Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 30.11.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
AR 01/6596/A
fiscaal geschil - BTW
Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak
Inzake van :
De BVBA F. T. EN D., met maatschappelijke zetel te …, … en ingeschreven in het HR te Oostende onder het nummer ….
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. B. V. D. K. loco Mr. R. T., advocaat met kantoor te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer waarnemend eerstaanwezend inspecteur/ontvanger van het 1ste BTW-ontvangkantoor te Brussel, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Kantersteen 47,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. N. D., advocaat met kantoor te …, ….
In deze zaak, in beraad genomen op 9 november 2001, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van art. 1385decies Ger. W van eiseres, neergelegd ter griffie op 28 mei 2001;
- de “besluiten, tweede en derde besluiten en besluiten" van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 4 september 2001, op 10 oktober 2001, op 5 november 2001 en op 8 november 2001;
- de "besluiten en aanvullende besluiten" van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 27 september 2001 en op 19 oktober 2001.
Eiseres vraagt de wering van de tweede aanvullende besluiten van verweerder niet, maar wel de wering van de (laatste) besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 8 november 2001.
Verweerder vraagt de wering van de laatste besluiten van eiseres niet.
De rechtbank stelt vast dat de laatste besluiten van verweerder buiten de termijnen van de tussen partijen afgesproken minnelijke agenda met conclusietermijnen werden neergelegd, en dat deze inderdaad dienen te worden geweerd.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 9 november 2001, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN
De BVBA F. T. en D., huidige eiseres, is geregistreerd als depothouder van een entrepot anders dan een douane-entrepot voor de opslag van minerale oliën.
Tussen 8 januari 2001 en 31 januari 2001 heeft de vennootschap SPRL C. P. brandstof geleverd aan derden vanuit het entrepot van de BVBA F. T. en D. voor een bedrag van 36.374.108 108 F. vermeerderd met de BTW ten belope van 7.638.564 F.
Volgens proces-verbaal van de BBI te Namen van 22 februari 2001 en het bijkomend proces-verbaal van 17 april 2001, heeft de SPRL C. P. de BTW niet voldaan aan de Belgische Staat, huidig verweerder, binnen de daarvoor voorziene termijn.
Op 25 april 2001 werd lasten, de BVBA F. T. en D. een dwangbevel uitgevaardigd, dat op dezelfde dag werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, en dat werd berekend mee bevel tot betaling bij gerechtsdeurwaardersexploot van 16 mei 2001.
In haar dwangbevel en in het bijkomend proces-verbaal van 17 april 2001 steunt de BTWadministratie zich op art. 51bis, § 3 W.BTW om het bedrag van de niet-betaalde BTW ten bedrage van 7.638.564, te vorderen van de BVBA F. T. en D..
Op 21 mei 2001 werd tot zekerheidstelling van de betaling van voormeld bedrag aan BTW uitvoerend beslag op roerend goed gelegd lastens de BVBA F. T. en D..
Hiertegen werd op verzoek van de BVRA F. T. en D. bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 mei 2001 verzet aangetekend, met dagvaarding voor de beslagrechter te Brugge.
Op 28 mei 2001 legde de BVBA F. T. en D. een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank
III. IN RECHTE
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiseres vraagt :
- in hoofdorde – haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens te horen zeggen voor recht dat aan haar betalingstermijnen worden toegekend.
- in ondergeschikte orde – de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof.
“Schendt art. 84 van het BTW-Wetboek in de interpretatie dat zij de exclusieve bevoegdheid tot het toestaan van de betalingstermijnen aan de Minister van Financiën toekent, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij aan de belastingplichtige de mogelijkheid ontneemt zich tot een rechter te wenden teneinde voor de aanzuivering van de BTW-schulden betalingstermijnen te kunnen bekomen, daar war een schuldenaar zich wel tot een rechter kan wenden inzake de aanzuivering van een burgerlijke schuld (art. 1244 B.W. en 1334 Ger. W.)”
Of meer in het algemeen : “Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, doordat m.b.t. de aanzuivering van fiscale schulden de rechter geen bevoegdheid zou hebben om betalingstermijnen te mogen toekennen, daar waar m.b.t. de aanzuivering van burgerlijke schulden een rechter deze bevoegdheid wel heeft ?”.
Tenslotte vraagt eiseres het te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
Verweerder vraagt het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar in al haar eisen af te wijzen.
Verder vraagt verweerder het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad spijts elk rechtsmiddel en zonder borgstelling noch kantonnement.
B. BEOORDELING
1) Wat de vordering van eiseres in hoofdorde betreft
1.1. In hoofdorde verzoekt eiseres de rechtbank haar betalingstermijnen toe te kennen op grond van de artikelen 1244 B.W. en 1334 Ger. W.
Zij stelt dat zij in casu geen schuldenaar is van de BTW, nu zij niet zelf goederen heeft verkocht waarvoor de ontvangen BTW dient te worden afgedragen aan de Belgische Staat, maar dat zij wordt aangesproken als hoofdelijk aansprakelijk depothouder. Hiermee rekening houdend, alsook met het feit dat zij momenteel tijdelijk liquiditeitsproblemen heeft, vraagt zij betalingstermijnen toe te staan.
Volgens haar bestaat er geen enkele wettelijke bepaling die verbiedt dat de rechter inzake schulden die voortvloeien uit het W.BTW betalingstermijnen zou toestaan, wel integendeel. Zo hebben de artikelen 1244 B.W. en 1334 Ger W. een algemene draagwijdte en maken zij geen onderscheid naargelang de aard van de schuld, privé of publiek. noch naargelang de oorzaak van de schuld.
Verder werd voldaan aan de in art. 1334 Ger. W. opgenomen voorwaarde dat in geval van tenuitvoerlegging de aanvraag tot het verkrijgen van uitstel van betaling (op straffe van verval) werd gedaan binnen de 15 dagen te rekenen vanaf het bevel indien de tenuitvoerlegging of het beslag plaats heeft krachtens een andere authentieke akte dan een vonnis, nu in casu het bevel tot betalen dateert van 16 mei 2001 en het verzet tegen het beslag met verzoek tot uitstel van betaling werd berekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 mei 2001.
Volgens eisers zijn, krachtens art. 2 Ger. W., de in dat wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.
Uitgangspunt is dat de beginselen van het gemeen recht het fiscaal recht beheersen, zolang dit laatste er niet van afwijkt (zie : Cass., 9 juli 1931, Pas., 1931, I, 218; Cass., 7 juni 1934, Pas., 1934, I, 310; Cass., 21 september 1978; Pas., 1979, I, 104; Cass., 23 november 1989, Arr. Cass., 1989-1990, 414; Bull. Bel., 1992, 2281; N.F.M., 1990, 268; Pas., 1990, I, 367; Rev. Not. B., 1990, 161; Antwerpen, 26 mei 1979, A.F.T., 1981, 109; Luik, 16 april 1980, A.F.T. 1980, 147; Brussel, 20 mei 1999, T.F.R., 1999, 885).
Naar het oordeel van de rechtbank wijkt het fiscaal recht in deze af van het gemeen recht, nu het dwingende rechtstermijnen voorschrijft waarbinnen eiseres de door haar als hoofdelijke aansprakelijke entrepothouder verschuldigde BTW dient te voldoen.
Niettegenstaande de algemene aard van art. 1334 Ger. W. kan de rechtbank derhalve een uitstel van betaling niet in de plaats stellen van rechtstermijnen die werden vastgelegd in voorschriften van openbare orde (zie : Luik, 6 mei 1993, F.J.F., 1994, nr. 94/44, p. 97, Brussel, 18 oktober 1993, BTW-Revue, 1995, 241; J.T., 1994, 250; Rec. Gén. Enr. Not., 1994, nr. 24.401, p. 403; Luik, 5 mei 1994, Act. Dr., 1996, 57). Om dezelfde reden vindt art. 1244 B.W. geen toepassing in fiscale zaken (zie : Antwerpen, 8 februari 1993, F.J.F., 1994, nr. 94/48, p. 102; Brussel, 18 oktober 1993, voormeld). Enkel de minister van Financiën vertegenwoordigd door de ambtenaren-belastingontvangers) kan op grond van betaling van de BTW toekennen (zie : Brussel, 18 oktober 1993, voormeld). Het zijn dan ook deze ambtenaren-belastingontvangers die hun invordering vrij en onder hun verantwoordelijkheid organiseren (zie : Luik, 5 mei 1994, voormeld).
Derhalve treedt de rechtbank verweerder bij, wanneer hij stelt dat art. 1244 B.W. een privaatrechtelijke verhouding regelt, daar war een belastingschuld een publiekrechtelijke verhouding betreft.
1.2. Verder roept eiseres in dat, aangezien de figuur van de “hoofdelijke aansprakelijkheid” een rechtsfiguur is die wordt gedefinieerd in het B.W. (meer bepaald in de artikelen 1200 en volgende daarvan), de vordering van de BTW-administratie ten aanzien van haar in feite een burgerlijke vordering uitmaakt ten aanzien van een persoon die geen belastingschuldige is.
De rechtbank gaat op dit punt niet akkoord met eiseres, en meent dat de vordering van de BTW-administratie ten aanzien van eiseres geen burgerlijke vordering is. Deze vordering vindt immers haar oorsprong in een bepaling uit het W.BTW, meer bepaald in art. 51bis, § 3 daarvan. De omstandigheid dat de rechtsfiguur van de ”hoofdelijke aansprakelijkheid” wordt gedefinieerd in het B.W., verandert de aard van deze vordering niet, en maakt daarvan in generlei mare een burgerlijke vordering. Opnieuw kan in dat verband worden verwezen naar het uitgangspunt dat de beginselen van het gemeen recht het fiscaal recht beheersen, zolang dit laatste er niet van afwijkt. Nu het W.BTW geen eigen definitie bevat van “hoofdelijke aansprakelijkheid”; dient voor deze notie te worden teruggegrepen naar het B.W., maar dit maakt de vordering, waarop de hoofdelijke aansprakelijkheid betrekking heeft, nog niet tot een burgerlijke vordering.
Overigens zou de situatie in casu niet verschillend zijn geweest, mocht de vordering toch een burgerlijk karakter hebben.
Immers, art. 1244 B.W. is enkel van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst (zie : Cass., 13 september 1977, Arr. Cass., 1078, 45, Pas., 1978, I, 41; R.W., 1977-78, 1706). In casu ontbreekt elke overeenkomst tussen partijen.
1.3. De rechtbank komt derhalve tot het besluit dat zij onder rechtsmacht is om betalingstermijnen toe te kennen.
2) Wat de vordering van eiseres in ondergeschikte orde betreft
In ondergeschikte orde vraagt eiseres een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat art. 1244 B.W. geen toepassing kan vinden in fiscale aangelegenheden, en er door de rechtbank in dat verband geen termijnen kunnen worden toegekend, is eiseres van oordeel dat de artikelen 10 en 11 G.W. worden geschonden, nu de rechtbank wel bevoegd is om voor burgerlijke schulden betalingsfaciliteiten toe te staan.
Eiseres is van oordeel dat er geen enkele objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor deze onderscheiden en volkomen ongelijke behandeling tussen de aanzuivering van burgerlijke schulden en van fiscale schulden.
Eiseres verwijst naar een aantal arresten van het Arbitragehof (zie : arrest nr. 79/98 van 7 juli 1998, BS 29 september 1998; arrest nr. 119/98 van 18 november 1998, BS 20 januari 1999; arrest nr. 55/99 van 26 mei 1999, BS 15 september 1999) waarin het Hof zich heeft uitgesproken over de inhouding door de Belgische Staat van BTW-tegoeden die gelden als bewarend beslag onder derden in het kader van art. 76, § 1 W.BTW en art. 8, § 3 van het KB nr. 4 en waar de beslagrechter krachtens de uitdrukkelijke bepalingen van het artikel geen daadwerkelijke toetsing van de regelmatigheid van het bewarend beslag kon uitoefenen, dit in tegenstelling tot de gemeenrechtelijke beslagprocedures, en waarin het Arbitragehof tot het besluit kwam dat art. 76, § 1 W.BTW de artikelen 10 en 11 G.W. schendt in zoverre het ertoe leidt dat aan personen die het voorwerp uitmaken van een inhouding, iedere daadwerkelijke toetsing van de regelmatigheid van de inhouding wordt ontzegd, toetsing die wel mogelijk is in het kader van een gemeenrechtelijke beslagprocedure tussen twee particulieren.
De omstandigheid dat bepaalde motieven uit de door eiseres ingeroepen arresten van het Arbitragehof ook in onderhavig geval zouden kunnen gelden, neemt niet weg dat de vragen die in deze arresten aan het Arbitragehof werden gesteld niet hetzelfde voorwerp hebben. Derhalve kan de rechtbank zich niet zonder meer op de door eiseres ingeroepen arresten van hei Arbitragehof steunen (zie : Cass., 31 januari 2000, F.J.F., 2000, nr. 2000/64, p. 192)
Verder meent de rechtbank dar uit hetgeen hiervoor onder 1.1 werd uiteengezet, duidelijk blijkt dat de rechtstoestand van een belastingschuldige ten aanzien van de Belgische Staat duidelijk verschilt van de verhouding tussen een gewone schuldenaar en zijn schuldeiser. zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake kan zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel, waarvan sprake in de artikelen 10 en 11 G. W.
Derhalve bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof.
3) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg noch kantonnement
Nu beide partijen de uitvoerbaarheid bij voorraad van het russen te komen vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg noch kantonnement vragen, meent de rechtbank dat op hun gezamenlijk verzoek kan worden ingegaan.
Beschikkend gedeelte
0M DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.
Verklaart zich zonder rechtsmacht om betalingstermijnen toe te kennen, zoals gevorderd door de BVBA F. T. en D. in hoofdorde.
Verklaart de vordering van de BVBA F. T. en D., zoals geformuleerd in ondergeschikte orde, ontvankelijk, doch wijs, ze af als ongegrond.
Veroordeelt de BVBA F. T. en D. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 13.200 F. (rechtsplegingsvergoeding) en ten aanzien van haarzelf op 13.200 F. (rechtsplegingsvergoeding).
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg noch kantonnement.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 30 november 2001
Waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer V., alleenrechtsprekend rechter,
mevrouw V., adjunct-griffier
V. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.