Werkingssfeer, invoer, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 25 november 2008

Zoeken

Werkingssfeer, invoer, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-invoer-vrijstelling-uitvoer-hof-van-beroep-antwerpen-2008-11-25-ca7d

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
25 november 2008

Procesverloop

2 stappen · 2 jaar 1 maand
  1. Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen25.11.2008
  2. Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België14.01.2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

171 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.11.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, zesde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2007/AR/2621 + 2007/AR/2871

2007/AR/2621

de vennootschap P&O N. LTD, met vennootschapszetel gevestigd te …, …, …, …, aldaar geregistreerd onder het nummer …, met bijzetel te … onder de benaming P&O N. (Belgium), met zetel te …, …, …, en aldaar ingeschreven in de Kruispuntbank van ondernemingen nr. …, woonstkeuze bij Meester L. W., advocaat te …, …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 juni 2007;

vertegenwoordigd door Meester A. M. loco Meester L. W., voornoemd;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;

en in zake :

2007/AR/2871

de vennootschap naar Duits recht VIP Gmbh VRUCHTEN I. AND P., met zetel te …, …;

appelIante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 17 oktober 2006;

vertegenwoordigd door Meester J. L., advocaat te … (…), …

tegen :

1. de vennootschap P&O N. LTD, met vennootschapszetel gevestigd te …, …, …, …, aldaar geregistreerd onder het nummer …, met bijzetel te Antwerpen onder de benaming P&O N. (Belgium), met zetel te …, …, …, en aldaar ingeschreven in de Kruispuntbank van ondernemingen nr. …, woonstkeuze bij Meester L. W., advocaat te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. M., in eigen naam, en loco Meester L. W., voornoemd;

2. BVBA M. – D. K., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, H.R. te Antwerpen nr. …, en met ondernemingsnummer …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester E. G. en Meester J. G., advocaten te …, …;

• 2007/AR/2621

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 juni 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 19 september 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

• 2007/AR/2871

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 17 oktober 2006, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24 oktober 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het incidenteel beroep van P&O N. Ltd., ingesteld bij conclusie, neergelegd ter griffie van het hof van Beroep van Antwerpen op 13 februari 2008.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. De feiten

Zes containers met walnoten, niet-communautaire, goederen werden te Antwerpen aangevoerd met het mis P&O N. Sydney en opgeslagen op een containerterminal, en dit bij toepassing van artikel 40 Communautair Douanewetboek (hierna C.D.W.).

Voor deze goederen diende P&O N. Ltd. (hierna P&O) als scheepsagent op 15 november 2002 een als summiere aangifte geldende vrachtlijst 126E met nummer … in bij de daartoe bevoegde douane autoriteiten te Antwerpen en liet deze lijst valideren. Er wordt niet betwist dat deze goederen aldus overeenkomstig artikel 50 C.D.W. de status verkregen van goederen in tijdelijke opslag, met als gevolg dat binnen een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de indiening van de summiere aangifte, de formaliteiten dienden te worden vervuld om aan deze goederen een douanebestemming te geven.

Deze goederen werden op instructie van VIP GmbH V. I. and P. (hierna VIP) vanuit de containerterminal vervoerd naar haar magazijnen in Duitsland, zonder dat de als summiere aangifte geldende vrachtlijst werd aangezuiverd en derhalve zonder dat de goederen een douanebestemming hadden gekregen. Er bestaat geen discussie over het feit dat aldus overeenkomstig artikel 203.1 C.D.W. een douaneschuld bij invoer was ontstaan, vermits de goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken.

VIP stelt dat ze bij brief van 13 november 2002 aan BVBA M. & D. K. (hierna M. & D. K.), die sinds 1999 met VIP samenwerkte voor de inklaring van containers, instructie had gegeven om voormelde douaneformaliteiten te vervullen, hetgeen door deze laatste wordt betwist. M. & D. K. stelt dat ze volledig vreemd is aan de onttrekking van de zes containers walnoten aan het douanetoezicht.

In februari 2003 werd P&O door de administratie der douane en accijnzen verzocht tot regularisering over te gaan en een zuiveringsdocument te bezorgen. P&O ontving op 17 maart 2003 van de administratie een ingebrekestelling tot betaling van een bedrag van … EUR.

Op 4 februari 2004 diende M. & D. K., naar eigen zeggen in opdracht en voor rekening van VIP, een regularisatie-aangifte IM0 in. De verschuldigde invoerrechten ten bedrage van … EUR en de boete ten bedrage van … EUR werden door M. & D. K. betaald via het weekkrediet van VIP.

Ingevolge de onttrekking aan het douanetoezicht ontstond eveneens de BTW-schuld bij invoer (artikel 3 juncto artikel 23, § 4,1° W.BTW). De negende BTW-controle te Antwerpen stuurde op 12 april 2005 een correctieopgave naar P&O, met de melding dat deze laatste verschuldigd was :

- … EUR aan BTW

- … EUR als boete

- interesten aan 0,8 % per maand vanaf 30 december 2002.

Volgens de administratie was P&O overeenkomstig artikel 8 K.B. nr.7 als aangever en als persoon die gehouden is tot voldoening van de invoerrechten hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van de BTW bij invoer.

P&O betaalde volgens de administratie op 22 juni 2005 een bedrag van … EUR aan de administratie en maakte ten laste van M. & D. K. op 13 mei 2005 een factuur nr. … op voor een bedrag van … EUR. Deze factuur werd door M. & D. K. geprotesteerd.

M. & D. K. maakte ten laste van VIP op 13 mei 2005 een factuur nr. … op voor een bedrag van … EUR, met name het bedrag dat door P&O van M. & D. K. wordt gevorderd bij dagvaarding voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen. VIP heeft deze factuur geprotesteerd.

1.2. De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen

1.2.1. De vordering

P&O legde op 12 april 2006 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. P&O vorderde de veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van een bedrag van … EUR in hoofdsom, met aanhorigheden als nalatigheidsinteresten en de administratieve boete van … EUR, zoals gevorderd in de correctieopgave, dit alles te vermeerderen met de moratoriuminteresten.

Ondergeschikt vorderde P&O te zeggen voor recht :

- dat P&O de BTW op de invoer in aftrek kan brengen door compensatie met de verschuldigde BTW op deze invoer,

- dat ontheffing wordt verleend van de administratieve boete van … EUR,

- dat vrijstelling wordt verleend van de aangerekende nalatigheidsinteresten.

In elk geval vorderde P&O de veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van de gerechtskosten.

1.2.2. Het vonnis van de eerste rechter

De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 27 juni 2007 dat de invoer van de containers in België plaatsvond (artikel 23, § 4, 1° W.BTW) en dat op deze invoer in België BTW) verschuldigd is.

In artikel 8 van K.B. nr.7 werden, ter uitvoering van artikel 52, lid 2 W.BTW, de personen aangewezen op wiens naam deze BTW mag of moet worden voldaan en wie voor de voldoening ervan aansprakelijk is. Op grond van deze bepaling zijn de geadresseerde en de aangever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de BTW.

Volgens de eerste rechter diende P&O beschouwd te worden als aangever in de zin van deze bepaling, vermits hij de goederen heeft aangegeven voor plaatsing onder regeling van tijdelijke opslag en vermits de goederen aan deze regeling werden onttrokken, als gevolg waarvan de BTW. hier verschuldigd werd.

Vermits P&O niet als geadresseerde kan worden beschouwd heeft ze geen recht op aftrek.

De vordering van P&O werd afgewezen als toelaatbaar, doch ongegrond en P&O werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

1.2.3. Hoger beroep

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 19 september 2007, tekende P&O hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Deze zaak kreeg rolnummer 2007/AR/2621.

P&O vorderde in hoofdorde de veroordeling van de Belgische Staat tot teruggave van de ten onrechte betaalde BTW voor een bedrag van … EUR in hoofdsom, met aanhorigheden als nalatigheidsinteresten en de administratieve boete van … EUR zoals gevorderd werd door de correctieopgave van de negende BTW-controle, dit alles te vermeerderen met de overeenkomstige moratoriuminteresten.

P&O vorderde in ondergeschikte orde te zeggen voor recht :

- dat P&O de BTW op invoer in aftrek kan brengen en de compensatie uit te spreken met de verschuldigde BTW op deze invoer,

- dat ontheffing moet worden verleend voor wat betreft de administratieve boete van … EUR,

- dat vrijstelling moet worden verleend van de aangerekende nalatigheidsinteresten.

P&O vorderde in elk geval de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

1.3. Procedure voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen

1.3.1. De vorderingen

P&O ging bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 3 augustus 2005 over tot dagvaarding van M. & D. K. en VIP voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen en vorderde de veroordeling van M. & D. K. en VIP de ene bij gebreke aan de andere en waarbij de betaling door één van dezer bevrijdend zal zijn voor de andere, tot betaling van een bedrag van … EUR, meer de moratoire interesten aan 10,5 %, minstens de wettelijke en gerechtelijke intresten, alsook tot betaling van een schadevergoeding van … EUR en de kosten van het geding.

M. & D. K. stelde een tegenvordering in en vorderde de veroordeling van P&O tot betaling van de verdedigingskosten, begroot op een provisioneel bedrag van … EUR.

M. & D. K. stelde ondergeschikt een vordering in vrijwaring lastens VIP.

VIP stelde een vordering in vrijwaring lastens M. & D. K. alsook een rechtstreekse vordering, waarbij VIP de veroordeling vorderde van M. & D. K. tot betaling van een saldo van … EUR, meer de wettelijke interesten aan 9,5 % vanaf 19 januari 2006, de gerechtelijke interesten aan hetzelfde percentage vanaf 15 mei 2006, een schadeloosstelling van … EUR en de kosten van het geding.

1.3.2. Het vonnis van de eerste rechter

De eerste rechter oordeelde, wat de hoofdvordering van P&O betreft, vooreerst dat niet betwist wordt dat de goederen aan de regeling tijdelijke opslag werden onttrokken, zodat een BTW-schuld bij invoer was ontstaan.

P&O ging over tot betaling van de BTW-schuld en kan, in haar hoedanigheid van scheepsagent niet beschouwd worden als de partij die finaal gehouden is de BTW-schuld te voldoen. Dit is enkel VIP als geadresseerde, zodat de vordering enkel tegen VIP gegrond is. Dit is zo, ongeacht het feit dat de BTW-administratie op grond van artikel 8 van het K.B. nr.7 een vorderingsrecht heeft ten aanzien van zowel de geadresseerde, de aangever, diens lasthebber, de aangever inzake communautair douanevervoer evenals ieder ander persoon gehouden tot voldoening van de invoerrechten.

De vordering van P&O tegen VIP werd aldus gegrond verklaard voor een bedrag van … EUR, meer de gerechtelijke interesten. De vordering werd afgewezen voor wat betreft de toekenning van moratoire interesten, bij gebreke aan kennis van de datum van betaling en ook de vordering tot toekenning van een schadevergoeding van … EUR werd afgewezen.

Wat de verhouding tussen VIP en M. & D. K. en hun vorderingen betreft, oordeelde de eerste rechter dat deze vordering zonder voorwerp is, vermits enkel VIP als uiteindelijke schuldenaar van de BTW dient te worden beschouwd.

De vordering van M. & D. K. tegen P&O werd afgewezen als ongegrond.

VIP werd veroordeeld tot de kosten van P&O en M. & D. K..

1.3.3. Hoger beroep

VIP legde op 24 oktober 2007 een verzoekschrift neer ter griffie van het hof van beroep. Deze zaak kreeg rolnummer 2007/AR/2871.

VIP vorderde de vernietiging van het bestreden vonnis en vorderde dat de oorspronkelijke vordering van P&O onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard en dat de tussenvordering van M. & D. K. eveneens zou worden afgewezen als zonder voorwerp.

VIP vorderde verder om haar tussenvordering in vrijwaring en op rechtstreekse eis tegen M. & D. K. ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens M. & D. K. te veroordelen tot vrijwaring van VIP voor elke veroordeling die zij zou oplopen in hoofdsom, interesten en kosten ten aanzien van P&O.

P&O stelde incidenteel beroep in en vorderde om haar vordering tegen VIP en M. & D. K. ontvankelijk en gegrond te verklaren. P&O vorderde derhalve de veroordeling in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere en waarbij de betaling door één deze bevrijdend zal zijn voor de andere, van M. & D. K. en VIP tot betaling van een bedrag van … EUR, meer de moratoire interesten aan 10,5 %, minstens te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de kosten van het geding.

2. Bespreking

2.1. Samenvoeging

VIP en P&O vorderen de samenvoeging van de zaken, gekend onder 2007/AR/2871 en 2007/AR/2621.

Het hof merkt op dat de vorderingen betrekking hebben op dezelfde feitelijke situatie en dat P&O in beide gevallen optreedt als eisende partij. Het lot van de vorderingen in de zaak 2007/AR/2871 wordt grotendeels bepaald door de beoordeling van de vordering in de zaak, gekend onder 2007/AR/2621. Het hof oordeelt dan ook dat het, gelet op een goede rechtsbedeling en teneinde tegenstrijdige oplossingen te vermijden, aangewezen is om beide zaken samen te behandelen en te berechten (artikel 30 Ger.W.).

2.2. De vordering van P&O tegen de Belgische Staat

2.2.1. Standpunt van P&O.

Volgens P&O kan P&O niet beschouwd worden als een persoon die overeenkomstig artikel 8 van K.B. nr.7 hoofdelijk gehouden kan zijn tot betaling van de BTW wegens invoer.

Er bestaat geen discussie over het feit dat de onttrekking aan een regeling van tijdelijke opslag met invoer in België moet worden gelijkgesteld (artikel 23, 2 en 4, 1° W.BTW).

Als belastingplichtige, met name degene die recht heeft op aftrek, is te beschouwen degene die de belastbare handeling stelt, in onderhavig geval dus degene die de goederen invoert door onttrekking.

P&O is niet te beschouwen als de belastingplichtige door het feit dat hij de goederen in België onder tijdelijke opslag heeft geplaatst, vermits de BTW-schuld wegens invoer pas ontstaat op het moment dat het goed aan deze status wordt onttrokken. Vermits deze onttrekking gebeurde door vervoerder NV IDP op instructie van VIP, kunnen alleen zij als belastingplichtigen worden beschouwd.

P&O is evenmin te beschouwen als een persoon die hoofdelijk is gehouden tot voldoening van de belasting in de zin van artikel 8, K.B. nr.7. P&O is niet de geadresseerde en evenmin de aangever inzake BTW, vermits er bij de onttrekking geen aangever is. P&O trad niet op als lasthebber en is geen aangever inzake communautair douanevervoer, vermits hij geen voornemen kenbaar maakte om de goederen onder een bepaalde, in artikel 4.16 C.D.W. limitatief opgesomde douaneregeling te plaatsen.

P&O stelt verder dat ze niet kan beschouwd worden als een persoon die als schuldenaar van de invoerrechten in de zin van artikel 203.3 C.D.W. wordt aangemerkt.

Ondergeschikt meent P&O dat de neutraliteit van het BTW-stelsel wordt geschonden, door haar te verplichten de BTW te voldoen, zonder dat haar de mogelijkheid wordt verschaft om de BTW af te trekken. Er kan immers niet betwist worden dat de goederen in Duitsland aan de BTW zijn onderworpen. Er is derhalve sprake van een intracommunautaire levering aan Duitsland, die aan de leverancier het recht verschaft om de BTW af te trekken.

2.2.2. Standpunt van de administratie

De administratie stelt dat P&O als aangever in de zin van artikel 8 van K.B. nr.7 dient te worden beschouwd als gevolg van het feit dat zij titularis is van een vrachtlijst 126E, waarmee goederen ten invoer worden aangegeven voor de tijdelijke opslag. Artikel 8 van K.B. nr. 7 betreft een uitvoering van artikel 52, § 1 W.BTW en het begrip aangever in artikel 8 van dit K.B. verwijst niet naar het gelijknamige begrip in de douanewetgeving. Het feit dat P&O dient te worden beschouwd als aanbrenger in de zin van de douanewetgeving belet niet dat hij als aangever wordt beschouwd in de zin van artikel 8 van K.B. nr.7. Het feit dat P&O op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 15 september 2005 niet tot voldoening van de invoerrechten kan worden gehouden, belet niet dat zij als hoofdelijke schuldenaar in de zin van artikel 8 van K.B. nr.7 gehouden is tot voldoening van de BTW.

Er is volgens de administratie geen sprake van enige schending van de neutraliteit van het BTW-stelsel. P&O is enkel hoofdelijk gehouden tot voldoening van de BTW bij invoer en is niet te beschouwen als BTW-belastingplichtige. Bovendien zijn er drie belastbare feiten gesteld, een invoer, een intracommunautaire levering en een intracommunautaire verwerving, en het feit dat er Voor wat deze laatste betreft Duitse BTW verschuldigd is, belet niet dat de Belgische BTW bij invoer verschuldigd wordt.

Men kan zich volgens de administratie evenmin beroepen op de vrijstelling van artikel 40, § 1, 1°, d W.BTW, vermits de goederen zonder aangifte aan het stelsel van de tijdelijke opslag werden onttrokken. P&O beschikt trouwens niet over een invoerdocument dat haar als geadresseerde aanwijst.

Voor wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, verschuldigd overeenkomstig de wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober 2007, stelt de administratie dat het basisbedrag … EUR betreft, gelet het bedrag van de vordering van … EUR (tussen 10.000,00 en 20.000,00 EUR).

2.2.3. Beoordeling

Artikel 51, § 1, lid 2 W.BTW delegeert de bevoegdheid om aan te wijzen wie de belastingschuldigen zijn van de BTW bij invoer aan de Koning.

Overeenkomstig artikel 6, § 1 en 2 K.B. nr.7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna K.B. nr.7) moet de BTW bij invoer worden voldaan op naam van de geadresseerde van de ingevoerde goederen, te weten in de regel de verkrijger of overnemer aan wie de goederen worden verzonden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt en, wanneer er geen verkrijger of overnemer is, degene die eigenaar is van de goederen.

Er bestaat geen discussie over het feit dat P&O enkel optrad als scheepsagent en niet als geadresseerde in de zin van artikel 6, § 1 en 2 K.B. nr.7 kan worden beschouwd.

Verder stelt artikel 8 van K.B. nr.7 dat de aangever, diens lasthebber, de aangever inzake communautair douanevervoer, evenals iedere andere persoon, gehouden tot voldoening van de invoerrechten, hoofdelijk gehouden zijn met de geadresseerde tot voldoening van de BTW bij invoer.

De vraag stelt zich derhalve of P&O kan beschouwd worden als één van de personen, bedoeld in artikel 8 van K.B. nr.7.

• Aangever of diens lasthebber

Partijen, met uitzondering van M. & D. K. zijn het erover eens dat het begrip aangever of diens lasthebber in artikel 8 van K.B. nr.8 niet verwijst naar de aangever inzake douane. Het hof sluit zich aan bij het standpunt dat dit begrip uitsluitend dient te worden uitgelegd in de context van de reglementering die de invoer van goederen regelt op het stuk van de BTW.

Invoer inzake BTW vindt plaats op het moment dat goederen op het vlak van de invoerrechten in een lidstaat in het vrije verkeer worden gesteld. Zoals door de administratie terecht wordt opgemerkt is de in artikel 8 van K.B. nr.7 bedoelde aangever de persoon die, in eigen naam of in naam en voor rekening van een derde, een door de (Belgische) BTW-reglementering voorgeschreven aangifte ten invoer doet van goederen, waarvan het binnenbrengen in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 23, § 1 van het Wetboek als een invoer wordt aangemerkt.

Niet-communautaire goederen kunnen, wanneer ze het douanegebied van de Europese Unie worden binnengebracht, onder de regeling van tijdelijke opslag worden geplaatst, in afwachting dat de goederen een douanebestemming krijgen. Voor de aldus bij de douane aangebrachte goederen moet er een summiere aangifte worden gedaan met een vrachtlijst 126E, eventueel aangevuld met een vrachtlijst 126C.

In tegenstelling tot wat de administratie beweert kan de summiere aangifte waarmee de goederen onder tijdelijke opslag worden geplaatst niet worden beschouwd als een aangifte in de zin van de artikelen 1 en 8 van K.B. nr.7. Vast staat immers dat er geen invoer in België plaatsvindt zolang de niet-communautaire goederen zich in België onder een regeling van tijdelijke opslag bevinden (artikel 23, § 4, 1° W.BTW). Het belastbaar feit vindt pas plaats en de belasting wordt opeisbaar op het tijdstip waarop het goed in België aan de regeling van tijdelijke opslag wordt onttrokken (artikel 24, § 1 W.BTW).

Ten onrechte verwijst de administratie naar de brief van de administratie der douane en accijnzen van 4 februari 2003. Hierin wordt gesteld dat de scheepsagent, bij gebrek aan aanzuivering van de vrachtlijst 126E, volgens de douaneautoriteiten zou kunnen worden aangesproken tot betaling van de invoerrechten. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt (arrest van 15 september 2005) dat appellant niet gehouden kan worden tot het voldoen van de invoerrechten.

• de aangever inzake communautair douanevervoer en evenals iedere andere persoon, gehouden tot voldoening van de invoerrechten.

Het staat vast dat er geen aangifte werd gedaan inzake communautair douanevervoer en dat P&O op basis hiervan dan ook niet kan worden aangesproken als hoofdelijke aansprakelijke in de zin van artikel 8 van K.B. nr. 7.

Het is het communautair douanewetboek dat bepaalt wie gehouden is tot voldoening van de invoerrechten (artikel 201 e.v. C.D.W.).

Uit het arrest Unamar van het Europees Hof van Justitie van 15 september 2005 (zaak C-140/04, neergelegd door M. & D. K. als stuk 5) volgt dat degene die de summiere aangifte heeft ingediend, niet als houder van de goederen kan worden beschouwd en derhalve niet als de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen dient na te komen. Partijen zijn het er op grond van deze uitspraak over eens dat de indiener van de summiere aangifte, in onderhavig geval P&O, niet te beschouwen is als een persoon, gehouden tot het voldoen van de invoerrechten in de zin van artikel 8 van K.B. nr.7.

• • Besluit

Vermits P&O niet kan beschouwd worden als geadresseerde in de zin van artikel 6, § 1 en 2 K.B. nr.7 en dus niet als schuldenaar van de BTW en evenmin als een persoon die hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de BTW overeenkomstig artikel 8 van K.B. nr. 7, is P&O terecht van mening dat ze ten onrechte werd aangesproken tot voldoening van de BTW, interesten en boete naar aanleiding van de invoer en dient de Belgische Staat tot terugbetaling daarvan te worden veroordeeld.

2.3. De verhouding tussen P&O enerzijds en VIP en M. & D. K. anderzijds

2.3.1. Argumentatie van partijen

P&O stelde dat zij als scheepsagent de BTW bij invoer niet verschuldigd was en wenste de door haar aan de administratie betaalde bedragen te recupereren, enerzijds van VIP als geadresseerde van de goederen en dus schuldenaar van de BTW, en anderzijds van M. & D. K. die volgens P&O als douane-expediteur instructie had om over te gaan tot inklaring van deze goederen.

VIP argumenteerde dat de vordering van P&O tegen VIP en tegen M. & D. K. zonder voorwerp wordt, wanneer de vordering van P&O tegen de Belgische Staat slaagt. Verder verweet VIP M., & D. K. een nalatigheid, door niet over te gaan tot inklaring van de goederen, ondanks het feit dat hiertoe door VIP opdracht was gegeven.

M. & D. K. stelde eveneens dat P&O niet kon worden beschouwd als een aangever in de zin van artikel 8 van K.B. nr.7. Verder argumenteerde M. & D. K. dat haar geen fout kan worden verweten door niet over te gaan tot inklaring van de goederen, vermits ze daartoe geen instructie had ontvangen vanwege VIP.

2.3.2. Beoordeling

M. & D. K. werpt op dat de vordering van P&O lastens haar onontvankelijk zou zijn, doch vermeldt niet waarom dit zo zou zijn. Er zijn evenmin ambtshalve redenen van onontvankelijkheid op te werpen, zodat de vordering op dit punt dient te worden afgewezen.

Terecht werpen VIP en M. & D. K. op dat de vordering die door P&O tegen hen wordt gesteld zonder voorwerp is geworden, nu de vordering van P&O tegen de Belgische Staat gegrond dient te worden verklaard. Hetzelfde geldt voor de vorderingen in vrijwaring die VIP en M. & D. K. ten opzichte van elkaar stelden.

Gelet op het voorgaande dient niet verder ingegaan te worden op de argumentatie, aangaande de gehoudenheid van VIP tot betaling van de BTW en nopens de aansprakelijkheid van M. & D. K. met betrekking tot de inklaring van de goederen die zich in tijdelijke opslag bevonden.

2.4. Rechtsplegingsvergoeding

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, begroot P&O het basisbedrag op … EUR. Er is volgens haar geen reden waarom BVBA M. & D. K. op een hoger bedrag dan het basisbedrag aanspraak zou kunnen maken (… EUR) en P&O vraagt, ingeval haar vordering tegen M. & D. K. wordt afgewezen, de rechtsplegingsvergoeding voor M. & D. K. te verminderen tot het minimum van … EUR vermits M. & D. K. een gelijklopende argumentatie als die van VIP kan voeren.

M. & D. K. vordert de veroordeling van VIP tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van … EUR en de veroordeling van P&O tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van … EUR, zonder dat er reden is om een verlaging toe te staan.

Vermits het bedrag van de vordering van P&O tegen VIP enerzijds en M. & D. K. anderzijds … EUR bedroeg, dat deze factuur dateert van 13 mei 2005 en P&O tot dagvaarding overging op 3 augustus 2005 en in graad van beroep niet meer aandrong op de veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van … EUR, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … EUR.

Gelet op het feit dat P&O aldus ten onrechte een vordering heeft ingesteld tegen VIP en M. & D. K., dient P&O tot de gerechtskosten van deze twee partijen te worden veroordeeld.

Er is geen reden om aan M. & D. K. een hogere vergoeding dan het basisbedrag toe te kennen. Voor wat M. & D. K. betreft is er zelfs reden om deze vergoeding te verlagen, vermits de argumentatie van M. & D. K. ten aanzien van P&O dezelfde is als die ten aanzien van VIP. Gelet op het kennelijk onredelijk karakter kan de rechtsplegingsvergoeding, door VIP aan M. & D. K. te betalen worden gehalveerd.

Een vordering in vrijwaring is een in geld waardeerbare vordering, zodat ook voor wat de verhouding tussen VIP en M. & D. K. betreft de rechtsplegingsvergoeding kan vastgesteld worden op het basisbedrag van … EUR.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Voegt de zaken, gekend onder 2007/AR/2621 en 2007/AR/2871 samen,

Verklaart het hoger beroep van P&O N. Ltd. tegen de Belgische Staat toelaatbaar en gegrond,

Hervormt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 27 juni 2007 en opnieuw recht doende,

Verklaart de vordering van P&O N. Ltd. tegen de Belgische Staat toelaatbaar en in de volgende mate gegrond,

Veroordeelt de Belgische Staat tot teruggave van de ten onrechte geïnde BTW van … EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten, niet begroot, en meer de administratieve boete van … EUR, te vermeerderen met de moratoriuminteresten, niet begroot,

Verklaart het hoger beroep van VIP GmbH V. I. en P. tegen P&O N. Ltd. en B.V.B.A.M. & D. K. toelaatbaar, en gegrond,

Verklaart het incidenteel beroep van P&O N. Ltd. toelaatbaar doch ongegrond,

Hervormt het vonnis van de rechtbank van koophandel van Antwerpen van 17 oktober 2006 en opnieuw recht doende,

Verklaart de vordering van P&O N. Ltd. tegen VIP GmbH V. I. en P. en tegen BVBA M. & D. K. zonder voorwerp,

Verklaart de vordering in vrijwaring van VIP GmbH V. I. en P. tegen BVBA M. & D. K. zonder voorwerp,

Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van de gerechtskosten in hoofde van P&O N. Ltd. begroot op :

… EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

… EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Veroordeelt P&O N. Ltd. tot betaling van de gerechtskosten,

Aan de zijde van VIP GmbH V. I. en P. begroot op :

… EUR dagvaarding eerste aanleg

… EUR RPV eerste aanleg

… EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

Aan de zijde van BVBA M. & D. K.

… EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

… EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

Veroordeelt VIP GmbH V. I. en P. tot betaling van de gerechtskosten, aan de zijde van BVBA M. & D. K. begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VIJFENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZENDENACHT,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. V. d. B. en

M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. G. M. V. D. B. D. W.

Aangehaalde teksten

5

Vergelijkbare beslissingen

6