Vrijstelling, andere vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 23 december 2008

Zoeken

Vrijstelling, andere vrijstellingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-hof-van-beroep-gent-2008-12-23-0ccc

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
23 december 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

100 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.12.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent - 5de kamer

Nr.2007/AR/2675 - in de zaak van :

E. C. BVBA.,

met maatschappelijke zetel voorheen te …, … en thans te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. E. en mr. V. B. J., beiden advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de E.a. Inspecteur van het derde BTW-Controle kantoor te Brugge en van de E.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, beiden met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. F. loco V. J., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. De pocedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van 6 november 2007 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 10 september 2007 werd uitgesproken.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 25 november 2008, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De appellante is als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de volgende activiteiten :

het voeren van een groot- en kleinhandel in boeken, tijdschriften, lingerie, video's DVD's en CD-roms

het verhuren van video's

het verlenen van diensten : het vertonen van video's en DVD's in kamers en cabines ter plaatse.

2.2. Naar aanleiding van een BTW-tegoed dat uit de periodieke aangiften van de appellante bleek, heeft de geïntimeerde op 15 september 2004 bij de appellante een beperkte controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW voor de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2004.

2.3. Er werden drie soorten inbreuken vastgesteld en opgenomen in een correctieopgave die op 17 september 2004 aan de appellante werd toegestuurd. Op 20 september 2004 verklaarde de appellante zich akkoord met twee van de drie vastgestelde inbreuken en de gevolgen ervan.

Er was evenwel geen akkoord met betrekking tot de door de geïntimeerde voorgehouden inbreuken op de vaststelling van de tarieven (toepassing van artikel 37 en 38 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde [hierna "W.BTW'] en het Koninklijk Besluit nr.20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven [hierna genoemd "KB nr.20"]).

2.4. In het bijzonder hield de geïntimeerde voor dat de appellante de ontvangsten die zij haalde uit de ter beschikkingstelling van cabines waarin geprogrammeerde videofilms kunnen worden bekeken, ten onrechte aan het verlaagd tarief van 6 % onderwierp, terwijl het algemeen tarief van 21 % zou toepasselijk zijn.

De geïntimeerde achtte voor die inbreuk een bedrag van … euro BTW, meer een verminderde proportionele boete van 10 % verschuldigd.

2.5. Omdat de appellante niet akkoord ging, heeft de geïntimeerde op 9 november 2004 een proces-verbaal opgemaakt. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard :

- … euro BTW;

- … euro verminderde proportionele geldboete;

- de wettelijke interest op de BTW te rekenen vanaf 21 september 2004.

2.6. Bij gebrek aan vrijwillige betaling werd op 17 december 2004 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 9 november 2004, meer de moratoire interest op de geldboete en de vervolgingskosten (RCIV-nr. …). Het dwangbevel werd op 21 december 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens per aangetekende zending van 24 december 2004 aan de appellante betekend. De verschuldigd verklaarde bedragen werden vereffend bij wijze van inhouding op de tegoeden van de appellante.

2.7. Met een verzoekschrift van 22 maart 2005 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De appellante vorderde de nietigverklaring van het dwangbevel van 21 december 2004; ze vroeg aan de rechtbank te zeggen voor recht dat de sommen die in dat dwangbevel opgeëist worden, niet verschuldigd zijn. Tevens vorderde de appellante terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interest.

De geïntimeerde vroeg de afwijzing van de vordering.

2.8. In het vonnis van 10 september 2007 heeft de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de vordering van de appellante ongegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen

3. 1. Stelling van de appellante

3.1.1. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het dwangbevel dat op 17 december 2004 onder RCIV-nummer … werd uitgevaardigd en alle andere uitvoeringsmaatregelen die op basis ervan werden genomen, nietig verklaart. Ze vordert ook dat het Hof aan de geïntimeerde het verbod zou opleggen om tot uitvoeringsmaatregelen over te gaan door middel van welke weg en welk motief ook. De appellante vordert ook de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van het bedrag van … euro, te vermeerderen met de wettelijke interest van 0,8 % per maand te rekenen vanaf 1 oktober 2004.

De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

3.1.2. De appellante voert daartoe aan dat, ongeacht het aantal zitplaatsen, de aard van de vertoonde films of de techniek van de filmvertoning, de cabines waarin de klanten naar films van hun keuze kunnen kijken, moeten beschouwd worden als een bioscoop. De cabines zouden daarom vallen onder het begrip 'inrichting voor cultuur, sport of vermaak' als bedoeld in KB nr. 20 van 20 juli 1970, bijlage, tabel A, rubriek XXVIII.

Het ter beschikking stellen van een cabine voor het bekijken van geprogrammeerde video's en films zou niet kunnen beschouwd worden toekenning van het recht gebruik te maken van automatische ontspanningstoestellen zodat de overeenkomstige uitzondering vermeld onder het eerste gedachtestreepje van de zo-even vermelde rubriek XXVIII niet toepasselijk zou zijn.

3.1.3. Volgens de appellante kan uit de administratieve aanschrijving nr. 6 van 9 maart 1994 inzake 'Weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen en automaten' niet worden afgeleid dat de betreffende cabines onder de definitie van 'automatische ontspanningtoestellen' vallen. De appellante stelt dat die aanschrijving een beperkt doel heeft, namelijk de vrijstelling van BTW voorzien in artikel 44, § 3, 13° W.BTW toe te lichten. De betwisting die hier aan de orde is, zou daaronder niet vallen.

Bovendien zou de aanschrijving ook niet uitsluiten dat er op de regel dat 'andere automaten' dan 'speelautomaten' en 'verkoopautomaten', aan het algemeen tarief (21 %) onderworpen zijn, uitzonderingen bestaan bijv. voor de automaten die als een inrichting voor cultuur of vermaak kunnen worden beschouwd en als zodanig onder het verlaagd tarief van 6 % vallen. De aanschrijving zou ook niet stellen dat 'filmprojectieautomaten' beschouwd moeten worden als 'automatische ontspanningstoestellen'; de aanschrijving zou de 'filmprojectieautomaten' enkel onder het begrip 'andere automaten van zeer diverse aard' indelen.

De appellante laat ook gelden dat de administratieve aanschrijving een tekst is die van de geïntimeerde zelf uitgaat en geen kracht van wet heeft.

Voor de invulling van het begrip 'automatische ontspanningstoestellen' zou daarom het gebruikelijk taalgebruik moeten toegepast worden en de betreffende cabines zouden daar niet onder vallen omdat het geen 'speeltoestel' is.

3.1.4. De appellante betwist ook de stelling van de eerste rechter dat de rechtbank de administratieve aanschrijvingen zou moeten volgen 'wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen'.

3.1.5. De appellante stelt verder dat haar cabines als een bioscoop moeten beschouwd worden en dat zij daarvoor zelfs steun vindt in de administratieve aanschrijving van 12 januari 1973. Voor uitlegging verwijst zij naar de zesde BTW-richtlijn en rechtspraak van het Hof van Justitie. Voor culturele, artistieke of vermakelijkheidsdiensten zou ook geen bijzonder cultureel of artistiek niveau vereist zijn.

De Nederlandse rechtspraak zou uitdrukkelijk in die zin gevestigd zijn dat het soort cabines waar door middel van een geldinworp films kunnen worden bekeken, als een bioscoop worden aangezien voor de toepassing van de BTW en daardoor aan het verlaagd tarief onderworpen zijn.

3.1.6. In zoverre de geïntimeerde zich beroept op een eigen beslissing van de centrale administratie (E.T. 101.420) laat de appellante gelden dat daarin een onderscheid wordt gemaakt naar gelang de vertoning in een cabine een live-optreden is dan wel een (video-)film, terwijl voor dat onderscheid geen wettelijke basis zou bestaan.

3.2. Stelling van de geïntimeerde

3.2.1. De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg.

3.2.2. De geïntimeerde voert aan dat de betreffende cabines in elk geval als 'automaten' moeten worden beschouwd vermits het starten van de films gebeurt door een geldinworp. Vermits ze gemaakt zijn voor het vermaak van de gebruikers, zouden ze ook onder het begrip "automatische ontspanningstoestellen" vallen. Hij stelt dat dit ook blijkt uit de analyse in zijn administratieve aanschrijving nr. 6 van 9 maart 1994. Hij wijst erop dat onder randnummer 25 van die aanschrijving onder de categorie 'gelijkaardige toestellen' waarvoor het normale BTW-tarief (21 %) toepasselijk is, onder andere 'filmprojectie-automaten' vermeld staan.

Hoewel de administratieve aanschrijvingen slechts interpretatief zijn en geen bindend karakter hebben, zou volgens de geïntimeerde de rechtbank een administratieve toelichting en/of toegeving op de wettekst niet kunnen negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn een gelijke behandeling garanderen.

3.2.3. De geïntimeerde stelt dat er in geen geval sprake zou zijn van een 'bioscoop' omdat die cabines niet aan dat begrip beantwoorden.

Een bioscoop zou essentieel gekenmerkt zijn door een ruimte waarin een groep mensen naar één en dezelfde film komen kijken die wordt gestart zonder enige tussenkomst van de klanten die op voorhand een ticket betaald hebben. Doordat de cabines slechts een beperkte ruimte hebben waarvoor de klant ter plekke de keuze van de films kan maken, die film doet starten met een geldinworp en zelf de film kan onderbreken en naar een andere film kan overschakelen, zou er geen sprake zijn van een bioscoop. De vergelijking met het Nederlandse recht zou niet opgaan omdat daar geen uitzondering wordt gemaakt voor automatische ontspanningstoestellen.

3.2.4. Volgens de geïntimeerde zou het ook van belang zijn dat enkel geprogrammeerde videofilms kunnen worden bekeken, wat zich zou onderscheiden van live-optreden waarvoor hij wel de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % aanvaardt.

4. Beoordeling

4.1. De betwisting heeft betrekking op het tarief dat toepasselijk is op de vergoedingen voor de toegang en het gebruik van de betreffende cabines.

4.2. De appellante vraagt de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % voorzien in het KB nr. 20 van 20 juli 1970, bijlage, tabel A, rubriek XXVIII.

4.3. De geïntimeerde zegt dat de cabines beschouwd moeten worden als automatische ontspanningstoestellen en op grond van dezelfde wetsbepaling uitgezonderd zijn van het verlaagd· tarief. Ze beroept zich ook op de administratieve aanschrijving nr. 6 van 9 maart 1994.

4.4. Het eerste lid van artikel 1 van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 (uitgevaardigd overeenkomstig artikel 37 WBTW) luidt als volgt :

De belasting op de toegevoegde waarde wordt geheven:

1° tegen het tarief van 6 pct. voorde goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;

2° tegen het tarief van 12 pct. voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit;

3° tegen het tarief van 21 pct. voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het Wetboek.

In tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970, worden onder rubriek XXVIII de volgende diensten vermeld :

De toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, met uitzondering van :

a) de toekenning van het recht gebruik te maken van automatische ontspanningstoestellen ;

b) de terbeschikkingstelling van roerende goederen.

4.5 Een administratieve aanschrijving is geen formele bron van recht en bindt als zodanig de rechtsonderhorigen en de hoven en rechtbanken niet. Het betreft een eigen standpunt van de geïntimeerde. Zelfs mocht het aangewezen zijn om feitelijk rekening te houden met administratieve aanschrijvingen ten einde een uniforme toepassing van het recht te betrachten en aldus de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel te respecteren, dan nog zal dat principe enkel kunnen spelen voor zover zou vaststaan dat de inhoud van. die aanschrijvingen in overeenstemming is met de wettelijke regeling.

Nu blijkt dat de betwisting in het bijzonder betrekking heeft op de wijze waarop de wettelijke regeling moet worden begrepen. De administratieve aanschrijving nr. 6 van 9 maart 1994 kan dus niet als richtsnoer voor het beoordelen van het geschil gehanteerd worden.

4.6. Uit het stuk 13 van de appellante en de uitleg die door de partijen wordt gedeeld, blijkt dat de betreffende cabines een beperkte ruimte hebben waarin plaats is om te zitten voor 1 persoon. De cabine heeft een deur waarmee ze kan worden afgesloten. De klant kan er naar films kijken op een beeldbuis zoals die van een gewone klassieke televisie. De klant moet de projectie zelf op gang brengen door de inworp van een muntstuk. Op de zijkant is een bedieningspaneel waarmee de klant doorheen een menu kan lopen om de gewenste film te selecteren. De klant is niet gebonden aan zijn eerste keuze; hij kan gedurende de betaalde tijd telkens van film veranderen. De films worden (continu) gedraaid vanop DVD's op een toestel dat in een centrale ruimte staat opgesteld.

4.7. Wanneer de Belgische wetgever er voor gekozen heeft om in het KB nr. 20 van 20 juli 1970, bijlage, tabel A, rubriek XXVIII, het verlaagd tarief toepasselijk te maken op de toekenning van het rechtop toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, dan is dat gebeurd op grond van de mogelijkheid voorzien in de zesde BTW-richtlijn, bijlage H (Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde BTW-tarieven mogen worden toegepast), categorie 7. In die categorie staan immers (o.a.) de volgende diensten opgesomd : Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen. bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.

4.8. De appellante voert aan dat haar cabines onder het begrip bioscoop vallen.

De geïntimeerde betwist niet dat bioscopen op grond van de hoger genoemde bepaling van KB nr. 20 onder het verlaagd tarief van 6 % vallen, maar volgens. haar kunnen de cabines niet als een bioscoop worden beschouwd; het zouden automatische ontspanningstoestellen zijn (die uitdrukkelijk uitgezonderd zijn) en bovendien, wegens de afwijking van de klassieke bioscoop, niet daarmee kunnen gelijkgesteld worden.

4.9. De betreffende Belgische regeling is geënt op de zesde BTW-richtlijn. Gelet op de eenvormige uitlegging die aan het gemeenschapsrecht moet worden gegeven, moet de toepasselijke wetsbepaling, namelijk het KB nr. 20 van 20 juli 1970, bijlage, tabel A, rubriek XXVIII en dus ook de uitzondering voor 'automatische ontspanningstoestellen', een betekenis krijgen die met de zesde BTW-richtlijn, bijlage H, categorie 7 in overeenstemming is. Dat betekent dat de betreffende cabines in elk geval niet als 'automatische ontspanningstoestellen' mogen beschouwd worden indien ze onder het begrip 'bioscoop' vallen zoals vermeld in die categorie 7 van de bijlage H van de zesde richtlijn.

De vraag is dus of de cabines onder dat gemeenschapsbegrip 'bioscoop' vallen.

Het Hof stelt vast dat de opmerkingen van de geïntimeerde in dat verband, namelijk met betrekking tot de verschillen tussen de cabines en de klassieke bioscoop, niet geheel zonder pertinentie zijn.

Rechtspraak in dat verband is het Hof niet bekend.

4.10. Met het oog op de uniforme uitlegging van het gemeenschapsrecht, acht het Hof het aangewezen om aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen.

Moet een cabine die bestaat uit een afsluitbare ruimte waar plaats is voor slechts 1 persoon en waarin deze persoon op een televisiescherm films kan bekijken tegen betaling waarbij deze persoon de filmprojectie zelf op gang brengt door middel van een geldinworp en keuze heeft uit verschillende films en tijdens de betaalde tijd de keuze van de geprojecteerde film voortdurend kan wijzigen, beschouwd worden als een 'bioscoop' zoals bedoeld in de zesde BTW-richtlijn nr. 77/388/EEG van de raad van 17 mei 1977, bijlage H, categorie 7 (ondertussen: Bijlage lIl, nr. 7 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006)?

5. De gerechtskosten

Vermits een prejudiciële vraag gesteld wordt aan het Hof van Justitie, moet het oordeel over het lot van de gerechtskosten worden aangehouden.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk;

alvorens over de grond van de zaak te oordelen, stelt de volgende vraag aan het Hof van Justitie :

Moet een cabine die bestaat uit een afsluitbare ruimte waar plaats is voor slechts 1 persoon en waarin deze persoon op een televisiescherm films kan bekijken tegen betaling. waarbij deze persoon de filmprojectie zelf op gang brengt door middel van een geldinworp en keuze heeft uit verschillende films en tijdens de betaalde tijd de keuze van de geprojecteerde film voortdurend kan wijzigen, beschouwd worden als een 'bioscoop' zoals bedoeld in de zesde BTW-richtlijn nr. 77/388/EEG van de raad van 17 mei 1977, bijlage H, categorie 7 (ondertussen : Bijlage III, nr. 7 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006)?

beveelt de griffie om een eensluidend verklaard afschrift van dit arrest en een gewoon afschrift van de geding inleidende stukken, het bestreden vonnis en de conclusies uit het dossier van de rechtspleging per aangetekende post te zenden aan de "Griffie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, L-2925 LUXEMBOURG";

houdt de uitspraak over het lot van de gerechtskosten aan;

verzendt de zaak inmiddels naar de bijzondere rol.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op DRIEËNTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT.

Aanwezig de Heren :

D. V., Raadsheer; waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. D. V.

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

8