelijk Belgisch inschrijvingsbewijs belangrijke en nuttige elementen in de bewijsvoering zijn.

Uit hetzelfde antwoord blijkt dat elk bewijskrachtig document toegelaten is om bewijs te leveren maar geen enkele welbepaald document op zich is onmisbaar of voldoende. Ook het antwoord op een gelijkaardige vraag van de heer Wauthier van 20 maart 2000 (vraag nr. 279, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 31, 22 mei 2000, blz. 3656-3657) schaft niet meer duidelijkheid over de precieze bewijskracht van de voor te leggen documenten. Deze situatie leidt natuurlijk tot rechtsonzekerheid bij de leverancier van voertuigen.

1. Kan u een limitatieve lijst van documenten meedelen die een voldoende en noodzakelijk bewijs vormen van een intracommunautaire levering door de leverancier en derhalve onbetwistbaar recht geven op de BTW-vrijstelling zoals bedoeld in artikel 39 bis van het BTW-wetboek en het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992?

2. In realiteit blijkt het soms moeilijk om aan een kopie van een buitenlands inschrijvingsbewijs op naam van een klant te geraken, hetzij omdat de klant verzuimt het document te bezorgen, hetzij omdat de betreffende administratie van de lidstaat van de koper weigert een kopie te bezorgen. Op welke manier kan de leverancier in dit specifiek geval alsnog de effectieve levering bewijzen?

3.

a) Wat indien de koper het voertuig niet inschrijft in zijn eigen lidstaat, maar onmiddellijk terug verkoopt aan een koper uit een andere EU-lidstaat?

b) In dit geval heeft de Belgische leverancier geen kennis van de uiteindelijke plaats van bestemming en kan dan ook geen buitenlands inschrijvingsbewijs voorleggen, laat staan op naam van de oorspronkelijke koper. Klopt dit?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.03.2006)

Zoals het geachte lid reeds stelt, maakte de problematiek van het bewijs van het recht op vrijstelling van BTW in het kader van een intracommunautaire levering reeds het voorwerp uit van uitvoerige uiteenzettingen naar aanleiding van het antwoord op diverse parlementaire vragen.

Wat meer specifiek de intracommunautaire levering van vervoermiddelen betreft, werd steeds gepreciseerd dat ieder bewijskrachtig document toegelaten is om het bewijs te leveren van het vervoer naar een andere Lidstaat, maar dat geen enkel welbepaald document op zich onmisbaar of voldoende is.

Er werd tevens reeds verduidelijkt dat, wanneer het voertuig bestemd is om door de verwerver te worden gebruikt in zijn Lidstaat, een kopie van het inschrijvingsbewijs van de wagen onder normale nummerplaat op naam van deze klant in de Lidstaat van bestemming en van het tijdelijke inschrijvingsbewijs afgeleverd in België (indien de verwerver het voertuig zelf meeneemt) zeker belangrijke en nuttige bijkomende bewijselementen zijn.

1. Een limitatieve lijst van documenten die het noodzakelijke bewijs, op voldoende en onbetwistbare wijze leveren van het recht op de vrijstelling voorzien in artikel 39bis van het BTW-Wetboek kan niet worden opgemaakt om reden zoals vermeld in de antwoorden op de vraag nr. 1450 van de heer Pieters van 22 juli 1998 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 145, blz. 19964-1966) en de vraag van de heer Fournaux van 8 september 1998 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 149, blz. 20403-20405).

Immers, het aannemen van een document of een bepaalde formaliteit als absoluut bewijsmiddel gaat in tegen de grondgedachte van de interne markt, kan enkel fiscale fraudepraktijken vergemakkelijken en aanmoedigen (vervalste documenten, vervalste stempels, ...) en is in strijd met artikel 84 van het BTW-Wetboek en artikel 172 van de Grondwet, want in dit geval zou de administratie de vrijstelling niet kunnen betwisten, hoewel ze bijvoorbeeld over de bewijzen zou beschikken dat de goederen België niet verlaten hebben.

2. Wanneer het vervoer door of voor rekening van de koper wordt verricht, betaamt het de Belgische leverancier zeer voorzichtig te zijn bij het verlenen van de BTW vrijstelling gelet op het feit dat hij op dat ogenblik slechts over weinig bewijselementen beschikt. Er werd reeds op gewezen dat de leverancier als voorzorgsmaatregel bijvoorbeeld een waarborgsom aan zijn koper zou kunnen opleggen teneinde deze laatste aan te sporen de nodige bewijsmiddelen te verstrekken. Ik herinner er aan dat een kopie van een inschrijvingsbewijs slechts één bewijselement uitmaakt tussen andere bewijsmiddelen en op zich noch voldoende noch onmisbaar is.

In regel dient het inschrijvingsbewijs zich aan boord van ieder ingeschreven voertuig te bevinden, hetgeen impliceert dat het verzenden van een kopie ervan redelijkerwijze geen praktisch probleem stelt voor de koper. Wanneer de verkoper echter geen enkele voorzorgsmaatregel heeft genomen bij de levering, zal het voor hem natuurlijk moeilijker worden om dit document van zijn koper te bekomen.

3. Wanneer de koper het voertuig niet inschrijft op zijn naam in zijn Lidstaat en het onmiddellijk doorverkoopt aan een in een andere Lidstaat gevestigde koper, dienen zich twee te onderscheiden situaties aan.

Ofwel vervoert de koper het voertuig tot in zijn eigen Lidstaat alvorens het verder te verkopen. In dit geval zijn er twee te onderscheiden leveringen met vervoer. De Belgische leverancier dient het bewijs te leveren van het vervoer van het voertuig door zijn klant naar diens Lidstaat, welke de Lidstaat van bestemming uitmaakt. Het feit dat het voertuig daarna het voorwerp uitmaakt van een nieuw vervoer naar een andere Lidstaat heeft in principe geen uitstaans met de initiële levering, tenzij natuurlijk wanneer de uiteindelijke afnemer (en bijgevolg ook de uiteindelijke eindbestemming) reeds gekend is op het moment waarop het voertuig de inrichting van de Belgische leverancier verlaat.

Ofwel wordt het voertuig van uit de inrichting van de Belgische leverancier onmiddellijk vervoerd naar de uiteindelijke afnemer, zonder de inrichting van de koper-tussenpersoon aan te doen. In dit geval is slechts een van de twee leveringen een levering met vervoer die van BTW kan vrijgesteld worden. Er wordt aan herinnerd dat de in artikel 39 bis voorziene vrijstelling ervan uitgaat dat het vervoer van de goederen naar een andere Lidstaat wordt verricht door de verkoper, de koper of voor hun rekening. Wanneer nu het vervoer wordt verricht door of voor rekening van een volgende koper (de uiteindelijke afnemer), zijn, ten aanzien van de door de Belgische leverancier verrichte levering, de voorwaarden voor de in artikel 39bis voorziene vrijstelling in principe niet vervuld en is de BTW in België opeisbaar.

Bijgevolg, wanneer ingeval van een vervoer rechtstreeks naar de uiteindelijke koper in een andere Lidstaat dan die van zijn koper, moet de leverancier niet alleen het bewijs leveren van een vervoer naar een andere Lidstaat, maar zich er ook van verzekeren dat de persoon die het voertuig bij hem ophaalt wel degelijk handelt voor rekening van zijn klant.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 39bis3 voorkomens
WBTW art. 841 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … het geachte lid meer specifiek naar het antwoord op de vraag nr. 248 van de heer volksvertegenwoordiger Fournaux van 23 januari 1996 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer GZ 1995-1996, nr. 26 van 18 maart 1996, blz. 3019-3023) en naar het antwoord op de recente vraag nr. 1039 van de heer volksvertegenwoordiger Goyvaerts van 15 december 2005 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer GZ 20052006, nr. 112 blz. 21114-21117). In die antwoorden werd steeds gepreciseerd dat bij de bewijsvoering van het vervoer naar een andere Lidstaat elk bewijsstuk toegelaten is, maar dat geen enkel bijzonder stuk op zich … »

Intracommunautaire leveringen. Nieuwe vervoermiddelenParlementaire vraag04.12.2006

Bekijk het document