Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.02.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien februari tweeduizend en drie in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : AR nr. 01/1620/A
’T P. BVBA, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester V. D. en meester Ph. V., advocaten, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Belastingen over de toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23.
verwerende partij,
verschijnende bij meester S. B. loco meester L. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder B. M. te … op 1 maart 2001.
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 22 maart 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter uitvoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 januari 2003.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/2306, uitgevaardigd op 16 februari 2000 te vernietigen, dienvolgens de teruggaaf te bevelen van de op verzoek van de administratie betaalde sommen, meer de intresten en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Eiseres was toe 30 juni 1996 geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van uitbater taverne-restaurant en vanaf 1 juli 1996 werd de activiteit gewijzigd in verhuur van taverne-materialen en verhuur van taverne-lokalen.
Tot 30 juni 1996 baatte eiseres een taverne-restaurant uit in een onroerend goed dat door haar gehuurd werd van de NV D..
In 1993 en 1994 heeft eiseres inrichtings- en verfraaiingswerken laten uitvoeren aan dit gehuurd onroerend goed; eiseres heeft de haar hierover aangerekende BTW volledig in aftrek gebracht.
Op 30 juni 1996 werd het huurcontract tussen de NV D. en eiseres stopgezet.
Bij notariële akte van 27 juni 1996 werd tussen de NV D., de eigenaar-verhuurder, en de NV S., de huurder, een huurovereenkomst gesloten betreffende voornoemd onroerend goed voor een termijn van twaalf achtereenvolgende jaren, aanvang nemende op 1 juli 1996.
De NV S. heeft het onroerend goed aanvankelijk onderverhuurd aan de BVBA H. en later aan de BVBA H..
Bij overeenkomst van 27 juni 1996 heeft eiseres het handelsfonds, met toepassing van BTW, verhuurd aan de BVBA H., aanvang nemende op 1 juli 1996; aan de BVBA H. werd een koopoptie verleend tot verwerven van het handelsfonds op het einde van deze huurovereenkomst.
Bij overeenkomst van 31 juli 1998 heeft eiseres het handelsfonds, met toepassing van BTW, verhuurd aan de BVBA H., aanvang nemende op 1 augustus 1998; aan de BVBA H. werd een koopoptie verleend tot verwerven van het handelsfonds op het einde van deze huurovereenkomst.
Volgens de administratie diende op het ogenblik van stopzetting van de huurovereenkomst tussen de NV D. en eiseres, zijnde op 30 juni 1996, de herziening te worden verricht ten aanzien van de BTW, geheven van in 1993 en 1994 uitgevoerde onroerende werken aan het gebouw en die door eiseres in aftrek werd gebracht.
De administratie heeft hiervoor op 19 november 1999 een proces-verbaal opgemaakt en op 16 februari 2000 een dwangbevel uitgevaardigd.
Beoordeling
Betreffende de bedrijfsmiddelen
Beide partijen bevestigen dat de inrichtings- en verfraaiingswerken, die eiseres als huurster heeft laten uitvoeren,
- niet individualiseerbaar zijn,
- onmiddellijk bij het onroerend goed ingelijfd zijn en er een onafscheidelijk geheel mee vormen omdat zij geen van het onroerend goed onderscheiden individualiteit bezitten,
- niet voor afzonderlijke wegruiming vatbaar zijn,
- geen eigendom kunnen zijn van eiseres en zelfs nooit eigendom van eiseres kunnen geweest zijn.
Volgens eiseres kunnen niet-individualiseerbare inrichtings- en verfraaiingswerken niet worden aangemerkt als bedrijfsmiddelen in hoofde van de huurster zodat deze werken niet aan die vijfjarige herzieningstermijn worden onderworpen.
Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de huur van een onroerend goed geen zakelijk recht verleent zodat artikel 9, lid 2, 2° W.BTW en artikel 6, § 2 KB nr. 3 van 10 december 1969 niet van toepassing zijn.
Krachtens artikel 6, § 1 van voornoemd KB nr. 3 zijn die lichamelijke goederen, andere dan de goederen bedoeld in artikel 9, lid 2, 2° W.BTW, bedrijfsmiddelen wanneer die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen.
Krachtens artikel 7, lid 1 van voornoemd KB nr. 3 is de belasting, voldaan ter zake van de handelingen die strekken of bijdragen tot de totstandkoming, het omvormen of het verbeteren van in artikel 6 bedoelde bedrijfsmiddelen, geheven van bedrijfsmiddelen.
Het door eiseres gehuurde onroerend goed was ontegensprekelijk voor haar bestemd om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrument of exploitatiemiddel zodat de belasting, voldaan ter zake van de handelingen die strekken of bijdragen tot de inrichting en verfraaiing van dit onroerend goed, geheven was van bedrijfsmiddelen in hare hoofde.
Bijgevolg dienen de inrichtings- en verfraaiingswerken, die eiseres liet uitvoeren, als bedrijfsmiddelen te worden aangemerkt in hare hoofde en het doet niet ter zake dat deze werken niet individualiseerbaar zijn en nooit haar eigendom konden geweest zijn.
Betreffende de bestemming
Volgens eiseres is naar aanleiding van haar stopzetting geen enkele wijziging opgetreden in het gebruik van het onroerend goed zodat de bestemming niet veranderd is en er geen grond tot herziening is.
De werken, die eiseres als huurster heeft laten uitvoeren, zijn omvormings- en verbeteringswerken en dienen bijgevolg - zoals hoger vermeld - in hare hoofde als bedrijfsmiddelen te worden aanzien, zodat krachtens artikel 48, § 2 W.BTW en artikel 9 van voornoemd KB nr. 3 de herziening van de aftrek van de BTW principieel mogelijk is.
Krachtens artikel 10, 4° van voornoemd KB nr. 3 moet de aftrek van de BTW worden herzien indien het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan, tenzij wordt aangetoond dat :
- zulks het gevolg is van een levering als bedoeld in het wetboek van BTW,
- het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd,
hetgeen echter te dezen niet wordt aangetoond.
Aangezien eiseres nooit eigenares is geweest van de uitgevoerde werken, staat het onomstotelijk vast dat deze werken - ingevolge het stopzetten van het huurcontract op 30 juni 1996 - hebben opgehouden te bestaan in haar onderneming.
Betreffende de incorporatie van de werken in het handelsfonds
Op 30 juni 1996 werd het huurcontract tussen de NV D. en eiseres opgezet en reeds op 27 juni 1996 werd tussen de NV D. en de NV S. een nieuwe huurovereenkomst gesloten betreffende het onroerend goed, met inbegrip van de ingelijfde werken.
Bijgevolg staat het onomstotelijk vast dat eiseres haar huurrechten niet heeft overgedragen zodat de werken dan ook niet konden geïncorporeerd zijn in het door haar verhuurde handelsfonds.
Betreffende de toepassing van artikel 11 W.BTW
De toepassing van artikel 11 W.BTW dient samen te gaan met de overdracht van de huurrechten op het onroerend goed, wat te dezen niet het geval is.
Eiseres heeft immers haar huurrechten op het onroerend goed, waaraan de werken werden uitgevoerd, niet overgedragen, doch stopgezet.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 167,33 EUR rechtsplegingsvergoeding.
N. D. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.