Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 16.01.2018
WF 708-15-15/017805
[Gunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde – vrijgestelde levering onder de voorwaarden van art. 39bis WBTW – bewijs vrijstelling
Wettelijke bepalingen
Art. 3, eerste lid van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992
Samenvatting
1)De feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige heeft op 31.12.2011 een tweedehands voertuig verkocht aan Poolse afnemers onder de vrijstelling voorzien door het art. 39bis, WBTW. De in het dwangbevel gevorderde btw is volgens de administratie verschuldigd op de bewuste verkoop van het voertuig.
De administratie is van oordeel dat de belastingplichtige niet aantoont dat het verkochte voertuig uit België werd vervoerd naar een land van de Gemeenschap.
In eerste aanleg vraagt de belastingplichtige in hoofdorde de behandeling van de zaak te schorsen tot na afsluiting van het strafonderzoek, geopend na klacht van belastingplichtige, en in ondergeschikte orde het dwangbevel te vernietigen en voor recht te zeggen dat op de transactie geen btw verschuldigd is, vermits deze de vrijstelling geniet van het art.39bis, eerste lid WBTW.
De vordering wordt echter ongegrond verklaard.
2)Procedure voor het hof van beroep
Het hoger beroep van belastingplichtige (appellante) strekt ertoe te zeggen voor recht dat op de transactie geen btw verschuldigd is, minstens de administratie te horen veroordelen tot het overleggen van stukken uit andere dossiers van intracommunautaire verkoop van personenwagens waarin de voornoemde Polen betrokken waren, zowel koper als ophaler van de wagen.
Het hof oordeelt dat het de appellante toebehoort aan te tonen dat de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling vervuld zijn, en meer bepaald aan te tonen dat het verkochte voertuig uit België werd uitgevoerd naar een ander land van de Gemeenschap.
Uit de voorgelegde stukken (verkoopovereenkomst, factuur, nazicht btw-nr., betaling) is niet af te leiden dat de uitvoer binnen de Unie daadwerkelijk gebeurde. Op grond van het feit dat de Poolse ophaler zelf het voertuig komt ophalen kan dit niet afgeleid worden. Dit is maar wat de appellante zelf veronderstelt.
Dit is des te meer zo nu de appellante uit de omstandigheden kon afleiden dat er mogelijk onregelmatigheden waren of fraude was. In dit verband mag toch van appellante verwacht worden dat zij alles doet wat redelijkerwijs van haar kan worden verlangd om te zorgen dat zij door de handeling die zij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude.
In de veronderstelling dat uit een grondiger strafonderzoek zou blijken dat de appellante slachtoffer werd van (Poolse) oplichters, dan neemt dit nog steeds niet weg dat de appellante niet het bewijs zal leveren dat het door haar verkochte voertuig op de voorgeschreven wijze werd uitgevoerd. Het is dan ook niet dienend aan de administratie te bevelen stukken uit andere fraudedossiers voor te leggen en in afwachting de behandeling van de zaak te schorsen.
Het hoger beroep is ongegrond
Standpunt tegenpartij
Het arrest is betekend ter uitvoering.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 16.01.2018 (2016/AR/1782)
In de zaak van:
V. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te …, …, KBO nr. … appellante, hebbende als raadsman mr. C. F., advocaat te …, …
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door KMO centrum Brugge, Team Rechtspersonen Brugge 1, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te …, …
wijst het hof het volgend arrest:
1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 3.3.2015, bestreed de appellante het dwangbevel op haar naam (nr. …), uitgevaardigd te Brugge op 3.12.2014 door C. V., adjunct fiscaal deskundige bij het ontvangkantoor BTW Brugge, geviseerd en uitvoerbaar verklaard te Brugge door P. B., adviseur a.i., e.a. inspecteur a.i., op 3.12.2014.
In dit dwangbevel is opgenomen als schuld ten laste van de appellante: een bedrag van … EUR aan BTW+ een proportionele geldboete van … EUR + intresten art. 91 § 1 BTW-wetboek, te berekenen vanaf 21.1.2012 en te vermeerderen met de reeds verlopen intresten ten bedrage van … EUR, hetzij in totaal … EUR. Dit bedrag te vermeerderen met: de nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2014 overeenkomstig artikel 91 § 1 W. BTW; desgevallend, de moratoire intresten te berekenen op alle nog verschuldigde sommen niet bedoeld onder vorig gedachtestreepje, die lopen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel, overeenkomstig artikel 91 § 4 W. BTW; de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen.
Voor de eerste rechter vorderde de appellante:
in hoofdorde: de verdere behandeling van de zaak te schorsen tot na afsluiting van het strafonderzoek, geopend na klacht door de appellante en gekend bij het parket van de Procureur des Konings te Brugge onder het notitienummer …;
Ondergeschikt: reeds de kennisgeving van het dwangbevel inzake BTW gekend onder artikel nr. … te vernietigen; te zeggen voor recht dat op de beschreven transactie geen BTW verschuldigd is vermits deze geniet van de vrijstelling van artikel 39bis BTW-wetboek.
Bij vonnis van 15.3.2016 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de gedingkosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 11.10.2016 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het voormeld vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen; het bestreden dwangbevel te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat op de beschreven transactie geen BTW verschuldigd is vermits deze onderworpen was aan de vrijstelling van artikel 39bis WBTW; minstens de geïntimeerde zich te horen veroordelen tot het overleggen van alle dienstige stukken, met name andere dossiers van intracommunautaire verkoop van personenwagens waarin de voornoemde Polen betrokken waren, zowel koper als ophaler van de wagen.
De geïntimeerde van zijn kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na.
2. De in het voormeld dwangbevel gevorderde BTW is de BTW volgens de geïntimeerde verschuldigd op de verkoop op 31.12.2011 door de appellante van een tweedehands voertuig Mercedes C63 AMG voor een bedrag van … EUR aan een Poolse afnemer. Dit voertuig werd door de appellante verkocht onder de vrijstellingsregeling voorzien bij artikel 39bis, eerste lid, 1° BTW-wetboek (intracommunautaire levering).
De geïntimeerde heeft zich op het standpunt gesteld dat de appellante de echtheid van de verzending of vervoer buiten België niet bewees, en dat de appellante gehouden was tot betaling van de BTW op de verkoop van het voormeld voertuig.
Het behoort de appellante, die zich op de vrijstelling voorzien bij artikel 39bis, eerste lid, 1° BTW-wetboek beroept, aan te tonen dat de voorwaarden voor toepassing van die vrijstellingsregeling zijn vervuld, en meer bepaald aan te tonen dat het verkochte voertuig uit België werd uitgevoerd naar een land van de Gemeenschap.
De appellante kan dit bewijs leveren zowel aan de hand van de documenten vermeld in artikel 3 eerste lid van het KB nr. 52 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), nl. contracten, bestelbons, vervoersdocumenten en de betalingsstukken, als aan de hand van andere documenten, of ook nog andere fiscaal toegelaten bewijsmiddelen (zoals bvb. vermoedens).
Uit de door de appellante voorgelegde stukken en gegevens (verkoopovereenkomst, factuur, nazicht BTW-nummer, betaling, kopie identiteitskaart ophaler, het afhalen van het voertuig door een andere) is, gelet op de hoger aangehaalde omstandigheden, zeker het bewijs niet af te leiden dat uitvoer binnen de Unie daadwerkelijk gebeurde. Op grond van het feit dat de Poolse ophaler het voertuig komt ophalen kan niet zo maar afgeleid worden dat het zou uitgevoerd worden binnen de Unie. Dit is maar wat de appellante zelf veronderstelt.
Dit is des te meer zo nu de appellante uit de omstandigheden kon afleiden dat er mogelijks onregelmatigheden waren of fraude was.
In dit verband mag van de appellante verwacht worden dat zij alles doet wat redelijkerwijs van haar kan worden verlangd om te zorgen dat zij door de handeling die zij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude (vergelijk bvb. met HvJ, C-101/16, 19.10.2017, inzake SC P. C. SRL tegen D. R. . F. P. C.-N., A. J. . F.r P. B.-N., cijfer 52, vindplaats http://curia.europa.eu).
Te dezen moet toch worden opgemerkt:
dat de Poolse koper in kwestie, zekere Z. M., niet blijkt een gebruikelijke handelsrelatie te zijn van de appellante;
dat die koper zich aanbiedt bij de appellante en voor het voertuig in kwestie een bedrag van … EUR cash (dit gebeurde met twee maal … EUR volgens het proces-verbaal dd. 18.11.2014) wil betalen, wat een ongebruikelijke wijze van betaling is voor dergelijke hoge bedragen (… EUR x 2);
dat die koper Z. M. de onderhandse verkoopovereenkomst dd. 31.12.2011 ondertekent met de naam "D."; de appellante geeft hiervoor geen uitleg;
dat het een andere persoon is, volgens fotocopie van diens identiteitskaart zekere S., die het voertuig komt ophalen;
zo de factuur vermeldt dat het voertuig bestemd is "voor export en doorverkoop" wordt nergens vermeld naar welk land zou uitgevoerd worden voor doorverkoop.
Dit zijn toch aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude, en zij dienen een bedachtzame marktdeelnemer ertoe aan te zetten nadere maatregelen te nemen alvorens het voertuig te verkopen met vrijstelling van BTW en het voertuig te leveren aan de ophaler ervan (vergelijk in zekere mate met bvb. HvJ, …, 18.5.2017, inzake L." UAB tegen V. m. i. p. L. R. f. m., in tegenwoordigheid van: K. a. v. m. i., cijfer 39, vindplaats http://curia.europa.eu).
Deze omstandigheden dienden de appellante tot grote voorzichtigheid aan te zetten, en meer bepaald eraan te doen twijfelen of het voertuig wel bestemd was voor export binnen de Unie, voorwaarde om de vrijstellingregeling te kunnen toepassen met de facto een vermindering van de totale prijs met … EUR BTW (21 %). Bij de afweging tussen het realiseren van winst op de verkoop tegenover het frauderisico, diende de appellante ervoor te kiezen om het frauderisico te vermijden.
Zo het nagaan van het bestaan en de geldigheid van het op de verkoopovereenkomst vermelde BTW-nummer van Z. M., evenals het nemen van een fotocopie van de identiteitskaart van de afhaler van het voertuig, stappen in de goede richting zijn, zijn deze nochtans ontoereikend om voldoende zekerheid te hebben dat het voertuig op de voorbeschreven wijze zou worden uitgevoerd.
Gelet op de voormelde omstandigheden kan zonder meer niet aanvaard worden dat de appellante te goeder trouw zou geweest zijn, in zoverre zou moeten aangenomen worden dat dit dan zou inhouden dat de bewijslast van de appellante wat de uitvoer betreft zou verlicht worden.
In de veronderstelling dat uit een grondiger strafonderzoek en uit stukken van de geïntimeerde uit andere fraudedossiers zou blijken dat de appellante slachtoffer werd van (Poolse) oplichters, dan neemt dit nog steeds niet weg dat de appellante niet het bewijs zal leveren dat het door haar verkochte voertuig op de voorbeschreven wijze werd uitgevoerd.
Het is dan ook niet dienend aan de geïntimeerde te bevelen stukken uit andere fraudedossiers voor te leggen en in afwachting de behandeling van de zaak te schorsen.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis;
Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt:
aan de zijde van de appellante: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent,
VIJFDE KAMER, zitting houdende in fiscale zaken, van 16 januari 2018.
Aanwezig:
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.