Artikel 74 van het Belgische Btw-Wetboek · Btw-Wetboek

Naar de tekst
Juriel

74 01.02.1987 - 31.12.1992 het artikel werd gewijzigd W 04.08.1986

Zoeken
Niet meer van kracht

Artikel 74 van het Belgische Btw-WetboekDeze versie is vervangen. De geldende tekst staat op de pagina van het artikel.

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-74/versie-1987-02-01

Artikel
74
Periode
01.02.1987 - 31.12.1992
Wijziging
het artikel werd gewijzigd
Bron
W 04.08.1986

Tekst

5 paragrafen 0 punten van kracht van 01.02.1987 tot 31.12.1992

§ 1

De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie.

§ 2

Het openbaar ministerie kan echter geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29 , tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

§ 3

Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, moet hij, indien hij een vervolging wil instellen wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, het advies van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vragen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies ; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.

§ 4

Indien vóór het sluiten van de debatten voor een strafrechter, bij een andere gerechtelijke overheid een geschil aanhangig wordt gemaakt over de toepassing van een bepaling van dit Wetboek of van een ter uitvoering ervan genomen besluit, moet de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, indien de oplossing van het geschil hem van die aard schijnt te zijn dat ze een invloed kan hebben op de strafvordering, de uitspraak over de tenlasteleggingen of over één ervan uitstellen totdat aan het geschil een einde is gemaakt door een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Tijdens dat uitstel is de verjaring van de strafvordering geschorst.

§ 5

lid 1In het geval bedoeld in § 3, wordt de verjaring van de strafvordering geschorst tussen de datum van het verzoek om advies en die waarop de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen dit advies uitbrengt.

lid 2Deze schorsing mag niet langer duren dan 4 maanden.

Opeenvolgende versies

6 versies eerste op 01.02.1987
Van krachtWijzigingBron
01.01.2020van kracht§ 2, eerste lid, werd gewijzigd; § 2, tweede lid, werd vervangen en § 3, eerste lid, werd gewijzigdW 05.05.2019, B.S. 24.05.2019
16.05.2016§ 3, eerste lid, werd gewijzigdW 27.04.2016, B.S. 06.05.2016
01.11.2012§§ 2 en 3, werd vervangenW 20.09.2012, B.S. 22.10.2012
06.04.1999§ 4, werd opgehevenW 15.03.1999
01.01.1993§ 5, werd opgehevenW 28.12.1992
01.02.1987getoondhet artikel werd gewijzigdW 04.08.1986