lid 1Wanneer het totaalbedrag van de omzet, in de loop van een kalenderjaar, meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 56bis, § 1, van het Wetboek, is de belastingplichtige onderworpen aan de normale regeling van de belasting vanaf de eerste handeling, in haar geheel genomen, waarvoor het bovenbedoeld bedrag wordt overschreden.
lid 2Deze belastingplichtige stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hiervan onmiddellijk in kennis door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Bij ontstentenis van optie zal hij onderworpen zijn aan de normale regeling van de belasting.
lid 1De overeenkomstig artikel 56bis, § 6, van het Wetboek bedoelde optie voor de normale regeling van de belasting, wordt uitgeoefend door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Die optie heeft uitwerking te rekenen vanaf het verstrijken van de maand na die waarin de aangifte is gedaan.
lid 2Vóór 1 januari van het derde jaar na dat waarin de optie uitwerking heeft gehad, kan de belastingplichtige niet opnieuw overgaan naar de vrijstellingsregeling van belasting. Van die wijziging in de belastingregeling wordt vóór 1 december kennis gegeven aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Die wijziging heeft uitwerking met ingang van 1 januari van het volgend jaar.