Voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 14 juni 2006

Zoeken

Voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-rechtbank-antwerpen-2006-06-14-aecb

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
14 juni 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

65 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.06.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 05/3612/A

G. BVBA, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met vennootschapszetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester L. D. loco meester J. D. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de belastingen over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. E. te … op 1 juni 2005,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 30 januari 2006,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 mei 2006.


De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat het dwangbevel Reg. 127/2455, uitgevaardigd op 13 april 2005 en uitvoerbaar verklaard op 14 april 2005, ongegrond is, dienvolgens verweerder voor zover als nodig te veroordelen tot de terugbetaling van de eventueel onder alle voorbehoud betaalde overbelastingen met inbegrip van aankleven, intresten, boetes, belastingen enz., te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf datum van betaling tot op het ogenblik van de effectieve terugbetaling van deze dommen door verweerder aan eiseres, het bestreden dwangbevel te vernietigen en ontheffing te verlenen van de in het dwangbevel vervatte belastingen, minstens deze te herleiden als naar recht, en verweerder tevens te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Bij notariële akte van 24 september 2003 werd eiseres opgericht.

Op 16 oktober 2003 deed eiseres een aanvraag voor inschrijving in de kruispuntbank voor ondernemingen.

Op 18 februari 2004 werd aan eiseres bericht dat zij ingeschreven was in de kruispuntbank voor ondernemingen en werd haar ondernemingsnummer medegedeeld : dezelfde dag heeft eiseres een aanvraag ingediend bij de BTW-administratie tot activering van het BTW-nummer.

Bij aangetekende brief van 23 februari 2004 heeft de BTW-administratie eiseres bericht dat met ingang van 1 februari 2004 haar ondernemingsnummer werd geactiveerd als BTW-identificatienummer en dat zij haar eerste BTW-aangifte (over het eerste kwartaal 2004) moest indienen voor 20 april 2004.

Ingevolge een BTW-controle van 12 en 13 februari 2004 werd vastgesteld dat eiseres reeds in het vierde kwartaal 2003 verkoopfacturen had opgesteld voor een bedrag van 70.041,05 EUR + 12.268,75 EUR BTW.

Voornoemde verkoopfacturen van het vierde kwartaal 2003 heeft eiseres opgenomen in haar BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2004, die werd ingediend in april 2004, en de hierop verschuldigde BTW werd alsdan voldaan.

Volgens het proces-verbaal van 8 februari 2005 en het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 13 april 2005, is eiseres voor het vierde kwartaal 2003 verschuldigd :

- BTW : 12.268,75 EUR

- Geldboete : 2.450,00 EUR

- intrest van 0,80% per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2004

- moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt van de betekening van het dwangbevel

- vervolgingskosten.

Beoordeling

Betreffende de verschuldigde BTW

Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres de verschuldigde BTW heeft voldaan zodat deze niet meer verschuldigd is, hetgeen door de raadsman van verweerder werd erkend op de terechtzitting van 17 mei 2006 en geacteerd werd op het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen.

Betreffende de geldboete en de intresten

Krachtens artikel 33, § 1 van de Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen zijn alle handels- en ambachtsondernemingen verplicht om zich vóór de aanvang van hun activiteiten in deze hoedanigheid te laten inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen bij een ondernemingsloket naar keuze.

Verder bepaalt artikel 1 van KB nr. 10 van 29 december 1992 dat eenieder, vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de BTW, daarvan aangifte moet doen op het controlekantoor van de BTW dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd.

Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres haar activiteiten heeft aangevangen op 24 september 2003, doch in strijd met voornoemd artikel 33, § 1 van de wet van 16 januari 2003 heeft zij slechts op 16 oktober 2003 een aanvraag gedaan voor inschrijving in de kruispuntbank voor ondernemingen.

Bijgevolg is eiseres zelf verantwoordelijk voor het feit dat zij slechts met ingang van 1 februari 2004 werd geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige.

In strijd met voornoemd artikel 1 van KB nr. 10 van 29 december 1992 heeft eiseres een economische activiteit uitgeoefend zonder hiervan voorafgaandelijk een aangifte te doen op het bevoegde BTW-controlekantoor.

De overtredingen tegen de BTW-wetgeving zijn dan ook bewezen.

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW wordt echter volledige kwijtschelding van de geldboeten verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie.

Te dezen dient echter te worden opgemerkt dat de overtredingen werden vastgesteld ingevolge een BTW-controle van 12 en 13 februari 2004 en dat eiseres haar toestand slechts in april 2004 heeft rechtgezet door de verkoopfacturen van het vierde kwartaal 2003 te hebben opgenomen in haar BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2004 en door de hierop verschuldigde BTW alsdan te hebben voldaan; bovendien dient te worden opgemerkt dat eiseres slechts ná voornoemde BTW-controle van 12 en 13 februari 2004 de aangifte van de aanvang van een werkzaamheid heeft ingediend, namelijk op 18 februari 2004, en slechts dan heeft eiseres aan de BTW-administratie 24 september 2003 opgegeven als datum van de aanvang van de werkzaamheid.

De overtredingen werden door de BTW-administratie vastgesteld ingevolge de BTW controle van 12 en 13 februari 2004 en slechts later is eiseres tot regularisatie overgegaan zodat er geen sprake is van een spontane rechtzetting en eiseres dan ook geen aanspraak kan maken op de toepassing van voornoemd artikel 3 van het KB nr. 41.

Het kan de administratie niet verweten worden dat zij in haar aangetekende brief van 23 februari 2004 heeft medegedeeld dat eiseres haar eerste BTW-aangifte moest indienen voor 20 april 2004; de administratie kon vanzelfsprekend niet veronderstellen dat eiseres - in strijd met voornoemd artikel 1 van KB nr. 10 van 29 december 1992 - haar economische activiteit had aangevangen vooraleer hiervan aangifte te hebben gedaan op het bevoegde BTW-controlekantoor; bovendien dient te worden opgemerkt dat de administratie in voornoemde brief van 23 februari 2004 uitdrukkelijk vermeldde "over het eerste kwartaal 2004”, terwijl te dezen de verkoopfacturen betrekking hebben op het vierde kwartaal 2003.

De opgelegde geldboete is wettelijk en de rechtbank is van oordeel dat deze geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Aangezien de verschuldigde BTW over de verkoopfacturen van het vierde kwartaal 2003 voor 20 januari 2004 diende voldaan te worden, hetgeen eiseres niet deed, is zij dan ook intresten verschuldigd.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Krachtens artikel 92bis W.BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Verklaart het dwangbevel, Reg. 127/2455, uitgevaardigd op 13 april 2005 en uitvoerbaar verklaard op 14 april 2005, van nul en generlei waarde in de mate dat 12.268,75 EUR BTW wordt gevorderd.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge ingehouden en/of toegerekende bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.

Veroordeelt eiseres en verweerder ieder tot de helft van de kosten van het geding tot op heden door :

- eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op de helft van 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding,

- verweerder begroot op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op de helft van 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

N. D. P. W.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 10 art. 13 voorkomens
KB nr. 41 art. 32 voorkomens