Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 12.04.2007 (C.05.0489.F)
Wetten op de rijkscomptabiliteit - Rechtsvordering tot betaling van de schuldvorderingen op de Staat - Burgerlijke zaken - Bepaling van openbare orde
Wettelijke bepalingen
Art. 100, Koninklijk besluit 17-07-1991 coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit
Artt. 1044 en 1045, Gerechtelijk Wetboek
Art. 149, Grondwet.
Samenvatting
Artikel 100, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit dat de verjaringstermijn vaststelt van de rechtsvorderingen tot betaling van de schuldvorderingen op de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, regelt de wezenlijke belangen van die overheidsinstanties en raakt derhalve de openbare orde.
De berusting in een beslissing die gegrond is op een bepaling van openbare orde is nietig.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 12.04.2007
(C.05.0489.F)
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, Mr. P.G., advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
B., naamloze vennootschap, Mr. L.D.G., advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert een middel aan:
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zoals die bepaling van toepassing is op het geschil;
- de artikelen 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen
Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk omdat hij in die beslissing heeft berust. Het verantwoordt de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep als volgt:
"De (verweerster) betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep op grond dat (de eiser) in het bestreden vonnis heeft berust.
De (verweerster) leidt de berusting van (de eiser) in het bestreden vonnis af uit de volgende gegevens:
- op 14 december 1999 verzochten de raadslieden van (de eiser) om een verlenging van de termijn teneinde de administratie in staat te stellen op passende wijze te reageren en zij preciseerden: ¿ik maak u er attent op dat de administratie geen hoger beroep wenst aan te tekenen tegen de beslissing zodat het bedrag van de veroordeling wordt gevoegd bij de eerstkomende betalingen' ;
- op 16 december 1999 antwoordde de raadsman van (de verweerster) het volgende: ¿ik veronderstel dat ik de informatie die u me geeft en volgens welke de administratie geen hoger beroep wenst aan te tekenen tegen de beslissing als officieel mag beschouwen, zodat het bedrag van de veroordeling gevoegd wordt bij de eerstkomende betalingen. Ik breng mijn cliënte hiervan op de hoogte en schort elke procedure van betekening en tenuitvoerlegging op'. Die mededeling heeft geen reactie uitgelokt bij de raadslieden van (de eiser) voor de op 15 mei gedane aankondiging van dit hoger beroep. Hoewel op het eerste gezicht uit die brieven niet met zekerheid kan worden afgeleid dat (de eiser) in het beroepen vonnis heeft berust, leidt het hof [van beroep] uit het feit dat (de eiser) zich beroept op de weigering van het visum door het Rekenhof - welke weigering (de eiser) niet overlegt - af dat (de eiser) dat rechtscollege wel degelijk heeft verzocht om zijn visum te verlenen voor de betaalbaarstelling van het bedrag, in hoofdsom en interesten, waartoe hij door de eerste rechter werd veroordeeld. Laatstgenoemd gegeven, tezamen met de twee vorige, draagt ertoe bij met zekerheid vast te stellen dat (de eiser) in het beroepen vonnis heeft berust. (De eiser) betoogt dat hij in het beroepen vonnis niet kan hebben berust aangezien het Rekenhof weigert het bedrag van de veroordeling betaalbaar te stellen. Dat standpunt kan niet worden aangenomen, aangezien, enerzijds, voornoemde brieven de berusting geenszins onderwerpen aan een visum van het Rekenhof en aangezien anderzijds, het weliswaar aan het Rekenhof staat zijn visum te verlenen voor de betalingsopdrachten van het algemeen bestuur en van eenieder die rekenplichtig is aan de Staatskas, maar de wettelijke bevoegdheden van dat hoge rechtscollege gevolgen hebben die geenszins afbreuk doen aan de burgerlijke rechten die definitief zijn verleend aan de schuldeisers van de door dat rechtscollege gecontroleerde overheidsinstanties, hetzij te dezen de rechten die de (verweerster) bezit op grond van het vonnis van 8 oktober 1999. De weigering van het Rekenhof is immers een administratieve rechtshandeling die tussen het Rekenhof en het departement dat het bevel tot betaling heeft opgemaakt, een louter administratief geschil doet ontstaan waar de begunstigde van het bevel tot betaling volledig buiten staat".
Grieven
Eerste onderdeel
Na te hebben aangevoerd dat de eerste rechter ten onrechte had geoordeeld dat de eiser afstand had gedaan van de vijfjarige verjaring, bedoeld in artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, betoogde de eiser in zijn conclusie dat de berusting die de verweerster had opgeworpen tegen het hoger beroep "hoe dan ook toch ongeldig zou zijn, aangezien de betaalbaarstelling die daardoor mogelijk werd, in strijd is met bepalingen van openbare orde". In geen van de hierboven weergegeven redenen en in geen enkele andere reden antwoordt het arrest op dat middel uit de conclusie van de eiser. Het is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
Tweede onderdeel
Enerzijds is de bij artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 ingevoerde vijfjarige verjaring van de rechtsvorderingen tot betaling van de schuldvorderingen op de Staat, de gemeenschappen en gewesten van openbare orde. De overheidsinstanties, waarop de bepaling van toepassing is, kunnen bijgevolg geen afstand doen van het voordeel ervan.
Anderzijds is de berusting, ongeacht of deze uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend is, in een beslissing die gegrond is op een wetsbepaling van openbare orde, nietig en kan hij derhalve in de regel geen beletsel zijn voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Wanneer derhalve, zoals te dezen, een overheid berust in het vonnis dat haar veroordeelt na een verweermiddel te hebben verworpen waarin wordt aangevoerd dat het vorderingsrecht van de schuldeiser vervallen is ten gevolge van de vijfjarige verjaring, bedoeld in artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, heeft die berusting niet alleen tot gevolg dat afstand gedaan wordt van het recht van hoger beroep - dat op zich de openbare orde niet raakt - maar ook een verboden afstand van het voordeel van de verjaring.
Daaruit volgt dat het bestreden arrest, door het hoger beroep van de eiser tegen het op 8 oktober 1999 gewezen vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel niet ontvankelijk te verklaren op grond dat hij in die beslissing had berust, de in de middelen aangegeven artikelen 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek schendt.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Tweede onderdeel
Het arrest stelt vast dat de eiser aan het beroepen vonnis verwijt dat het de exceptie van de vijfjarige verjaring die gegrond is op artikel 100, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, verworpen heeft.
Artikel 100, tweede lid, dat de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen tot betaling van de schuldvorderingen op de Staat, de gemeenschappen en de gewesten vaststelt, regelt de wezenlijke belangen van die overheidsinstanties en raakt derhalve de openbare orde.
De berusting in een beslissing die gegrond is op een bepaling van openbare orde, is nietig.
Door het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat hij in het beroepen vonnis berust heeft, terwijl die berusting, ook al stond deze vast, toch nietig zou zijn, schendt het arrest de in dit onderdeel aangegeven wetsbepalingen.
Het onderdeel is gegrond.
De vernietiging van de beslissing waarbij het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk verklaard wordt, strekt zich uit tot de overige beslissingen van het arrest die er het gevolg van zijn.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Rechtspraak
1België
1Hof van CassatieF.09.0122.N14.01.2011