Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

134 1 juni 1976

Zoeken

Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. MaatstafWerk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. Bouwmateriaal. Deskundige schatting. Bouwwaarde. Bewijs. Bouwdossier. Sociale woning. Middelgrote woning

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/134-werk-in-onroerende-staat-onroerend-a657

Nummer
134
Datum
1 juni 1976

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

17 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat G.Z. 1975-1976 blz. 1625

Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Woning - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier - Sociale woning - Middelgrote woning

VRAAG

Ik blijf met belangstelling het spel van vraag en antwoord volgen tussen de geachte Minister en mijn collega's van Senaat en Kamer omtrent de controle van de normale waarde van gebouwen, vooral van sociale en middelgrote woningen.

ANTWOORD

Mijn belangstelling ligt niet ver van verwondering, omdat reeds in 1970 Op mijn vraag nr. 35 van 4 december 1970, bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 12, blz. 399, 1970-1971, geantwoord werd: De toepassing van deze bepalingen brengt mede dat onder de BTW-regeling zal worden onderzocht of, ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een te bouwen huis, de normaal door de aannemer toegepaste prijzen niet hoger zijn dan de gefactureerde bedragen en dat, op het eventueel tekort, de BTW tegen het tarief van 14 pct. zal verschuldigd zijn.

Wil de geachte Minister me meedelen of zijn administratie van de BTW thans over andere wettelijke of reglementaire instructies beschikt dan in 1970 het geval was ?

Antwoord: Ik heb de eer het geachte lid mede te delen dat, sedert het in werking treden van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van de BTW, er met betrekking tot de controle van de maatstaf van heffing van werk in onroerende staat tot oprichting van gebouwen geen nieuwe wettelijke bepalingen meer werden uitgevaardigd.

De aandacht wordt evenwel gevestigd op het feit dat benevens artikel 36 van het BTW-Wetboek, waarvan melding werd gemaakt in het antwoord nr. 35 van 4 december 1970 (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 12, van 29 december 1970, Senaat, zitting 1970-1971, blz. 399), er nog andere artikelen toepasselijk waren en nog steeds zijn. Die andere artikelen regelen de uitvoering van het principe neergelegd in artikel 36.

Dit zijn inzonderheid:

- het artikel 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek, dat bepaalt dat de normale waarde is, de prijs die hier te lande, in dezelfde handelsfaze, voor die dienstverrichting kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen;

- het artikel 64, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek dat een vermoeden instelt dat ieder pas opgericht gebouw wordt geacht door een belastingplichtige te zijn geleverd ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat;

- het artikel 64, § 4, tweede lid, van het BTW-Wetboek dat de eigenaar verplicht de plans en de bestekken van het opgericht gebouw alsmede de facturen van de bouw, gedurende vijf jaar, vanaf de betekening van het kadastrale inkomen, te bewaren en ze ter inzage voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de heffing van de BTW;

- het artikel 64, § 4, laatste lid, van het BTW-Wetboek dat bepaalt dat de eigenaar van een pas opgericht gebouw verplicht wordt uiterlijk binnen drie maanden vanaf de datum van betekening van het kadastraal inkomen een aangifte in te dienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de BTW in rekening werd gebracht;

- het artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek waarin wordt bepaald dat zowel de door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaar als de belastingplichtige bevoegd is een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde te bepalen van de diensten bedoeld in het reeds genoemde artikel 36, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek; die procedure is geregeld in de artikelen 14 tot 21 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970.

Ik kan tenslotte het geachte Lid ervan in kennis stellen dat de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, met inachtneming van de evengenoemde wettelijke bepalingen en met het oog op een minnelijk afwikkelen van de bouwdossiers aan haar ambtenaren richtlijnen heeft verstrekt om hun behulpzaam te zijn bij het bepalen van de normale bouwwaarde.

Voor de beginselen en grondslagen waarop die administratieve richtlijnen steunen verwijs ik het geachte Lid naar mijn antwoord op de vraag nr. 132 van 25 maart 1975 van de heer Ferir (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 26, van 29 april 1975, Kamer, zitting 1974-1975, blz. 1.909) en naar mijn antwoord op de vraag nr. 98 van 12 mei 1975 van senator R. Vandekerckhove (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 35, van 3 juni 1975, senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 1.363).

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 643 voorkomens
WBTW art. 362 voorkomens
WBTW art. 321 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen