Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 06.09.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 06.09.2002
Inzake :
NV S.-V. I., met maatschappelijke zetel te …, Ambachtelijke zone …, …, ingeschreven in het HR te Leuven onder nr. …,
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door mr. E., advocaat te …, …;
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor van Leuven, gevestigd te Leuven, Strijdersstraat 66 bus 90,
2. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het controlekantoor Leuven 2, gevestigd te 3000 Leuven, Vaartstraat 4-6,
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door mr. C. loco mr. D. N., advocaat te …, …;
en inzake AR 01/279/A
NV S.-V. I., met maatschappelijke zetel …, …, …, ingeschreven in het HR te Leuven onder nr. …,
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door mr. E., advocaat te …, …;
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
2. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de waarnemend e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Leuven, gevestigd te Leuven, Strijdersstraat 66 bus 90;
3. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het controlekantoor Leuven 2, gevestigd te Leuven, Vaartstraat 4-6;
vertegenwoordigd door mr. C. loco mr. d. N., advocaat te …, …;
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 7 juni 2002 werd behandeld en op tegenspraak in beraad werd genomen.
Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Gezien de gedinginleidende dagvaarding op 30 juni 2000 betekend door het ambt van F. D., gerechtsdeurwaarder met standplaats te Leuven.
Gezien de gedinginleidende dagvaarding op 22 januari 2001 betekend door het ambt van F. D., gerechtsdeurwaarder met standplaats te Leuven.
Gele! op de neergelegde conclusies en stukken.
Gehoord de advocaten van partijen op de openbare zitting van 7 juni 2002.
I. DE FEITEN EN VEROORDELING VAN DE VORDERING
In beide zaken tekende eiseres verzet aan tegen een dwangbevel dat aan haar betekend werd door het BTW-Ontvangkantoor Leuven.
Het dwangbevel van 26 mei 2000 betreft een boete van 783.000 BEF ingevolge art. 70, § 2 BTW-Wetboek en een boete van 100.000 BEF ingevolge art. 70, § 4 BTW-Wetboek.
Het dwangbevel van 12 december 2000 betreft een boete van 2.478.000 BEF ingevolge art. 70, § 2 BTW-Wetboek.
Op 24 mei 2000 werd proces-verbaal opgesteld (dwangbevel 26 mei 2000) door D. M., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en A. V., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de Directe Belastingen, beiden ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en verbonden aan het Controlecentrum Leuven, naar aanleiding van een onderzoek van 27 maart 2000 bij eiseres.
Y. C., aangestelde van eiseres, verklaarde onder meer dat eiseres zich richt tot installateurs van centrale verwarming en sanitair en in mindere mate ook verkoopt aan particulieren. De verkoopruimte is vrij toegankelijk voor particulieren en beroepslui.
Voor alle verkopen wordt per klant een gedetailleerd document opgemaakt. Dit vermeldt onder meer :
- voor beroepsmatige afnemers : naam, adres, individueel klantnummer, desgevallend BTW-nummer;
- voor particulieren : vermelding "factuur P" en een algemeen klantnummer 900000, 900100 & 900200.
Alle voor beroepsmatige afnemers bestemde facturen zijn doorlopend genummerd in één reeks en worden afzonderlijk geboekt.
Alle voor particulieren opgemaakte stukken met vermelding "factuur P" volgen een eigen nummering en worden dagelijks gegroepeerd tot een globaal factuur "dagontvangsten toogverkoop".
Op de "facturen P" ontbreekt vrijwel steeds de naam en het adres van de klanten. Op generlei wijze kan de juiste identiteit van deze klanten vastgesteld worden.
In de periode van 1 juni 1995 tot 31 december 1995 bedragen de .totale verkopen aangerekend door middel van een "factuur P" : 9.417.349 BEF, inclusief BTW.
Het bedrag van de uitgereikte stukken zonder identificatie van de koper is 7.671.278 BEF. De verschuldigde BTW bedraagt 1.305.072 BEF.
Het proces-verbaal vermeldt de volgende overtredingen :
- overtreding art. 60, § 1, tweede lid, en art. 61, § 1 van het BTW-Wetboek : niet voorleggen van de leveringsbons betreffende 1995 die luidens de verklaringen van mevrouw Y. C. werden vernietigd.
Hiervoor wordt de boete vastgesteld op 100.000 BEF.
- overtreding Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW, artikelen 1 en 5, § 1 : niet-uitreiken of het uitreiken van facturen met foutieve of onvolledige vermeldingen.
Hiervoor wordt de boete vastgesteld op 60 % van de op de handelingen verschuldigde belastingen, hetzij 60 % x 1.305.072 = 783.043 BEF, afgerond 783.000 BEF.
Op 13 oktober 2000 werd proces-verbaal opgesteld door dezelfde personen. Dit proces-verbaal werd eveneens opgesteld naar aanleiding van het bezoek van 27 maart 2000. Dit proces-verbaal bevat dezelfde vaststellingen als het proces-verbaal van 24 mei 2000. In dit proces-verbaal worden de verkopen voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1999 onderzocht.
In de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1996 bedragen de totale verkopen (bedoeld wordt verkopen aangerekend door middel van een "factuur P") 14.705.217 BEF (inclusief BTW). Het bedrag van de in 1996 uitgereikte stukken zonder identificatie van de koper is 6.132.383 BEF.
In de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1997 bedragen de totale verkopen aangerekend door middel van een "factuur P" 14.969.655 BEF (inclusief BTW). Het bedrag van de in 1997 uitgereikte stukken zonder identificatie van de koper is 6.555.527 BEF.
In de periode van 1 januari 1998 tot 31 december·1998 bedragen de totale verkopen aangerekend door middel van een "factuur P" 15.837.473 BEF (inclusief BTW). Het bedrag van de in 1998 uitgereikte stukken zonder identificatie van de koper is 6.585.779 BEF.
In de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 1999 bedragen de totale verkopen aangerekend door middel van een "factuur P" 13.434.233 BEF (inclusief BTW). Het bedrag van de in 1999 uitgereikte stukken zonder identificatie van de koper is 4.529.765 BEF.
Het totaal bedrag van de BTW op al deze facturen is 4.130.831 BEF.
Dit proces-verbaal vermeldt overtreding van Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW, artikelen 1 en 5, § 1 : uitreiken van facturen met foutieve of onvolledige vermeldingen. De boete wordt vastgesteld op 60 % de op de handelingen verschuldigde BTW hetzij 4.130.831 x 60 % = 2.478.499 BEF of afgerond 2.478.000 BEF.
Eiseres vordert dat zou worden gezegd voor recht dat de in de dwangbevelen gevorderde sommen niet verschuldigd zijn en de terugbetaling zou bevolen worden van alle sommen die ten onrechte zou zijn ingehouden, te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf de datum van de inhouding.
II. BEOORDELING
1. In principe moet iedere belastingplichtige, met uitzondering van degenen die geen enkel recht op aftrek hebben, aan zijn medecontractant een factuur of een als zodanig geldend stuk uitreiken voor de leveringen en de diensten die hij verricht (Art. 53 BTW-Wetboek, art. 1, § 1 Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992).
Deze belastingplichtige is ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik (art. 1, § 2, eerste lid, KB nr. 1).
Deze ontheffing is niet van toepassing voorde leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven (art. 1, § 2, tweede lid, 8° KB nr. 1)
Verweerster is van oordeel dat eiseres, als grossier of groothandelaar, verplicht is aan iedereen die bij haar goederen komt kopen een factuur uit te reiken.
2. Eiseres betwist dat zij een grossier of groothandelaar zou zijn.
Het standpunt van eiseres, volgens hetwelk een grossier of groothandelaar een bedrijf is dat zijn waren alleen bij grote hoeveelheden verkoopt of enkel aan de detailhandel verkoopt kan niet bijgetreden worden.
Een groothandelaar verliest zijn hoedanigheid van groothandelaar niet omdat hij ook aan particulieren zou verkopen. Uit de verklaring van mevrouw C. blijkt duidelijk dat eiseres een groothandelaar is. Mevrouw C. verklaarde dat eiseres zich richt tot installateurs van centrale verwarming en sanitair en in mindere mate ook verkoopt aan particulieren.
Dit wordt bevestigd door het feit dat de totale omzet van eiseres in die jaren bedroeg :
1996 : 367.797.035 BEF
1997 : 342.741.103 BEF
1998 : 368.421.650 BEF
1999 : 347.012.079 BEF
De verkoop aan particulieren is maar een fractie (nog geen 5 %) van de totale omzet zodat eiseres, wiens activiteit hoofdzakelijk bestaat in die van een groothandel, als een groothandelaar dient beschouwd te worden.
3. Art. 1, § 2, tweede lid, 8° van het Koninklijk Besluit nr. 1 is duidelijk. Een grossiersbedrijf kan niet genieten van de ontheffing een factuur uit te reiken wanneer het goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. Eiseres diende voor elke levering een factuur uit te reiken, of zij nu aan een particulier verkocht of niet.
4. Ondanks deze duidelijke wettelijke bepaling staat de Administratie evenwel een afwijking toe voor zover de onderneming bestaat uit twee bedrijfsafdelingen in de zin van artikel 11 van het BTW-Wetboek en de ondernemer binnen zijn onderneming doch onafhankelijk van elkaar zowel een “groothandel" als een "kleinhandel" uitbaat die, vanuit technisch oogpunt, beide in staat zijn door eigen middelen te functioneren. In dat geval mag de handelaar gebruik maken van de ontheffing van de factureringsplicht voor zijn leveringen aan particulieren, op voorwaarde dat hij voor iedere handeling waarvoor hij gebruik maakt van deze ontheffing, in zijnen hoofde kan aantonen dat hij effectief als kleinhandelaar heeft gehandeld ten overstaan van een fysieke persoon handelend voor zijn privé-gebruik, daarbij rekening houdend met de aard van de geleverde goederen, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden en de toegepaste prijzen (ParI. vr. nr. 232, 08/04/1997, senator Vandenberghe, Vr. en Antw., Senaat, G.Z. 1997-1998, nr. 1-58, blz. 2956-2958).
Uit het proces-verbaal, de gedane vaststellingen en de verklaring van mevrouw C., blijkt dat er geen specifieke inrichting bestaat voor verkopen in het klein. De onderneming bestaat niet uit twee bedrijfsafdelingen, eiseres baat niet onafhankelijk van elkaar een groothandel en een kleinhandel uit. De winkelinrichting en ontvangst van de klanten is voor alle verkopen, groothandel of kleinhandel, hetzelfde en gebeurt op dezelfde plaats.
Zelfs indien rekening zou gehouden worden met de administratieve toegeving, die duidelijk contra legem is, voldoet eiseres niet aan de voorwaarden ervan.
5. Eiseres stelt dat art. 1, § 2, tweede lid, 8° van het KB nr. 1 onwettig is en bij toepassing van art. 159 Grondwet door de rechtbank niet kan worden toegepast.
Eiseres geeft nergens aan welke wet zou geschonden zijn zodat haar stelling niet kan aanvaard worden.
6. Eiseres is van oordeel dat de artikelen 22.3 a), 22.8 en 27 van de Zesde EEG-richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 geschonden worden door de Belgische wetgeving. Zij stelt voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof voor Justitie.
Art. 22.3 a) van de Zesde EEG-richtlijn bepaalt dat iedere belastingplichtige een factuur moet uitreiken voor leveringen aan een andere belastingplichtige.
Art. 22.8 Zesde·EEG-richtlijn bepaalt echter dat de Lid-Staten andere verplichtingen kunnen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude.
Het feit dat de Zesde EEG-richtlijn de gevallen beschrijft waarin een factureringsverplichting bestaat, sluit niet uit dat de Belgische wetgever de verplichting kan opleggen in andere gevallen een factuur uit te schrijven, en niet name voor de facturering aan privé-personen (Voorstel door de Commissie ingediend voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vereenvoudiging, modernisering en harmonisering van de ter zake van de facturering geldende voorwaarden op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, COM (2000) 650, randnummers 2.1. en 3.1.1. Publicatieblad Nr. C 096 E van 27/03/2001 blz. 0145 - 0147 http://europa.eu.int/eur-Iex/nl/com/pdf/2000/nl_500PC0650.pdf )
Hiervoor is geen machtiging vereist zoals bepaald in art. 27, eerste lid, Zesde EEG-richtlijn (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 14 juli 1988, Gevoegde zaken C-123/87 en C-330/87, Jurisprudentie 1988 blz. 04517, randnummer 15).
De Lid-Staten kunnen deze bijkomende verplichtingen, slechts opleggen ten einde de juiste inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren (art. 22.8 Zesde EEG-richtlijn; Hof van Justitie 14 juli 1988).
Het staat aan de nationale rechter te oordelen of de door de Belgische regeling opgelegde verplichtingen aan deze criteria voldoen (Hof van Justitie 14 juli 1988). Er dient dan ook geen prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Hof van Justitie.
7. De factureringsverplichting voor de groothandelaars wordt, onder meer, opgelegd om de juiste inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren. Het feit dat het ook de bedoeling is fraude op het vlak van de inkomstenbelastingen te vermijden doet hieraan geen afbreuk.
De bedoeling is te vermijden dat een belastingplichtige voor goederen, geleverd aan en voor diensten, verricht voor een andere belastingplichtige, geen factuur of een als zodanig dienst doend document zou uitreiken en aldus inbreuken op art. 22, eerste lid, 3, a) Zesde EEG-richtlijn te voorkomen.
8. Eiseres is van oordeel dat de factureringsverplichting in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De factureringsverplichting voor privé-personen is niet onredelijk of overdreven in verhouding tot het beoogde doel. Het vragen van de identiteit van de koper en het opmaken van een factuur is met de moderne technologie geen overdreven inspanning voor een groothandelaar die, voor het overgrote deel van zijn verkopen, toch verplicht is facturen op te maken en daartoe uitgerust is.
De wetgever is er redelijkerwijs van kunnen uitgaan dat de kans dat een belastingplichtige voor goederen, geleverd aan en voor diensten, verricht voor een andere belastingplichtige, geen factuur of een als zodanig dienst doend document zou uitreiken groter is bij een groothandelaar, wanneer die geen facturen aan particulieren moet uitreiken, dan in een grootwarenhuis.
De verplichting voor een groothandelaar om altijd een factuur uit te reiken, ook wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik, is een pertinente maatregel die evenredig is met het doel te vermijden dat een belastingplichtige voor goederen, geleverd aan en voor diensten, verricht voor een andere belastingplichtige, geen factuur of een als zodanig dienst doend document zou uitreiken en aldus inbreuken op art. 22, eerste lid, 3, a) Zesde EEG-richtlijn te voorkomen.
9. Verweerster weerlegt niet dat de Administratie in het verleden aan eiseres nooit eerder enige factureringsverplichting heeft opgelegd voor verkopen aan particulieren.
Volgens het oude KB nr. 1 van 1970 (art. 8, lid 2, 5°) gold de factureringsverplichting bij de levering aan particulieren voor groothandelaars "die niet bijzonder ingericht waren voor de verkoop in het klein".
In het nieuwe art. 1, § 2, tweede lid, 8° van het KB nr. 1, zoals van toepassing vanaf 1 januari 1993, werden deze woorden "die niet bijzonder ingericht waren voor de verkoop in het klein" weggelaten.
Volgens verweerster is dit niet te bestempelen als een echte vernieuwing, maar eerder als een verduidelijking die zich om loutere redenen van duidelijkheid en van praktische aard opdrong (aanvullende conclusie verweerster blz. 9, vierde alinea).
Anderzijds stelt verweerster dat er in de loop der jaren een verstrenging van de voor grossiers geldende regels heeft plaatsgevonden in het KB nr. 1 (conclusie verweerster blz. 9, derde alinea) en dat groothandelaars altijd, zelfs indien zij speciaal uitgerust zijn voor de verkoop in het klein, factureringsplichtig zijn voor de leveringen die zij verrichten (conclusie verweerster blz. 7, vijfde alinea).
Naar aanleiding van een mondelinge vraag van senator VANDENBERG van 10 juli 1996 antwoordde de Minister van Financiën dat groothandelaars altijd een factuur moeten uitreiken, van enige uitzondering is geen sprake (Vr. en antw., Senaat, 1995-1996, nr. 1-57, 19 juli 1996, blz. 770).
Anderzijds verklaarde de Minister dat de Administratie een afwijking toestaat voor zover de onderneming bestaat uit twee bedrijfsafdelingen in de zin van artikel 11 van het BTW-Wetboek en de ondernemer binnen zijn onderneming doch onafhankelijk van elkaar zowel een "groothandel" als een "kleinhandel" uitbaat die, vanuit technisch oogpunt, beide in staat zijn door eigen middelen te functioneren. (ParI. vr. nr. 232, 08/04/1997, senator Vandenberghe, Vr. en Antw., Senaat, G.Z. 1997-1998, nr. 1-58, blz. 2956-2958).
Deze standpunten van het Ministerie van Financiën zijn vrij verwarrend en inconsequent. In die omstandigheden wordt het voor de belastingplichtige wel moeilijk nog juist te weten welke zijn verplichtingen zijn.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken, en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter toelaten na te gaan of ge straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang (Cass., 24 januari 2002, www.cass.be ).
De rechtbank is van oordeel dat de aan eiseres opgelegde boete een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM. De sanctie is, gelet op de tegenstrijdige standpunten door het Ministerie van Financiën ingenomen en de rechtsonzekerheid die hieruit voor de belastingplichtige voortvloeit, onevenredig met de ernst van de gepleegde inbreuk.
Voor de overtreding van de artikelen 1 en 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 gedurende de periode van 1 juni 1995 tot 31 december 1999 is een boete van 12.500,00 euro, vermeerderd met de moratoire intrest vanaf 12 december 2000 aangepast aan de ernst van de gepleegde inbreuk.
Er worden door eiseres geen argumenten aangehaald waarom de boete van 100.000 BEF voor de overtreding van art. 60, § 1, tweede lid, en art. 61, § 1 BTW-Wetboek zou moeten verminderd worden. Deze boete kan gehandhaafd worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg.
Voegt de zaken gekend onder AR 01/279/A en AR 00/1537/A samen.
Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate.
Vermindert de in de bestreden dwangbevelen opgelegde geldboetes van 2.478.000 BEF en 783.000 BEF tot één geldboete van TWAALFDUIZEND VIJFHONDERD EURO (12.500,00 euro) vermeerderd met de moratoire intrest vanaf 12 december 2000.
Veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot terugbetaling van de eventueel uit hoofde van deze dwangbevelen·te veel betaalde sommen, vermeerderd met de wettelijke intresten.
Wijst de vordering voor het overige als ongegrond af.
Veroordeelt eiseres tot één vierde en verweerster tot drie vierde van de kosten.
Begroot de kosten voor eiseres op 105,58 euro (verzet) + 247,2 euro (verzet) + 334,67 euro (rechtsplegingsvergoeding) en voor verweerster op 334,67 euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 06 september 2002, waar zetelden :
de heer L. W., alleenzetelend rechter en
mevrouw D. D. C., adjunct-griffier.
D. D. C. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.