lid 1Belastingschuldigen die tegen het dwangbevel verzet doen, kunnen op de vervolging ingesteld door de administratie die bevoegd is voor de belasting over de toegevoegde waarde en vóór het vonnis dat het geschil beslecht, volgens de rechtspleging in kortgeding veroordeeld worden om, binnen een door de rechter te bepalen termijn, voor de bij het dwangbevel gevorderde sommen of voor een gedeelte ervan een provisionele storting te verrichten of een borgtocht te verlenen. De beschikking van de rechter is uitvoerbaar niettegenstaande beroep. De belastingschuldige kan worden gemachtigd die zekerheden te vervangen door een door de administratie erkende persoonlijke borg.
lid 2Wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Opeenvolgende versies
6 versies eerste op 01.01.1971| Van kracht | Wijziging | Bron |
|---|---|---|
| 01.01.2023van kracht | het artikel werd gewijzigd | W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022 |
| 01.01.2020 | het artikel werd vervangen | W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019 |
| 16.05.2016 | het eerste lid, werd gewijzigd | W 27.04.2016, B.S. 06.05.2016 |
| 16.05.2014 | het eerste lid, werd gewijzigd | W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014 |
| 01.01.1999 | het artikel werd vervangen | W 15.03.1999 |
| 01.01.1971getoond | het artikel werd ingevoegd | W 03.07.1969 |