Werken in onroerende staat, omvorming woning, nieuwe woning · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 30 juni 2020

Zoeken

Werken in onroerende staat, omvorming woning, nieuwe woning

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-omvorming-hof-van-beroep-gent-2020-06-30-a05b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
30 juni 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

155 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 30.06.2020

WF 708-15-17/042238

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde - werken in onroerende staat - omvorming woning - nieuwe woning - verminderd btw-tarief - onwettigheid proces-verbaal - proportionele btw geldboete

Wettelijke bepalingen

Art. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970

Tabel A, rubriek XXXI, §1, van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970

Art. 70, § 1 WBTW

Art. 1, lid 1, KB nr. 41 van 21 oktober 1993

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Appellanten kochten een woning aan op een openbare verkoop met de bedoeling om het pand te verbouwen. In dat kader dienden zij bij het btw-kantoor een aangifte met facturen en foto’s van de plannen. Naar aanleiding van de bouwwerken hebben zij toepassing gemaakt van het verlaagd btw-tarief van 6%.

Op 12 september 2014 bezocht een ambtenaar van de btw-controle de verbouwde woning van appellanten. Volgens een oppervlakteberekening door de btw-controledienst zou na de afbraak van oude gedeelten, 35,56 % van de oude woning behouden zijn. Door het feit dat bij de indiening van de aangifte op 10 juni 2013 werd aangegeven dat de verbouwingswerken nog niet voltooid waren, heeft de administratie bij brief van 18 september 2014 alle facturen opgevraagd van de tot op die datum uitgevoerde werken. De appellanten dienden op 1 oktober 2014 een nieuwe aangifte in.

Op 31 augustus 2015 verstuurde de administratie naar de appellanten een correctieopgave waarin de bouwwerken werden onderworpen aan het normale tarief van 21% btw. Met een aangetekende brief van 3 december 2015 verklaarden appellanten zich niet akkoord met de correctieopgave. Op 12 januari 2016 bevestigde de administratie haar standpunt over de toepassing van het btw-tarief van 21%. Op 30 mei 2017 werd door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld met opgave van een verslag van de feiten en de vastgestelde overtredingen. Met een verzoekschrift van 8 juli 2017 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Bij vonnis van 11 december 2018 werd de vordering van appellanten ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Bij verzoekschrift van 28 maart 2019 stellen appellanten hoger beroep in.

2) Samenvatting van het geschil in hoger beroep

* onwettigheid proces-verbaal

Appellanten zijn van oordeel dat het lange tijdsverloop tussen de vaststellingen (12 september 2014) en het opstellen van het proces-verbaal (30 mei 2017) waarin die vaststellingen zijn opgenomen een schending uitmaken van hun rechten van verdediging.

Het hof volgt deze stelling niet. De feiten wijzen uit dat het proces-verbaal een eindpunt was van een minnelijk debat en overlegperiode tussen de partijen waarin de standpunten gekend waren. Dat het proces-verbaal pas enige tijd later werd opgemaakt, heeft de appellanten niet belet zich te organiseren en hun rechten van verdediging te vrijwaren.

In de context waarin het geschil zich reeds aandiende vóór de beëindiging van de bouwwerken en de erop volgende contacten, kunnen de appellanten niet met gegronde redenen stellen dat ze niet in staat waren om tijdig bewijzen te kunnen verzamelen ter verdediging van hun standpunten. De appellanten tonen niet concreet aan welke bewijzen ze niet meer kunnen voorbrengen of op welke andere wijze hun rechten van verdediging concreet geschonden zijn. Bovendien blijkt dat het geschil geen betrekking heeft op het bewijs van de feiten maar in het bijzonder over de toepassing en interpretatie van het administratieve oppervlaktecriterium. Dit middel is ongegrond.

* toepasselijk btw-tarief

Appellanten stellen dat de woning werd omgevormd en geenszins een nieuwbouw betreft. Het hof volgt het standpunt van appellanten niet.

Uit de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 30 mei 2017 blijkt dat de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken (84,90m2) kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken. Het behouden gedeelte bedraagt 35,56% van de totale oppervlakte na de uitvoering van de werken en is door de administratie terecht niet aangemerkt als betekenisvol ten aanzien van de nieuwe woning in haar geheel. Deze correcte analyse leidt tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een omvorming maar wel een nieuwbouw. De appellanten houden bij de berekening van de helft van het oude gedeelte ten onrechte rekening met de volledig afgebroken delen, zoals de eerste verdieping.

In tegenstelling tot wat appellanten beweren steunen de renovatiewerken evenmin op oude dragende muren, (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Alle binnenmuren werden afgebroken en appellanten erkennen dat een nieuwe dragende binnenmuur werd gebouwd. Hierdoor kunnen de appellanten niet gevolgd worden in de stelling dat de “volledige constructie gebouwd werd op de dragende muren van het oorspronkelijk pand”. De structuur, de indeling en het concept van de woning is volledig veranderd en alle ruimtes kregen een nieuwe bestemming. De woning is wezenlijk veranderd.

* boete

Het hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om de geldboete te verminderen of kwijt te schelden. Zij stelt dat de boete zich in een evenredige verhouding bevindt met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding.

Het hoger beroep van appellanten werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Gent van 30 juni 2020

Rol: 2019/AR/587

In de zaak van:

1. W.D.V., RRN ..., wonende te ..., 2. E.C., RRN ..., wonende te ..., appellanten, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308...., Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van het KMO Centrum Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 28 maart 2019 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 11 december 2018 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer (17/2116/A).

De zaak werd behandeld op de openbare terechtzitting van 26 mei 2020.

Met toepassing van artikel 2 §1 van het volmachten-KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, waarvan de maatregelen (grotendeels) verlengd werden bij volmachten-KB van 28 april 2020, werd deze (burgerlijke) zaak - waarin alle partijen conclusies hebben genomen en waarin ze beiden voorafgaand aan de genoemde openbare terechtzitting hun stukken ter griffie hadden neergelegd - in beraad genomen op basis van de overgelegde conclusies en stukken zonder mondeling pleidooi.

Uit niets blijkt dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de partijen erin zouden hebben berust (voor zover dat al mogelijk zou zijn).

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellanten kochten de woning gelegen te B••••••, W•••••••••• •• aan op een openbare verkoop op 17 oktober 2011, met de bedoeling om het pand te verbouwen.

Naar aanleiding van de bouwwerken dienden de appellanten op 10 juni 2013 bij het btw-kantoor een aangifte in (nr. 1063 ) met facturen en foto's van de plannen. De appellanten hebben naar aanleiding van de bouwwerken toepassing gemaakt van het verlaagd btw-tarief van 6%.

Bij brief van 18 augustus 2014 heeft de administratie met betrekking tot de bouwwerken bij de appellanten de plannen en de bewijzen van het eigen werk opgevraagd. De appellanten hebben de gevraagde inlichtingen overgemaakt.

Op 12 september 2014 bezocht een ambtenaar van de btw-controle de verbouwde woning van de appellanten. De bouwheer bezorgde nadien per mail twee foto's van de oude woning tijdens de afbraakwerken.

Volgens een oppervlakteberekening door btw-controledienst zou na de afbraak van oude gedeelten, 35,56 % van de oude woning behouden zijn. Door het feit dat bij de indiening van de aangifte op 10 juni 2013 werd aangegeven dat de verbouwingswerken nog niet voltooid waren, heeft de administratie bij brief van 18 september 2014 alle facturen opgevraagd van de tot op die datum uitgevoerde werken. De appellanten dienden op 1 oktober 2014 een nieuwe aangifte in.

Op 31 augustus 2015 verstuurde de administratie naar de appellanten een correctieopgave waarin de bouwwerken werden onderworpen aan het normale tarief van 21% btw. De proportionele geldboete werd verminderd naar 10%. De partijen hebben op 6 oktober 2015 het dossier besproken op het btw-controlekantoor. Op 25 oktober ondertekende de appellanten een verklaring van afstand van de verlopen tijd der verjaring. Met een aangetekende brief van 3 december 2015 verklaarden de appellanten zich niet akkoord met de correctieopgave. De administratie bevestigde haar standpunt over de toepassing van het btw-tarief van 21% bij brief aan de (raadsman van de) appellanten bij brief van 12 januari 2016. Er werd meegedeeld dat de appellanten een vordering in rechte konden inleiden bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, indien zij verdere besprekingen met de administratie niet verder wensten te zetten. De raadsman van de appellanten heeft bij brief van 19 januari 2016, gericht aan de Gewestelijke Directeur te Brugge verzocht een gemotiveerde eindbeslissing over te maken over het verzoek van 3 december 2015. Er werd eveneens verzocht de opgelegde geldboeten kwijt te schelden. De administratie antwoordde op 26 januari 2016 dat indien appellanten niet akkoord bleven met de ingestelde vordering, zou worden overgegaan tot het opmaken van een proces-verbaal. Op 30 mei 2017 heeft de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld met opgave van een verslag van de feiten en de vastgestelde overtredingen. Dit proces-verbaal werd op 30 mei 2017 ter kennis gebracht van appellanten. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard:

- 31.972,02 euro btw;

- 3.190,00 euro verminderde proportionele geldboete;

- de wettelijke interest (pro memorie).

Met een verzoekschrift van 8 juli 2017 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 11 december 2018 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

3 De vorderingen van de partijen

3.1 De vordering van de appellanten

De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:

Het bestreden vonnis dd. 11/12/2018 van de tiende kamer van de Rechtbank van Eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling BRUGGE, gekend onder rolnummer 17/2116/A, te vernietigen en opnieuw rechtsprekende:

- De vordering van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- Eerste gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding die in hoofde van appellante begroot worden als volgt:

* RPV eerste aanleg 2.400,00 EUR

* Rolrecht hoger beroep PM

* RPV hoger beroep 2.400,00 EUR

3.2 De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 11 december 2018 te bevestigen en de oorspronkelijke vorderingen af te wijzen als ongegrond;

Appellanten te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, in graad van hoger beroep begroot op 2400,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4 De betwistingen en hun beoordeling

4.1 Eerste middel: Onwettjgheid proces verbaal

1. De vaststellingen werden gedaan op 12 september 2014 terwijl het proces-verbaal waarin deze feitelijke vaststellingen werden opgenomen dateert van 30 mei 2017, bijna drie jaar later. Het lange tijdsverloop tussen de vaststellingen en het opstellen van het proces-verbaal maakt volgens de appellanten dat hun rechten van verdediging geschonden zijn. De appellanten voeren aan dat het na drie jaar moeilijk is om nog bewijzen te verzamelen zoals foto's of inlichtingen over de oorspronkelijke woning.

2. Uit de feiten blijkt dat de appellanten naar aanleiding van een eerste ontmoeting op 12 september 2014 van de controleambtenaar twee foto's van de oude woning hebben overgemaakt. Vanaf dat moment waren de appellanten op de hoogte van de mogelijke problematiek van het btw-tarief. Die wetenschap heeft zich nadien bevestigd in de correctieopgave en twee brieven van de administratie waaruit heel duidelijk en consistent is gebleken dat de administratie bij het standpunt bleef dat het verlaagd tarief van 6% niet toepasselijk was. In september 2014 waren de bouwwerkzaamheden nog niet beëindigd. De appellanten dienden op verzoek van de administratie op 1 oktober 2014 een bijkomende aangifte in. De correctieopgave werd op 31 augustus 2015 naar de appellanten verstuurd en ondanks het overleg en de correspondentie die daarop snel volgde was het zeer duidelijk voor de appellanten dat de administratie haar standpunt niet meer zou wijzigen. De administratie heeft alvorens een proces-verbaal op te stellen tweemaal de appellanten erop gewezen dat indien ze niet akkoord waren met het standpunt van de administratie, ze het geschil aan de rechtbank konden voorleggen. Het is in die feitelijke context dat tussen de laatste correspondentie van de administratie en het opstellen van het proces-verbaal enige tijd is verlopen, namelijk de aanvaardbare periode van 16 maanden (tussen 26 januari 2016 en 30 mei 2017) waarin de administratie de appellanten de mogelijkheid bood om hetzij de zaak voor te leggen aan de rechtbank hetzij de gevorderde btw en boete te betalen. De feiten wijzen uit dat het proces-verbaal een eindpunt was van een minnelijk debat en overlegperiode tussen de partijen, waarin de standpunten gekend waren. Dat het proces-verbaal pas enige tijd later werd opgemaakt, heeft de appellanten niet belet zich te organiseren en hun rechten van verdediging te vrijwaren. In de context waarin het geschil zich reeds aandiende vóór de beëindiging van de bouwwerken en de erop volgende contacten, kunnen de appellanten niet met gegronde redenen stellen dat ze niet in staat waren om tijdig bewijzen te kunnen verzamelen ter verdediging van hun standpunten. De appellanten tonen niet concreet aan welke bewijzen ze niet meer kunnen voorbrengen of op welke andere wijze hun rechten van verdediging concreet geschonden zijn. Bovendien blijkt dat het geschil geen betrekking heeft op het bewijs van de feiten maar in het bijzonder over de toepassing en interpretatie van het administratieve oppervlaktecriterium. Met de ondertekening van de afstand van de verjaring, konden de appellanten goed inschatten dat de administratie de zaak niet zou laten vallen en konden de appellanten zich voorbereiden op de verdediging van hun belangen en hun bewijzen verzamelen en bewaren. Dit middel is ongegrond.

4.2 Tweede middel: ten gronde, toepasselijk btw-tarief

Op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, wordt de belasting over de toegevoegde waarde geheven tegen een tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.

Tabel A, rubriek XXXI, § 1, van de bijlage bij dit besluit bepaalt dat het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 aan het verlaagd tarief wordt onderworpen, voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1 of artikel 22bis van het Wetboek;

4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker;

5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen;

Behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of het klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

Tabel A, rubriek XXXI, §3, 1°, van de bijlage bij dit besluit bepaalt dat met het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed worden beoogd.

De vraag stelt zich of de door de appellanten uitgevoerde bouwwerken dienen geïnterpreteerd of beschouwd te worden als handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (btw-tarief van 6%) dan wel dienen beschouwd als "nieuwbouw " (btw-tarief van 21%). De vraag of de bouwwerken als een verbouwing hetzij als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van de voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht.

De wetgever heeft voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' (transformation, rénovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekenis worden uitgelegd. Onder deze begrippen worden normaal niet begrepen handelingen of behandelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXI, §3, 1° van KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is; het gaat dus in het meest verregaande geval over 'verbouwen'.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt onder de nummers

29 tot 31 het onderscheid toegelicht tussen het bouwen en de omvorming of verbouwing van een woning:

“Werk in onroerende staat dat de omvorming van een woning tot voorwerp heeft, is, indien alle andere voorwaarden vervuld zijn, onderworpen aan het tarief van 6%. " "Onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken.

Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.”

“Daarentegen dient als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt:

1 ° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn struktuur (b. v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader.

"Het herbouwen van een woning wordt gelijkgesteld met het bouwen telkens als, gelet op de omvang van de vernieling of van de afbraak van het gebouw, de werken in feite bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw.”

In de btw-revue nr. 110 van september 1994 wordt verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake de btw-tarieven" De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte.

Er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.

Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw één geheel mee vormt. "

Bij de berekening van de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de werken wordt de oppervlakte van het afgebroken gedeelte weggelaten (zie Pari. vr. nr . 846 van de heer Van Biesen d.d. 16.06.2005, Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 097, blz. 17453-17454). Punt 32 van de aanschrijving 6/1986 voorziet dat niet uit het oog mag verloren worden dat, wat het oud gedeelte betreft, de oppervlakte dient weerhouden te worden van het effectief overblijvend gedeelte, dus na aftrek van de afgebroken ruimten, die soms herbouwd worden, in welk geval principieel de toepassing van het verlaagd tarief uitgesloten wordt.

Het begrip omvormen houdt een vergelijking in tussen de nieuwe situatie met hetgeen overblijft van de oude situatie. Het is een logische redenering dat die vergelijking resulteert in de vaststelling dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning.

Zelfs wanneer er redelijkerwijze met enige marge moet rekening gehouden worden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om tot maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming van dat gebouw "wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken.

M.a.w. : de vergrotingswerken mogen de vóór de aanvang der werken bestaande oppervlakte van het gebouw niet verdubbelen of nog groter maken." (btw-commentaar nummer 37/1529).

Rekening houdend met het rechtzekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof dan ook aan dat de appellanten, zoals alle andere belastingplichtigen, recht hebben op toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer hun renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is (niet was) ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult. Het oppervlaktecriterium kan worden aanzien als een administratieve toegeving dat wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk doorslaggevend criterium vormt en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet.

2. Het proces-verbaal van 30 mei 2017 vermeldt de volgende concrete vaststellingen:

- plan oude toestand (stuk 15 en stuk 16, c geïntimeerde)

- plannen nieuwe toestand (stuk 16, a, b en dossier, geïntimeerde )

- foto's, voorgelegd door appellanten (stuk 17 geïntimeerde ; foto's A t.e.m. C (oude toestand) en foto's D t.e.m. L (tijdens de werken).

Volgens het voorgelegde plan bevatte de woning in oorspronkelijk toestand (stuk 15 en stuk 16, c):

• een gelijkvloerse verdieping met achterbouw

• een verdieping onder het dak

Na de werken onderscheidt men op het plan volgende ruimten (stuk 16 a, b en d geïntimeerde )

• een gelijkvloerse verdieping met volledig nieuwe indeling bestaande uit : inkom; wc; keuken; trap; bergruimte; eetruimte ; achterbouw werd volledig afgebroken; zithoek en garage in volledig nieuw gedeelte

• een nieuwe verdieping onder volledig nieuw dak bestaande uit: een badkamer en 4 slaapkamers

Volgens de voorgelegde plannen, bevatte de oorspronkelijke woning een gelijkvloerse verdieping met aangebouwde berging, een le verdieping gelijk aan het gelijkvloers zonder de aangebouwde berging.

Enkel de gelijkvloerse verdieping van de oude woning is blijven staan (de aangebouwde berging werd afgebroken) met een oppervlakte van 84,90 m 2 (11,32 m x 7,50 m) (stukken 15 en 16a geïntimeerde; met blauwe fluostift aangeduid op de plannen). De binnenmuren op het gelijkvloers werden volledig afgebroken.

Een lange nieuwe binnenmuur op het gelijkvloers werd gebouwd om de nieuwe gewelven te ondersteunen. Een bijkomende binnenmuur werd beneden geplaatst, evenwijdig met voorgaande muur en naast de nieuwe trap, om een nieuwe toiletruimte te creëren. Het volledige dak werd weggehaald. De trap naar de eerste verdieping werd verplaatst.

Op de gelijkvloerse verdieping is er een nieuw aangebouwd gedeelte met plat dak dat volgens het voorgelegde plan de zithoek en garage bevat.

De eerste verdieping werd volledig afgebroken (blijvend gedeelte tot op 2,60m hoogte). Nieuwe gewelven werd gelegd tussen gelijkvloers en 1e verdieping (voorheen roostering) : in totaal werden er 81,65 m2 + 60 m2 + 79,39 m2 welfsels in gebakken aarde aangekocht.

De totale oppervlakte gelijkvloers na uitvoering werken bedraagt 149,43 m2

Uit de plannen blijkt dat de buitenmuren in totaal werden opgetrokken:

* voorgevel 4,59 m in (oude) naar 6,15 m (nieuw)

*achtergevel : van 3,40 m (oude) naar 6,15 m (nieuw)

De buitenmuren werden tot op hoogte van het gelijkvloers behouden. De achter-, voor­ en zijgevel van het behouden gedeelte werden grotendeels gewijzigd door nieuwe raam- en deuropeningen op het gelijkvloers. Er werd een volledig nieuwe bovenverdieping gebouwd. De oude gelijkvloerse verdieping werd over de volledige lengte verstevigd met een ringbalk met het oog op de nieuwe eerste verdieping (stuk 17, o.m. foto's H). Het dak en de draagvloer van de bovenverdieping zijn volledig afgebroken en vervangen door een nieuwe verdieping (voorzien voor 4 slaapkamers, overloop en badkamer) met nieuwe gewelven en een volledig nieuw plat dak. De topgevels zijn afgebroken. De oude roosteringen werden volledig uitgebroken en vervangen door gewelven. In het oude behouden gedeelte is een nieuwe gewapende vloerplaat gelegd (stuk 17, foto E, geïntimeerde). Een achterliggend alleenstaand gebouwtje werd volledig afgebroken.

In het proces-verbaal is de volgende oppervlakteberekening oud/nieuw opgenomen.

- Oppervlakte die overblijft na afbraak: Gelijkvloers 11,32 m x 7,50 m = 84,90 m2

- Oppervlakte na uitvoering werken: Gelijkvloers 7,70 m x 11,32 m = 87,16 m2

6,75 m x 6,65 m = 44,89 m2

3,05 m x 5,70 m = 17,38 m2

Verdieping 11,32 m x 7,70 m = 87,16 m2

1,08 m x 2,00 m = 2,16 m2

Totaal: 149,43 m2

- Verschil nieuw - oud: 89,32 m2

- Totaal na uitvoering werken : 238,75 m2 Percentage oud gebouw na de werken:

Werkelijke toestand: nieuwe woning 238,75 m2 = 100,00 % Oude woning 84,90 m2 = 35,56 %

De totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken (84,90 m2 ) is kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken (238,75/2 = 119,38 m2 ). Het behouden gedeelte bedraagt 35,56% van de totale oppervlakte na de uitvoering van de werken en is door de administratie terecht niet aangemerkt als betekenisvol ten aanzien van de nieuwe woning in haar geheel. Deze correcte analyse leidt tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een omvorming maar wel van nieuwbouw.

De appellanten houden bij de berekening van de helft van het oude gedeelte ten onrechte rekening met de volledig afgebroken delen, zoals de eerste verdieping.

De appellanten benadrukken dat de renovatiewerken steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Nochtans werden alle binnenmuren afgebroken en erkennen de appellanten dat een nieuwe dragende binnenmuur werd gebouwd. De foto's op de stukken 17/E, 17/G en 17/H van de geïntimeerde tonen aan dat de oude achtergevel, bestaande uit een reeks kleine steunmuren, grotendeels vernieuwd werd. De lange nieuwe binnenmuur op het gelijkvloers ondersteunt de nieuwe gewelven. Hierdoor kunnen de appellanten niet gevolgd worden in de stelling dat de "volledige constructie gebouwd werd op de dragende muren van het oorspronkelijke pand". De structuur, de indeling en het concept van de woning is volledig veranderd en alle ruimtes kregen een nieuwe bestemming. De woning is wezenlijk veranderd. Gelet bovendien op de omvang van het nieuwe gedeelte primeert hier het oppervlaktecriterium om te besluiten dat in wezen een nieuwbouwwoning gerealiseerd werd. De appellanten steunen zich verder op het criterium van de functionele afhankelijkheid, dat hier niet toepasselijk is omdat er hier geen dergelijke omvorming gebeurde.

De vermelding op de bouwvergunning dat het een "verbouwing" betreft, is niet beslissend met betrekking tot de toepassing van de btw-reglementering.

4.3 De geIdboete

Artikel 70,§ 1 W.btw bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De boete werd verminderd zoals voorzien in artikel 1, lid 1, KB nr. 41 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw , overeenkomstig de schaal bepaald de tabellen van de bijlage bij dit KB nr. 41 en gebracht op 10 % van de verschuldigde btw. De boete bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding. Er zijn geen redenen om de geldboete te verminderen of kwijt te schelden.

5 De gerechtskosten

De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.400,00 euro toepasselijk.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• veroordeelt de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellanten (maar te hunnen laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 40,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.400,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 30 juni 2020.

Aanwezig: ...

Ondertekeningen

De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 20 art. 13 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 22bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8