Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 08.11.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 08 NOVEMBER 2007
Algemene rol nummer : 03/1917/A
In de zaak van :
BVBA D. V., met zetel te …, …, ingeschreven in het HR te Dendermonde onder nr. ….
eiseres,
voor wie optreedt meester F. V., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der directe belastingen Gent (Taxatie), met kantoren te 9050 Gent-Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6/604,
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4/2,
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4/5,
verweerder,
voor wie optreedt meester E. V. A., advocaat te …, …,
Vonnist de rechtbank als volgt :
I. RECHTSPLEGING
Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 3.10.2007, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder de geding inleidende dagvaarding d.d. 30.4.2003, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals de respectievelijke dossiers.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres zoals uiteindelijk gesteld in conclusies strekt ertoe :
“…
het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;
dienvolgens het dwangbevel, reg. 127/214-201, uitgevaardigd op 13.12.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.12.2001 en de beslissing dd.3.2.2003 van de heer J. V., e.a. inspecteur van de Ondernemings- en de Inkomstenfiscaliteit, Controlecentrum Sint-Niklaas, van nul en generlei waarde te horen verklaren.
Teruggave te horen bevelen van de bedragen die door concluante ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding.
Verweerder te horen veroordelen tot de kosten ..."
3. FEITEN
1. Eiseres baat een drankenhandel uit.
Bij overeenkomst d.d. 1.4.1994 verleende de NV B. D. H., eigenaar van gebouwen die als café worden uitgebaat, een exclusief leveringsrecht aan eiseres.
Als vergoeding werd hiervoor de betaling van een leveringsrecht bedongen van 13 % van de op de verkoop van de dranken gerealiseerde omzet met een maximum van 5.000.000 frank.
De overeenkomst stelt tevens dat herstellingen en investeringen door eiseres in de bedoelde uitbatingen "in mindering mogen worden gebracht van het verschuldigde leveringsrecht. Indien deze herstellingen of investeringen echter méér zouden bedragen dan het verschuldigde leveringsrecht, zal het bedrag der kosten en/of investeringen boven de 5.000.000 frank in mindering gebracht worden van de leveringsrechten van het daaropvolgende jaar. Deze regeling kan echter nooit aanleiding geven tot het terugbetalen van de kosten door NV B. D. H." ( stuk 2 eiseres).
In 1997, 1998 en 1999 betaalde eiseres ingevolge de overeenkomst aan de NV B. D. H. jaarlijks een bedrag van 5.000.000 frank aan leveringsrechten.
Daarnaast werden er kosten voor investerings- en herstellingswerken ten laste genomen voor een totaal van 13.777.425 frank.
2. Bij controle van de boekhouding over de periode van 1.1.1997 tot 31.12.1999 wordt aan eiseres bij brief d.d. 3.5.2001 een correctieopgave gestuurd.
De BTW administratie oordeelde dat m.b.t. de investerings- en herstellingswerken eiseres als commissionair diende te worden aangemerkt. Eiseres zou gehouden zijn facturen uit te reiken aan de NV B. D. H. voor de door haar verstrekte diensten, zijnde de tussenkomst bij de uitvoering van de werken aan de onroerende goederen van de NV B. D. H..
3. Eiseres kan hiermee niet instemmen.
Volgens eiseres betreft het zuivere verkoopkosten die kaderen in de commercialisering van haar producten. Met de klanten zou zij overeen komen om hun drankgelegenheid te onderhouden en te herstellen om aldaar te kunnen leveren.
4. Bij aangetekend schrijven d.d. 16.7.2001 verzoekt de administratie eiseres om voor alle handelingen vanaf 1.1.1997 waarvoor onroerend werk werd uitgevoerd een factuur uit te reiken aan de NV B. D. H. met de vermelding "BTW te voldoen door de medecontractant" in toepassing van art. 51, § 4 W.BTW en art. 20 KB nr.1.
Eiseres kan hiermee niet instemmen.
5. Op 11.12.2001 wordt aan eiseres kennis gegeven van het proces verbaal d.d. 11.12.2001 waarbij een bedrag wordt nagevorderd van :
BTW : 71.722,14 EUR (2.893.264 frank)
Boete : 14.328,25 EUR (578.000 frank)
Intresten vanaf 21.1.2000.
De nagevorderde BTW betrof de BTW op de kwestieuze investerings- en herstellingskosten die eiseres weigerde door te factureren.
Overeenkomstig art. 51bis, § 1, 1° W.BTW is de belastingplichtige hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij nalaat de facturen, welke hij overeenkomstig art. 53, 2° van het voornoemd wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten moet uitreiken, niet heeft uitgereikt.
6. Gelet op de niet betaling wordt op 13.12.2001 een dwangbevel uitgevaardigd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.12.2001 en bij aangetekend schrijven d.d. 14.12.2001 aan eiseres ter kennis gebracht.
Eiseres tekende willig beroep aan.
Bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 8.2.2002 werd het dwangbevel een tweede maal aan eiseres ter kennis gebracht.
7. Bij dagvaarding d.d. 30.4.2003 tekent eiseres verzet aan tegen het dwangbevel.
Eiseres laat gelden dat zij geen commissionair is, doch de herstellingen voor eigen rekening liet uitvoeren. Eiseres voert aan dat dit ook het standpunt was van de administratie der directe belastingen.
4. BESPREKING
1. Uit het contract blijkt dat eiseres een leveringsmonopolie krijgt bij de door de NV B. D. H. aangeduide uitbatingen.
Het contract voorziet voor de betaling in twee modaliteiten nl. de betaling in geld en de betaling door middel van het in mindering brengen van de door eiseres verrichte kosten van investering en herstelling aan deze uitbatingen.
2. De tweede modaliteit van betaling houdt in dat eiseres gerechtigd is om voor de verkrijging van de leveringsrechten een weder prestatie te leveren in de vorm van investerings- en herstellingswerken aan de uitbatingen waarvan de NV B. D. H. eigenaar of verhuurder is.
In de mate dat eiseres dit doet treedt zij op als commissionair van diensten aangezien de werken via haar tussenkomst door derden worden geleverd aan de NV B. D. H..
Vermits uit het contract blijkt dat eiseres de mogelijkheid heeft de kostprijs van deze werken te verrekenen met de door haar verschuldigde leveringsrechten worden deze diensten gepresteerd onder bezwarende titel en dienden deze prestaties het voorwerp uit te maken van facturatie aan de NV B. D. H., ongeacht of de verrekening werkelijk plaatsvond.
3. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte abstractie maakt van de wijze van taxatie inzake directe belastingen nu de administratie der directe belastingen de aftrek als beroepskost aanvaardt van de kwestieuze herstellings- en investeringskosten.
De rechtbank stelt vast dat ook inzake BTW de aftrek wordt aanvaard. Verweerder betwist niet dat de gedane kosten kaderen in de uitoefening van de economische activiteit van eiseres.
Terecht laat verweerder gelden dat onderhavige vordering inzake BTW geen verworpen aftrek betreft, doch de aanrekening van BTW betreft op de door eiseres geleverde investerings- en herstellingswerken waarvoor zij weigert een factuur op te maken met toepassing van art. 20 van KB nr. 1 (BTW te betalen door de medecontractant).
4. Tevergeefs argumenteert eiseres dat de werken eiseres ten goede komen omdat geen compensatie plaats vond.
De omstandigheid dat eiseres de leveringsrechten voldoet zonder gebruik te maken van de mogelijkheid tot compensatie heeft enkel tot gevolg dat zij haar recht tot compensatie overdraagt naar volgende jaren.
Bovendien kan eiseres niet inroepen dat het contract zou opgeheven zijn, vermits ze op basis van het contract investerings- en herstellingswerken verricht aan de in het contract bedoelde uitbatingen, waarvan ze noch eigenaar, noch verhuurder is.
5. Vermits eiseres nagelaten heeft om met betrekking tot de investerings- en herstellingswerken overeenkomstig art. 53, 2° W.BTW een factuur uit te reiken en daardoor de medecontractant verhinderde om de belasting te voldoen aan de Schatkist is eiseres overeenkomstig art. 51 bis, § 1, 1° W.BTW hoofdelijk gehouden tot voldoening van de verschuldigde belasting.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;
Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond;
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :
aan de zijde van eiseres :
- dagvaardingskosten : 160,87 EUR
- rechtsplegingsvergoeding : 371,84 EUR
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : 371,84 EUR
Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 08 november 2007, waar aanwezig waren :
J. D. B., alleenzetelend rechter,
M. V., griffier.
M. V. J. D. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.