Belastbare beroepsinkomsten. Verhoging. Aanslag volgens indiciën. Verhoging van het omzetcijfer inzake BTW · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1132 15 juni 1994

Zoeken

Belastbare beroepsinkomsten. Verhoging. Aanslag volgens indiciën. Verhoging van het omzetcijfer inzake BTWBelastbare beroepsinkomsten. Verhoging. Aanslag volgens indiciën. Verhoging van het omzetcijfer inzake BTW.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1132-belastbare-beroepsinkomsten-verhoging-aanslag-volgens-dabc

Nummer
1132
Datum
15 juni 1994

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1993-1994, nr. 123, blz. 12.900-12.902

Belastbare beroepsinkomsten - Verhoging - Aanslag volgens indiciën - Verhoging van het omzetcijfer inzake BTW.

VRAAG

Wanneer bij een controle een indiciair tekort wordt vastgesteld, bevat dat indiciair tekort de verschuldigde BTW en moet de verschuldigde BTW worden berekend op het nettobedrag, na verwijdering van de BTW uit het indiciair tekort.

Bij controle van een belastingplichtige wordt een fout vastgesteld in de forfaitaire berekeningswijze (een kleine vergissing van enkele tienduizenden Belgische franken). Over de aanpassing en de berekening van de ontvangsten is er geen enkel probleem of geschil, maar dan verklaart de controleur dat de hierop verschuldigde BTW ook in de belastbare basis moet worden opgenomen. Naar mijn mening is dat niet mogelijk, daar de vermenigvuldigde BTW een onbetwistbaar vastgestelde schuld is en schulden geen deel uitmaken van de winst. Bovendien zou het principe dat de BTW een neutrale belasting is, fundamenteel worden geschonden.

Bent u het daarmee eens ?

ANTWOORD

In principe blijft de BTW zonder invloed op de resultaten van een onderneming. Dat belet evenwel niet dat de door een belastingplichtige geïnde en wederrechtelijk niet aan de Schatkist betaalde BTW een bestanddeel van het belastbare beroepsinkomen vormt (nr. 24/23 van de commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

Wanneer wordt vastgesteld dat aan de BTW onderworpen leveringen van goederen of diensten niet werden aangegeven, moet in de regel worden aangenomen dat de belastingplichtige, boven het bedrag van die leveringen, eveneens de normaal daarop verschuldigde BTW aan zijn klanten heeft aangerekend. Dat houdt in dat, voor het belastbare tijdperk waarvoor die vaststelling wordt gedaan, de aangegeven inkomsten niet alleen moeten worden verhoogd met de winst op die leveringen of diensten maar eveneens met de BTW die, rekening houdend met het toepasselijke tarief, wettelijk op die leveringen of diensten verschuldigd is (nr. 24/24, 1ste lid, van voormelde commentaar).

Die regel is van toepassing ongeacht de wijze waarop de verdoken ontvangsten worden vastgesteld (ontdekking van niet in de rekeningen opgenomen facturen, taxatie op grond van vermoedens - inbegrepen de taxatie bij vergelijking - enzovoort). Er mag van die regel slechts worden afgeweken wanneer de belastingplichtige het bewijs levert dat de normaal verschuldigde BTW geheel of gedeeltelijk niet werd aangerekend aan zijn klanten of wanneer het, gelet op de voorhanden zijnde feitelijke gegevens, als vaststaand kan worden aangenomen dat die aanrekening niet gebeurde (nr. 24/24, 2de lid, van dezelfde commentaar).

Ter zake weze nog opgemerkt dat de BTW die achteraf op de niet aangegeven leveringen of diensten zou worden geëist - of die, ingevolge de gedane vaststellingen, spontaan in een BTW-aangifte zou worden opgenomen - een beroepskost vormt die aftrekbaar is voor het belastbaar tijdperk waarin ze wordt betaald of het karakter heeft verworven van een zekere en vaststaande schuld en als dusdanig is geboekt. Er bestaat nochtans geen aanleiding tot een dergelijke aftrek wanneer de verschuldigde, doch voorheen niet-aangerekende (en niet-belaste) BTW op de betrokken klanten wordt verhaald (nr. 44/430.16 van de commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen).

Op grond van artikel 59 van het BTW-wetboek is de met BTW-controle belaste administratie gerechtigd om de aanslag volgens indiciën, als bewijs door menselijke vermoedens, in te roepen om het belastbaar omzetcijfer inzake BTW te bepalen, telkens wanneer er kan worden vermoed dat de supplementaire inkomsten voortvloeien uit een aan de BTW onderworpen economische activiteit en dat die inkomsten niet begrepen geweest zijn in het voor die belasting aangegeven omzetcijfer.

Ingeval het inzake BTW aangegeven omzetcijfer ingevolge aldus supplementair vastgestelde inkomsten wordt verhoogd dient, aangezien de BTW krachtens artikel 28, 6°, van het BTW-wetboek wordt uitgesloten van de maatstaf van heffing, die BTW in voorkomend geval vooreerst uit het inzake BTW wedersamengesteld omzetcijfer te worden verwijderd.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 281 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen