Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 17.10.2018
WF 707-15-17/001714
[Gunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde – werken in onroerend staat – verlaagd btw-tarief – nieuw gebouw – schuldenaar van de btw – hoofdelijkheid - dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring
Wettelijke bepalingen
Ar. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 - rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 - art. 9 WBTW – art. 51bis WBTW
Samenvatting
1)Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige heeft voor de heer De H. aannemingswerken uitgevoerd met betrekking tot een onroerend goed gelegen te B. Daarvoor werden door de belastingplichtige facturen uitgeschreven waarbij toepassing werd gemaakt van het verminderd btw-tarief van 6%. De administratie gaat niet akkoord met de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 % en stelt bijgevolg een proces-verbaal op en betekent een dwangbevel aan de belastingplichtige waarbij de toepassing van het tarief van 21 % wordt vermeld over die aannemingsfacturen.
De belastingplichtige reikt daaropvolgend een nieuwe factuur uit aan de heer De H. waarbij de btw op de oorspronkelijke aannemingsfacturen werd verhoogd van 6 % naar 21 %. Bovendien rekent de belastingplichtige aan de heer De H. boetes, intresten en kosten aan die van haar door de administratie worden gevorderd. Bij verzoekschrift van 23/12/2016 tekent de belastingplichtige verzet aan tegen het dwangbevel van 29/11/2016, en dagvaardt zij op 21/12/2016 de heer De H. in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
2)De procedure in eerste aanleg
De vordering van de belastingplichtige op hoofdeis strekt ertoe het dwangbevel nietig te verklaren minstens voor recht te horen zeggen dat de belastingplichtige geen enkel bedrag verschuldigd is aan de Belgische Staat.
De dagvaarding in vrijwaring en tussenkomst ingesteld door de belastingplichtige tegen de heer De H. strekt ertoe om betaling te bekomen van 21 % btw in plaats van de voorheen gefactureerde 6 % btw en bovendien de heer De H. in vrijwaring te veroordelen tot de hoofdsom, intresten en kosten in geval de belastingplichtige ten overstaan van de Belgische Staat zou veroordeeld worden.
De belastingadministratie roept de niet ontvankelijkheid van de eis van de belastingplichtige in, terwijl de heer De H. de niet ontvankelijkheid van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring inroept. De rechtbank besluit echter tot de ontvankelijkheid van de hoofvordering en de vordering tot gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
De toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wordt door de administratie betwist. De rechtbank is van oordeel dat noch de belastingplichtige, noch de heer De H. het bewijs leveren van de bewering dat de bestaande muren werden behouden op de plaats waar de appartementen werden gebouwd dan wel verbouwd. Bovendien blijkt uit het antwoord van de onderaannemer dat behoudens het achtergelegen magazijn, alles integraal werd afgebroken en heropgebouwd. Er wordt bovendien geen enkel bewijs bijgebracht van de stelling dat het achtergelegen magazijn, dat niet werd afgebroken maar werd verbouwd tot een garage, deel uitmaakt van de woning en daar één geheel mee vormt. Evenmin is er bewijs dat de garage effectief samen met de appartementen te koop is aangeboden en/of zijn verkocht. Tenslotte wordt ook niet aangetoond dat de oppervlakte van het gedeelte dat behouden bleef tegenover de volledige oppervlakte volgend op de bouwwerken groter is dan 50 %. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de belastingplichtige ten onrechte het verminderd btw-tarief van 6 % heeft toegepast.
De vordering inzake gedwongen tussenkomst en vrijwaring, ingesteld door de belastingplichtige tegen de heer De H. werd door de rechtbank eveneens afgewezen. Er bestaat immers geen grond om de heer De H. te veroordelen tot het btw-tarief gelijk aan 21 % in plaats van het voorheen gehanteerde btw-tarief van 6 % en tot vrijwaring van de hoofdsom, intresten en kosten.
De aannemingsovereenkomst waarop de belastingplichtige zich beroept wordt niet op eenduidige wijze aangehaald en kan ook niet worden vastgesteld op welke wijze de aannemingsovereenkomst de belastingplichtige zou toelaten om de heer de heer de H. te laten veroordelen tot vrijwaring. Zelfs wanneer de heer De H. op grond van art. 51bis WBTW hoofdelijk gehouden kan zijn tot voldoening van de belasting maakt de belastingplichtige op geen enkele wijze duidelijk hoe deze bepaling haar zou toestaan om de heer De H. te laten veroordelen tot vrijwaring. Tenslotte merkt de rechtbank nog op dat art. 51 bis WBTW enkel naar de belasting verwijst, niet naar boetes of intresten.
De vordering van de belastingplichtige tegen de Belgische Staat is ongegrond en de vordering van de belastingplichtige tot tussenkomst en vrijwaring tegen de heer De H. is eveneens ongegrond.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 17.10.2018
Rol: 16/6739/A
Inzake:
D BVBA met maatschappelijke zetel te …, met ondernemingsnummer 0441…. eisende partij op hoofdeis. Eisende partij in tussenkomst en vrijwaring - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. … te …,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum …, met kantoor te …, verwerende partij op hoofdeis. Vertegenwoordigd door … en door …, beiden in hoedanigheid van rijksambtenaar,
Gedwongen tussenkomst
D.H.N., wonende te …, verwerende partij in tussenkomst en vrijwaring- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. … te ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;
Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 19 september 2018.
Situering
1.Eiseres heeft voor de heer D.H.N. (verweerder in tussenkomst en vrijwaring) aannemingswerken uitgevoerd met betrekking tot een onroerend goed gelegen … te …. Daarvoor werden in de periode van 25 mei 2013 tot en met 23 oktober 2014, 23 facturen uitgeschreven door eiseres voor een bedrag van 1.223.252,10 euro exclusief btw, waarop 6% btw werd aangerekend. (stuk 1 van eiseres). De administratie stelde op 4 november 2016 een proces-verbaal op waarin onder meer de toepassing van het btw-tarief van 21% over deze aannemingsfacturen wordt vermeld (stuk 1 van eiseres). Op basis van dit proces-verbaal wordt een dwangbevel opgesteld op 14 november 2016, uitvoerbaar verklaard op 22 november 2016 en betekend op 29 november
2016.
2.Op 20 december 2012 werd een factuur nr. 6774 aan de heer D.H.N. opgesteld onder verwijzing naar de oorspronkelijke 23 facturen waarbij dezelfde bedragen werden gefactureerd maar dan met toepassing van 21% Btw (stuk 3.b van eiseres). In de factuur wordt verwezen naar de correctie van btw-tarief van 6% naar 21% "onderstaande facturatie" en naar de door de administratie "weerhouden overtreding inzake tarieven".
Op 22 december 2016 stelde eiseres een creditnota op onder verwijzing naar de door de administratie "weerhouden overtreding inzake tarieven" met vermelding dat een correctie gebeurde van het btw-tarief van 6% naar 21% (stuk 3.a van eiseres). In de creditnota wordt verwezen naar de correctie van "onderstaande facturatie" waarna een overzicht van de oorspronkelijke 23 facturen wordt toegevoegd, zij het dat de nummering van deze bijlage "pagina 1 van 2" vermeldt met datum "20/12/2016"en de creditnota zelf "pagina 1 van 1" vermeldt met datum "22/12/2016".
Eiseres stelde ook nog een debetnota op met als datum 22 december 2016. Hierin rekent eiseres de heer D.H.N. boetes, interesten en kosten door die van haar worden gevorderd door de administratie met betrekking tot de beweerdelijk onterechte toepassing van het verlaagd tarief van 6% Btw (stuk 3.c van eiseres).
3.Op 23 december 2016 werd het gedinginleidend verzoekschrift ter griffie neergelegd.
4.Bij brief van 30 december 2016 heeft de raadsman van de heer D.H.N. de factuur 6774 en de debetnota van 22 december 2016 geprotesteerd (stuk 2 van verweerder in tussenkomst).
5.Bij dagvaarding van 24 januari 2017 werd de heer D.H.N. gedagvaard door eiseres in gedwongen tussenkomst en vrijwaring in huidig geding.
Vorderingen – ontvankelijkheid
6.De vordering van eiseres op hoofdeis ten aanzien van de Belgische staat strekt ertoe het dwangbevel van 14 november 2016 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 november 2016 gekend onder referte nummer 500/…, nietig te verklaren en minstens voor recht te horen zeggen dat eiseres uit hoofde van dit dwangbevel met bijhorend proces-verbaal van 4 november 2016 geen enkel bedrag aan de Belgische staat verschuldigd is. Eiseres vordert eveneens om de tenuitvoerlegging van het dwangbevel overeenkomstig artikel 89 btw wetboek te schorsen en te stuiten.
7.De vordering van eiseres in tussenkomst en vrijwaring ten aanzien van de heer D.H.N. strekt ertoe hem te horen veroordelen tot:
de betaling van het bedrag van 183 487,86 euro uit hoofde van het openstaand saldo in hoofdsom van de factuurnummer VF 6774 van 10 december 2016 en tot betaling van het bedrag van 52 744,73 euro in hoofdsom uit hoofde van de debetnota van 22 december 2016, te vermeerderen met de conventionele verwijlintresten vrijwillig herleid tot 10% per jaar van een factuurdatum tot algehele betaling en met de conventionele schadevergoeding gelijk aan 10% van de hoofdsom, hetzij 18 348,79 euro en meer de gerechtelijke intresten en
de heer D.H.N. te horen veroordelen tot integrale vrijwaring van eiseres voor alle aanspraken en veroordelingen, zowel en hoofdsom, intresten en kosten, tot dewelke eiseres ten overstaan van de FOD Financiën zou worden veroordeeld, dit en zover deze bedragen voortkomen uit de beweerde overtreding inzake tarieven.
8.De Belgische Staat voert de onontvankelijkheid van de vordering op hoofdeis van eiseres aan onder verwijzing enerzijds naar een gebrek aan belang voor wat betreft de vordering met betrekking tot de hoofdsom aan btw, en anderzijds naar een gebrek aan vermelding van onderwerp en korte samenvatting van de middelen van de vordering in het gedinginleidend verzoekschrift voor wat betreft de boete en de interesten. Concreet blijkt de Belgische staat te verwijzen naar de factuur die werd opgesteld onder het nummer 6774 op 20 december 2016 voor een bedrag van 1 480 135,40 euro waarin een bedrag aan btw inbegrepen was aan een tarief van 21%.
Bij toepassing van artikel 51, §1, 3° Btw-wetboek is eiseres volgens de Belgische staat dit bedrag aan btw zoals vermeld op de factuur verschuldigd. Samen gelezen met de oorspronkelijke facturen voor de aanneming werken en de kredietnota opgesteld door eiseres, volgt hieruit dat de 15% bijkomende btw zoals gevorderd op de facturen van de aannemingswerken in het bestreden dwangbevel, eveneens verschuldigd wordt op basis van voormeld artikel 51, §1, 3° Btw-wetboek en de factuur van 20 december 2016. Voor wat betreft intresten en boetes voert de Belgische Staat in essentie aan dat indien het gevorderde bedrag aan btw verschuldigd is, geen specifieke argumentatie is opgenomen met betrekking tot intresten en boetes.
De rechtbank oordeelt evenwel dat eiseres er wel degelijk belang bij heeft om te laten beoordelen of de vordering zoals concreet gesteld door de Belgische Staat in het bestreden dwangbevel, op basis van een beweerdelijke toepassing van een fout (te laag) btw-tarief en de oorspronkelijk opgestelde facturen betreffende de aannemingswerken, al was het maar omdat de interesten en boetes zoals gevorderd in het bestreden dwangbevel op basis van het bijgevoegde proces verbaal maar verschuldigd zijn in de mate dat de vordering zoals gesteld in dit dwangbevel correct is voor wat betreft het bedrag aan btw op grond van de daarin vermelde oorzaken van opeisbaarheid van btw van belang voor de loop van de interesten, en van de daarin vermelde inbreuken die de basis kunnen vormen van de opgelegde boete. Hieruit volgt meteen ook dat de argumentatie van eiseres met betrekking tot de grond van de zaak, namelijk te weten welk btw-tarief al dan niet van toepassing was, per definitie ook rechtstreeks relevant is voor wat betreft het al dan niet verschuldigd zijn van intresten en boetes zoals gevorderd in het dwangbevel. Eiseres diende dan ook ter zake geen specifieke en afzonderlijke middelen te vermelden betreffende interesten en boetes bij toepassing van artikel 1034 ter gerechtelijk wetboek. De vordering van eiseres op hoofdeis is dan ook onontvankelijk.
9.Voor wat betreft de vordering in tussenkomst en vrijwaring voert verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring aan dat de vordering van eiseres onontvankelijk zou zijn omwille van het ontbreken van onderwerp en korte samenvatting van de middelen en oorzaak van de vordering en het exploot van dagvaarding. Verweerder in tussenkomst en vrijwaring voert hoofdzakelijk aan dat geen rechtsgrond wordt aangeduid op basis waarvan hij gehouden zou zijn om eiseres integraal te vrijwaren voor een btw navordering indien haar verzet zou worden afgewezen. Verweerder in tussenkomst en vrijwaring werpt eveneens op dat eiseres niet kenbaar maakt welke handeling van de heer D.H.N. aan de basis zou liggen van de vordering van eiseres.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitdrukkelijk verwijst naar aannemingswerken uitgevoerd door eiseres aan het onroerend goed gelegen te B., waarvoor eiseres facturen heeft uitgereikt aan verweerder in tussenkomst en vrijwaring met toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6%. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de betreffende facturen, met vermelding dat de belastingadministratie stelt dat voor deze facturen het btw-tarief van 21% en niet van 6% diende te worden toegepast.
Uit de vermeldingen van de factuurnummer 6774 van 20 december 2016 en de debetnota van 52 744,73 euro van 22 december 2016 evenals het gevraagde beschikkend gedeelte in de dagvaarding, kan minstens worden afgeleid da.t eiseres de heer D.H.N. wil horen veroordelen tot de (geprotesteerde) factuur en debetnota waarbij de oorspronkelijke facturen voor de aannemingswerken blijkbaar opnieuw worden gefactureerd met toepassing van een btw-tarief van 21%.
De namens de heer D.H.N. neergelegde conclusies bevestigen dat hij standpunt heeft kunnen innemen over de aldus gestelde vordering, zelfs als daarin mede wordt aangevoerd dat eiseres haar stelling niet afdoende onderbouwt zeker voor wat betreft de vordering tot vrijwaring, wat ten gronde dient te worden beoordeeld.
De vordering in tussenkomst en vrijwaring is dan ook ontvankelijk.
Ten gronde
-Inzake de hoofdeis
10.De toepasselijkheid van het verlaagd tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nummer 20 van 20 juli 1970, wordt door de administratie betwist, onder verwijzing naar de voorwaarde dat de betreffende handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (met uitsluiting van reiniging), geheel of ten dele van een woning tot voorwerp moeten hebben.
11.Eiseres draagt de bewijslast voor wat betreft het voldaan zijn aan de toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief van 6% in toepassing artikel 1 van het Koninklijk Besluit nummer 20.
12.De termen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud" zoals bedoeld in rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nummer 20 van 20 juli 1970, worden niet gedefinieerd in de relevante wetgeving. Deze moeten dan ook begrepen worden in hun gebruikelijke betekenis; de vraag of de door eiseres gefactureerde bouwwerken als een verbouwing hetzij als een nieuwbouw kwalificeren, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht (vergelijk Gent 2 juni 2015, 2014/AR/854, geconsulteerd op taxwin.be).
13.Door eiseres en door verweerder in tussenkomst en vrijwaring worden geen plannen bijgebracht betreffende appartementen waarop vermeld staat welke voorheen, voorafgaand aan de bouwwerken, bestaande muren al dan niet zouden behouden zijn op de plaats waar de appartementen werden gebouwd dan wel verbouwd. Evenmin wordt enig ander nuttig bewijs bijgebracht op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de gebouwen die zich aan de straatkant bevonden niet volledig zouden gesloopt zijn.
De administratie brengt daarentegen wel het antwoord bij van bvba V.D.L., onderaannemer van eiseres, op de vraag of, behoudens het achtergelegen magazijn, alles integraal werd afgebroken en heropgebouwd werd. Daarop werd geantwoord namens bvba V.D.L. dat op het gedeelte waar zij ruwbouw werken hebben uitgevoerd, geen muren meer stonden. Daar wordt aan toegevoegd: "Wij hebben alles nieuw moeten plaatsen in opdracht van de hoofdaannemer" (stuk 4 van verweerder). Het antwoord van de onderaannemer van eiseres toont minstens aan dat het allerminst evident is dat de bouwwerken aan de appartementen gelegen aan de straatzijde, los van het magazijn die tot garage werd omgebouwd, in enigerlei mate als een verbouwing kunnen worden beschouwd. Opdat van een verbouwing sprake zou kunnen zijn, kan redelijkerwijs worden verwacht dat de nieuw aangebrachte bouwwerken steunen op de voorheen bestaande structuur van het gebouw.
Ook uit de door de administratie bijgebrachte luchtfoto van een publieke bron (stuk 8 van verweerder) blijkt dat het allerminst per definitie aannemelijk is dat op de plaats van de appartementen een zelfs maar enigszins substantieel deel van de voorheen bestaande constructie behouden is gebleven.
Eiseres verwijst naar de bouwvergunning en de bijhorende bouwplannen waaruit zou blijken dat aan de voorwaarden zou voldaan zijn voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6%. De rechtbank stelt evenwel vast dat geen enkel document of plan wordt bijgebracht waarop duidelijk zou vermeld zijn welk deel van de bestaande constructies behouden bleef op de plaats waar appartementen werden opgericht.
14.Eiseres en in het bijzonder verweerder in tussenkomst en vrijwaring verwijzen eveneens naar het magazijn dat gelegen was achter de appartementen, waarvan niet wordt betwist dat het slechts deels werd gesloopt en is omgebouwd tot een garage. Verweerder in tussenkomst en vrijwaring brengt een berekening bij (stuk 1 van verweerder en tussenkomst en vrijwaring) waaruit zou moeten blijken dat de grondoppervlakte van het gedeelte waar de bestaande constructies niet behouden zijn gebleven, minder dan de helft zou vormen van de totale oppervlakte van de woningen na voltooiing van de bouwwerken. Over de relevantie van dit criterium bestaat geen betwisting tussen partijen.
Eiseres en verweerder in tussenkomst en vrijwaring tonen evenwel niet aan dat het magazijn, dat na verbouwing een garage zou geworden zijn, deel uitmaakt van de woning en daar één geheel mee vormt. De loutere nabijheid van garage en de appartementen toont dit niet aan. Er wordt onder meer niet verduidelijkt of de parkeerplaatsen in de garage effectief samen met de appartementen te koop zijn aangeboden en/of zijn verkocht.
De rechtbank stelt bovendien vast dat zelfs indien rekening wordt gehouden met het gedeelte van het magazijn waarvan niet wordt betwist dat het behouden bleef (met een grondoppervlakte van 440 m2), niet wordt aangetoond dat de oppervlakte van het gedeelte dat behouden bleef tegenover de volledige oppervlakte volgend op de bouwwerken groter is dan 50%. In de berekening bijgebracht door verweerder in tussenkomst en vrijwaring wordt immers enkel verwezen naar de grondoppervlakte van de appartementen aan de straatzijde, zonder enige verwijzing naar de oppervlakte per bouwlaag.
-Inzake de eis in gedwongen tussenkomst en vrijwaring
15.De vordering van eiseres tegenover de heer D.H.N. strekt er in de eerste plaats toe hem te horen veroordelen tot betaling van de factuur nr. 6774 waarbij de voorgaande facturen inzake de aannemingswerken verricht door eiseres voor de heer D.H.N. opnieuw worden gefactureerd aan een tarief van 21% in plaats van het voorheen gehanteerde Btw-tarief van 6%.
De rechtbank stelt vast dat de betreffende facturatie, zowel de oorspronkelijke als de factuur nr. 6774 van 20 december 2016, blijkbaar betrekking heeft op uitvoering van een aannemingsovereenkomst gesloten tussen partijen. Deze overeenkomst wordt door eiseres evenwel niet op eenduidige wijze aangehaald. Evenmin worden enige stukken bijgebracht met betrekking tot deze overeenkomst.
Om de heer D.H.N. te kunnen veroordelen tot het betalen van een bijkomende 15% Btw over de voorheen uitgeschreven facturen, moet eiseres, die de bewijslast draagt, minstens duidelijk aanvoeren waarom de overeenkomst haar zou toelaten om deze te vorderen. Eiseres voert evenwel zelfs niet aan dat, bijvoorbeeld, een overeenkomst werd gesloten waarbij een prijs exclusief Btw werd overeengekomen waarbij eiseres een correct bedrag aan Btw mocht bovenop doorrekenen, ook als dit initieel niet werd aangerekend op de facturen. Laat staan dat enig stuk wordt bijgebracht waaruit de precieze draagwijdte en inhoud van de overeenkomst kan worden afgeleid. Het komt daarbij uiteraard niet aan de rechtbank toe om veronderstellingen te maken over deze overeenkomst.
De rechtbank houdt ook in het bijzonder rekening met de email van 11 december 2014 gericht door eiseres aan de heer D.H.N.. Hiervan wordt in namens de heer D.H.N. neergelegde besluiten aangevoerd dat een contractuele afspraak werd gemaakt over de facturatie, waarmee blijkens de verklaringen op de zitting wordt bedoeld dat zou zijn afgesproken welke bedragen de heer D.H.N. al dan niet nog diende te betalen. Na te vorderen Btw zou niet meer kunnen worden gefactureerd door eiseres. Eiseres nam evenwel ook op de zitting geen eenduidig standpunt in over inhoud en draagwijdte van deze email, laat staan dat stukken worden bijgebracht om de stelling van de heer D.H.N. te ontkrachten. In de betreffende email wordt overigens verwezen naar een openstaand factuurbedrag "'saldo (niet gefactureerd) van 10600 inclusief BTW" dat eiseres bereid zou zijn te "laten vallen". Deze vermelding maakt het uiteraard eveneens niet mogelijk om zonder meer uit te gaan van een overeenkomst tussen partijen waarbij louter afspraken werden gemaakt over bedragen exclusief Btw en waar de wettelijk door eiseres verschuldigde Btw, zonder meer, bovenop de prijs exclusief Btw kon worden aangerekend aan de heer D.H.N..
Eiseres bewijst dan ook niet dat zij bijkomend Btw kon vorderen van de heer D.H.N. bovenop de Btw vermeld in de oorspronkelijke facturen betreffende de aanneming.
16.Daar waar eiseres eveneens vordert
-om integrale vrijwaring van eiseres voor alle aanspraken en veroordelingen, zowel in hoofdsom, intresten en kosten, tot dewelke eiseres ten overstaan van de FOD Financiën zou worden veroordeeld en
-om de heer D.H.N. te veroordelen tot betaling van de debetnota van 22 december 2016
kan evenmin worden vastgesteld op welke wijze de aannemingsovereenkomst eiseres zou toelaten om de heer D.H.N. te laten veroordelen tot vrijwaring. Eiseres voert zelfs niet aan dat de aannemingsovereenkomst dit zou toelaten. Dit geldt evenzeer in de mate dat deze vrijwaring en debetnota betrekking hebben op boetes en interesten yerschuldigd aan de Belgische Staat voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief over de aannemingsfacturen. Waarom de heer D.H.N. eiseres zou moeten vrijwaren op basis van de overeenkomst(en) tussen partijen wordt zelfs niet op eenduidige wijze aangevoerd.
Voor wat betreft de verwijzing door eiseres naar artikel 51bis WBtw stelt de rechtbank vast dat het betreffende artikel voorziet dat de ontvanger van een factuur tegenover de Staat hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting wanneer de factuur bepaalde onjuiste vermeldingen bevat of de verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt.
De rechtbank stelt vast dat deze bepaling de Belgische Staat mogelijks toelaat om de heer D.H.N. aan te spreken voor de Btw die verschuldigd is door eiseres als btw-plichtige dienstverrichter. De administratie heeft zich overigens blijkbaar nog niet heeft beroepen ten overstaan van de heer D.H.N. op deze aansprakelijkheid. Eiseres maakt op geen enkele wijze duidelijk hoe deze bepaling haar zou toestaan om de heer D.H.N. te laten veroordelen tot vrijwaring voor de navordering van Btw, boetes en interesten. Louter volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat artikel 51lbis WBtw enkel naar de belasting verwijst, niet naar boetes of interesten.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,
recht doende op tegenspraak, verklaart de vordering van eiseres tegen de Belgische Staat ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, door de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op nihil.
Verklaart de vordering van eiseres tegen de heer D.H.N. ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, door de heer D.H.N. begroot en door de rechtbank vereffend op 6.000,00 euro.
Dit vonnis werd uitgesproken op zeventien oktober tweeduizend achttien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit: …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.