Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat (01.03.2021) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

1 maart 2021

Zoeken

Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat (01.03.2021)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/teruggaaf-belasting-tijdstip-waarop-vordering-9e08

Datum
1 maart 2021

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

108 paragrafen

Btw-Commentaar. Teruggaaf van de belasting - Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat (01.03.2021)

BOEKWERK IV. Voldoening van de belasting

Hoofdstuk 14. Teruggaaf van de belasting

Afdeling 5. Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat

Bijwerking 01.03.2021 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020]

Inhoud: · 12 onderdelen

Inleiding

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Algemeen

B. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie

a. Algemeen

b. Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord

C. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement

3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek

4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek

5. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek

6. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie

Inleiding

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.

Het is immers van wezenlijk belang om de dag waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat juist te bepalen. Dit is immers de dag vanaf dewelke de vordering tot teruggaaf kan worden ingesteld maar eveneens de dag vanaf dewelke de vordering tot teruggaaf overeenkomstig artikel 82, van het Btw-Wetboek begint te verjaren. Ingevolge de bepalingen van artikel 82bis, van voornoemd Wetboek verjaart deze vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

Wijziging opgenomen op 12.09.2022 ingevolge arrest van het Hof van Cassatie d.d. 17.06.2022 (F.20.0038.F)

Oorspronkelijke tekst, eerste paragraaf:

“Wanneer het recht op teruggaaf haar oorzaak vindt in de indiening van een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek waarin het bedrag van de aftrekbare en voor teruggaaf vatbare btw hoger is dan de verschuldigde btw, dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van voornoemde aangifte.”

Vervangen door:

Wanneer het recht op teruggaaf haar oorzaak vindt in de indiening van een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek waarin het bedrag van de aftrekbare en voor teruggaaf vatbare btw hoger is dan de verschuldigde btw, dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van voornoemde aangifte. De vordering tot teruggaaf ontstaat evenwel uitsluitend voor zover de belastingplichtige uitdrukkelijk de teruggaaf vraagt en mits aan alle andere voorwaarden van artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is voldaan.

Voor verdere toelichting aangaande de verjaring van deze vordering wordt verwezen naar Boekwerk VII: Controle en navordering van de belasting - Hoofdstuk 19: Verjaringen – Afdeling 11 – rubriek C: Eindpunt van de verjaringstermijn.

Vindt een recht op teruggaaf daarentegen haar oorzaak in de indiening van een bijzondere aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van deze aangifte mits aan alle voorwaarden van artikel 83, van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is voldaan.

Ten aanzien van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van voornoemd Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, vindt de teruggaaf plaats door toerekening op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak, van het totaalbedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan in dat tijdvak.

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Algemeen

In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 2) wordt het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, en waarop bijgevolg de vordering tot teruggaaf ontstaat, als volgt bepaald:

• wanneer de betaalde belasting het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is, op de datum van betaling (artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek)

• wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan of wanneer de leverancier de medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingsmiddelen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend, op de datum waarop de prijsvermindering wordt toegestaan of op de datum waarop de creditnota door de leverancier aan de medecontractant wordt uitgereikt (artikel 77, § 1, 2° en 3°, van het Btw-Wetboek)

• wanneer de overeenkomst voor de levering of voor de uitvoering van de dienst verbroken is, op de datum waarop de partijen overeenkomen over de verbreking (artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek)

• wanneer de overeenkomst minnelijk vernietigd of ontbonden is, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding (artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek)

• wanneer de overeenkomst door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is op de datum waarop het vonnis of het arrest, waarbij de vernietiging of de ontbinding werd uitgesproken, in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek)

• wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen op de datum waarop wordt aangetoond dat het goed is teruggenomen (artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek)

• in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, op de datum waarop het verlies als zeker mag worden beschouwd. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het geleden verlies op de winst- en verliesrekening werd ingeschreven nadat alle middelen van verhaal zijn uitgeput (artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek).

Wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, van het Btw-Wetboek moet de leverancier of de dienstverrichter overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.

De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

In de regel moet de leverancier of de dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek aan de staat het bedrag van de belasting terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag en dit indien de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt. Dit gebeurt door het opnemen van het bedrag van de verschuldigde belasting in de aangifte met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen. Voor wat de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie betreft, wordt hiervan evenwel afgeweken (zie ook rubriek B hierna).

B. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie

a. Algemeen

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een

gerechtelijke reorganisatie:

• in geval van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, op de datum van de homologatie door de rechtbank, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het reorganisatieplan

• in geval van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord, op de datum van het vonnis dat het minnelijk akkoord vaststelt, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het akkoord

• op de datum van de uitspraak tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, wat betreft de schuldvorderingen die ten gevolge van de overdracht niet konden worden aangezuiverd.

De hiervoor beoogde schuldvorderingen worden derhalve in principe vanaf betreffende data - opgenomen in de bepalingen van voornoemd artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 - geacht blijvend te zijn verminderd in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek. De administratie gaat ervan uit dat de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van voornoemd Wetboek in deze niet van toepassing zijn daar zij enkel de situaties beogen waarin de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden én later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt. Een uitzondering hierop is echter het geval waarbij er een einde wordt gemaakt aan het minnelijk akkoord of als het reorganisatieplan wordt ingetrokken. In dergelijke gevallen zal het ‘verloren’-karakter van de schuldvordering opnieuw in vraag worden gesteld en zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek in voorkomend geval van toepassing.

De leverancier of de dienstverrichter is overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek in de hiervoor beoogde gevallen evenwel steeds gehouden aan de medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

b. Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord

De wet van 31.01.2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen werd met ingang van 01.05.2018 opgeheven, en werd vervangen door de wet van 11.08.2017 houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht (BS 11.09.2017)

Vooreerst wordt benadrukt dat het navolgende uitsluitend van toepassing is in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel XX.67 en volgende van het Wetboek van economisch recht (hierna WER) wordt in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord voorzien in het opstellen van een reorganisatieplan waarin de rechten van alle personen die titularis zijn van schuldvorderingen in de opschorting of van schuldvorderingen die zullen ontstaan ten gevolge van de stemming of de homologatie van het reorganisatieplan (artikel XX.71 van het WER )worden beschreven. Betreffend reorganisatieplan vermeldt daarenboven onder andere de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten (artikel XX.72 van het WER). Hierbij mag het voor elke schuldeiser uitgebrachte betalingsvoorstel in principe niet minder bedragen dan 20% van het bedrag van de schuldvordering (artikel XX.73 van het WER). Dienaangaand verduidelijkt artikel I.22, 11°, van het WER (Definities eigen aan boek XX) dat met de term schuldvorderingen in de opschorting worden bedoeld ‘de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissingen genomen in het kader van de procedure volgen’.

Volledigheidshalve wordt evenwel opgemerkt dat betreffend reorganisatieplan wordt geacht goedgekeurd te zijn door de schuldeisers wanneer de meerderheid van hen, vertegenwoordigd door hun schuldvorderingen, de helft van alle in hoofdsom verschuldigde bedragen vertegenwoordigen, voor stemmen (artikel XX.78 van het WER)

Het voorgaande heeft voor gevolg dat een eventuele schuld inzake btw die ten aanzien van de administratie ontstaat ingevolge de stemming van het reorganisatieplan of ingevolge de homologatie ervan door de daartoe bevoegde insolventierechtbank, dient te worden aangemerkt als een schuld in de opschorting in de zin van de bepalingen van voornoemd artikel I.22, 11°, van het WER en aldus overeenkomstig de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd in dezelfde mate als de schuldvordering waarop zij betrekking heeft. Deze benadering sluit tevens aan bij het door het Hof van justitie van de Europese Unie gewezen arrest van 07.04.2016 in de zaak C-546/14, Degano Trasporti Sas di Ferrucio Degano & C..

Op dezelfde manier als in subrubriek a., is de leverancier of de dienstverrichter (in casu de schuldeiser) overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden aan de medecontractant (in casu de schuldenaar) een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen. Terzelfdertijd verricht de medecontractant in rooster 62 een regularisatie in zijn voordeel ten belope van de vermindering die deze btw als schuld in de opschorting kent.

Voorbeelden

• Een belastingplichtige schuldenaar (hierna A genaamd) heeft een openstaande schuld ten bedrage van 12.100,00 euro (= 10.000,00 euro + 2.100,00 euro btw) bij zijn belastingplichtige leverancier (hierna B genaamd) en beroept zich op de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord. Bij de opening van betreffende procedure is de Belgische Staat (in casu de btw-administratie) geen houder van een reeds op dat ogenblik bestaande schuldvordering ten opzichte van A. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat A de voorbelasting (in casu 2.100,00 euro) geheel in aftrek heeft gebracht.

Ingevolge de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan door de bevoegde insolventierechtbank worden alle schulden in de opschorting in de zin van artikel I.22, 11°, van het WER verminderd met één derde.

Dientengevolge wordt de openstaande schuldvordering verminderd tot 8.066,67 euro (= 6.666,67 EUR + 1.400,00 euro btw) en ontstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek een vordering tot teruggaaf ten bedrage van 700,00 euro (= 1/3 van 2.100 euro) in hoofde van B die een creditnota ten bedrage van 4.033,33 euro (= 3.333,33 euro + 700,00 euro btw) uitreikt aan A. Derhalve is A overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden de belasting terug te storten aan de staat ten bedrage van 700,00 euro, meer bepaald in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, waardoor in hoofde van de Belgische Staat een schuldvordering lastens A ontstaat.

Deze in hoofde van A ontstane schuld dient overeenkomstig voornoemd artikel I.22,11° eveneens te worden aangemerkt als een schuldvordering in de opschorting dewelke ingevolge de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd met, in casu, één derde. Derhalve dient voornoemde schuldvordering van 700,00 euro te worden verminderd met één derde, zijnde 233,33 euro, tot 466,67 euro.

Het bedrag aan btw dat in deze creditnota is vermeld, dient enerzijds door A te worden opgenomen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd ontvangen voor een bedrag van 700,00 euro en waarbij in rooster 62 een regularisatie in het voordeel van de aangever (A) wordt opgenomen voor een bedrag van 233,33 euro. Anderzijds dient het bedrag aan btw dat in betreffende creditnota is vermeld door B te worden opgenomen in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd uitgereikt.

• Een belastingplichtige schuldenaar (hierna X genaamd) beroept zich op de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord en heeft meerdere openstaande schulden bij verschillende leveranciers en bij de Belgische Staat, zijnde:

o bij leverancier Y ten bedrage van 36.300,00 euro (= 30.000,00 euro + 6.300,00 euro btw)

o bij leverancier Z ten bedrage van 24.200,00 euro (= 20.000,00 euro + 4.200,00 euro btw)

o 30.000,00 euro aan achterstallige belastingen (vennootschapsbelasting en btw) ten voordele van de Belgische Staat.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat X de voorbelasting geheel in aftrek heeft gebracht.

Ingevolge de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan door de bevoegde insolventierechtbank wordt in een gedifferentieerde behandeling van de verschillende schuldeisers voorzien en worden betreffende schuldvorderingen in de opschorting respectievelijk verminderd met navolgende percentages:

o openstaande schulden bij leverancier Y met 20 %

o openstaande schulden bij leverancier Z met 40 %

o openstaande schulden bij de Belgische Staat met 20 %.

Bij wijze van verduidelijking wordt in deze de behandeling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde weergegeven voor wat de openstaande schulden bij leverancier Z betreft. In gevolge de homologatie van voornoemd reorganisatieplan wordt betreffende openstaande schuld verminderd tot 14.520,00 euro (= 12.000,00 euro + 2.520,00 euro btw) en ontstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek een vordering tot teruggaaf ten bedrage van 1.680,00 euro (= 40 % van 4.200,00 euro) in hoofde van Z die een creditnota ten bedrage van 9.680,00 euro (= 8.000,00 euro + 1.680,00 euro btw) uitreikt aan X. Derhalve is X overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden de belasting terug te storten aan de staat ten bedrage van 1.680,00 euro, meer bepaald in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, waardoor in hoofde van de Belgische Staat een schuldvordering lastens X ontstaat.

Deze in hoofde van X ontstane schuld dient overeenkomstig voornoemd artikel I.22,11° eveneens te worden aangemerkt als een schuldvordering in de opschorting dewelke ingevolge de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd met 40 %, meer bepaald met hetzelfde percentage als hetgeen van toepassing is op de schuldvordering in de opschorting waarop zij betrekking heeft. Derhalve dient voornoemde in hoofde van X ontstane schuld van 1.680,00 euro te worden verminderd met 40 %, zijnde 672,00 euro, tot 1.008,00 euro. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze vermindering aldus geenszins wordt beïnvloed door het respectievelijke percentage, in casu 20 %, dat van toepassing is ten aanzien van de schulden die X heeft openstaan bij de Belgische Staat.

Het bedrag aan btw dat in deze creditnota is vermeld dient enerzijds door X te worden opgenomen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd ontvangen voor een bedrag van 1.680,00 euro en waarbij in rooster 62 een regularisatie in het voordeel van de aangever (X) wordt opgenomen voor een bedrag van 672,00 euro. Anderzijds dient het bedrag aan btw dat in betreffende creditnota is vermeld door Z te worden opgenomen in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd uitgereikt voor een bedrag van 1.680,00 euro.

C. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.

Tot en met 30.04.2018 was de faillissementswet van 08.08.1997 (BS 28.10.1997) van toepassing.

Artikel 11 van voornoemde faillissementswet van 08.08.1997 bepaalt dat de rechtbank van koophandel bij voornoemd vonnis van faillietverklaring onder haar leden, de voorzitter uitgezonderd, een rechter- commissaris benoemt. Betreffende rechtbank stelt tevens één of meer curators aan, al naar de belangrijkheid van het faillissement. Zij beveelt in voorkomend geval een plaatsopneming door de rechter-commissaris, de curators en de griffier. Zij beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde ter griffie aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel 38 van voornoemde Wet.

Met ingang van 01.05.2018 werd voornoemde faillissementswet van 08.08.1997 opgeheven, onder voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die liepen op 01.05.2018, en werd deze vervangen door de Wet van 11.08.2017 (BS 11.09.2017) houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht.

Artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht bepaalt dat de insolventierechtbank in het vonnis van faillietverklaring onder haar leden, de voorzitter uitgezonderd, één of meerdere rechterscommissarissen benoemt. De insolventierechtbank stelt een of meer curatoren aan, al naar de belangrijkheid van het faillissement. Zij beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107. Hetzelfde vonnis bepaalt de datum waarop het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen in het register wordt neergelegd. Dit tijdstip wordt zo gekozen dat er ten minste vijf en ten hoogste dertig dagen verlopen tussen het verstrijken van de termijn van aangifte van de schuldvorderingen en de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie.

Uit de samenlezing van hetgeen voorafgaat volgt aldus dat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement ontstaat op de datum van het vonnis van faillietverklaring en dat één of meerdere curators bij datzelfde vonnis worden aangesteld. Daarenboven verduidelijken voornoemd artikel 11 van de faillissementswet en artikel XX.104 van het Wetboek economisch recht dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering dienen te doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring.

Tot slot wordt opgemerkt dat in geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, de leverancier of de dienstverrichter niet gehouden is aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek zal de leverancier of dienstverrichter die in deze een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt.

3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek

In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titels 3 en 5) wordt het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, en waarop bijgevolg de vordering tot teruggaaf ontstaat, als volgt bepaald:

• wanneer de betaalde belasting de wettelijk verschuldigde belasting overtreft (artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop die belasting werd betaald

• wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan (artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de creditnota door de leverancier wordt uitgereikt

• wanneer de verpakking naar een plaats buiten de Gemeenschap wordt teruggezonden (artikel 77, § 1bis, 2°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de creditnota door de leverancier wordt uitgereikt

• wanneer de overeenkomst minnelijk of door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is (artikel 77, § 1bis, 3°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de goederen worden wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, of, indien de goederen vóór de vernietiging of ontbinding werden wederuitgevoerd, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding, of ook, op de datum waarop het vonnis of het arrest waarbij de vernietiging of de ontbinding werd uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan

• wanneer het goed binnen zes maanden werd wederuitgevoerd (artikel 77, § 1bis, 4°, van het Btw-Wetboek), op de datum van de wederuitvoer buiten de Gemeenschap

• wanneer het goed werd vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten (artikel 77, § 1bis, 5°, van het Btw-Wetboek), op de datum van de vernietiging

• wanneer het goed na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt geplaatst onder een regeling bedoeld in artikel 23, §§ 4 of 5, van het Wetboek (artikel 77, § 1bis, 6°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de belasting werd betaald

• wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden gebruikt voor het doel waartoe het is ingevoerd (artikel 77, § 1bis, 7°, van het Btw-Wetboek), op de datum van de wederuitvoer buiten de Gemeenschap of de vernietiging van het goed

• wanneer de niet-belastingplichtige rechtspersoon aantoont dat hij een aan de belasting onderworpen intracommunautaire verwerving heeft verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de ingevoerde goederen (artikel 77bis, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de aan de btw onderworpen verwerving heeft plaatsgevonden.

4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek

De in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 4) bedoelde vordering tot teruggaaf ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, namelijk op de datum waarop de rechthebbende de belasting ter zake van de verkrijging van het voertuig heeft voldaan in handen van de verkoper of op de datum waarop de wegens de intracommunautaire verwerving of wegens de invoer verschuldigde btw werd voldaan.

Voor de oorlogsinvaliden is het genieten van een invaliditeitspensioen van ten minste 50% een essentiële voorwaarde om de teruggaaf te bekomen.

Wanneer aan een oorlogsinvalide een invaliditeitspensioen van ten minste 50% wordt toegekend, of wanneer zijn invaliditeitspensioen op 50% of meer wordt gebracht met terugwerkende kracht tot op een tijdstip dat de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer voorafgaat, ontstaat de vordering tot teruggaaf op de datum van betekening aan de betrokkene van de beslissing waarbij het invaliditeitspensioen wordt toegekend of het percentage van de invaliditeit wordt verhoogd.

De vordering tot teruggaaf kan, overeenkomstig artikel 82bis van het Btw-Wetboek, worden uitgeoefend tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

5. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek

Voor de in artikel 8, van het Btw-Wetboek bedoelde toevallige belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 1 – rubriek B hiervoor en Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen) doet de oorzaak van de vordering tot teruggaaf zich voor op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt over de volledige maatstaf van heffing wat betreft de belasting die op dat tijdstip reeds aftrekbaar is, en op het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat wat betreft de belasting waarvoor de belastingplichtige slechts schuldenaar wordt na de datum waarop de btw opeisbaar wordt over de volledige maatstaf van heffing (zie ook artikelen 2 en 5 van koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen).

6. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie

De vordering tot teruggaaf van belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten voldaan op verzoek van de administratie ontstaat op de datum waarop die sommen zijn betaald.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de fiscale geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, in afwijking van artikel 5, § 1, van dat koninklijk besluit, niet plaatsvinden door toerekening op het bedrag van de door de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon verschuldigde belasting, voor zover het niet gaat om teruggaaf van de in een aangifte vastgestelde te betalen sommen.

De vordering tot teruggaaf van die belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten is niet afhankelijk van het vervullen van de bij artikel 4 van dat besluit bepaalde formaliteiten. Zij moet worden ingesteld bij de rechtbank bepaald in artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, bij een verzoekschrift op tegenspraak, opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies van dat Wetboek.

[Top]

Aangehaalde teksten

20
WBTW art. 7729 voorkomens
KB nr. 4 art. 34 voorkomens
WBTW art. 77bis4 voorkomens
WBTW art. 793 voorkomens
WBTW art. 83 voorkomens
KB nr. 4 art. 42 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
WBTW art. 762 voorkomens
KB nr. 14 art. 21 voorkomen
KB nr. 14 art. 51 voorkomen
KB nr. 4 art. 51 voorkomen
KB nr. 4 art. 61 voorkomen
KB nr. 4 art. 811 voorkomen
KB nr. 4 art. 831 voorkomen
WBTW art. 231 voorkomen
WBTW art. 53ter1 voorkomen
WBTW art. 821 voorkomen
WBTW art. 82bis1 voorkomen
WBTW art. 91 voorkomen