Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 8 april 2002

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2002-04-08-3f13

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
8 april 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

49 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 08.04.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op acht april tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 00/5401/A

NV T., ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, voorheen met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, thans met maatschappelijke zetel te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester C. H. loco meester M.-C. C., advocaat. kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 september 2000,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 maart 2002.


Feiten en voorgaande

Bij eiseres gebeurde er kort na midden 1999 op niet nader bepaalde datum een BTW-gerichte controle van de boekhouding over de periode 28 augustus 1998 tot en met 30 juni 1999, wat leidde tot een niet gedateerde correctieopgave die per 31 augustus 1999 werd verzonden aan eiseres (stuk 1 eiseres).

De correctieopgave behelsde deels vastgestelde 'overdreven aftrek ten gevolge van materiële vergissingen, deels vastgestelde niet aangifte van omzethandelingen.

Eiseres stuurde deze correctieopgave voor akkoord ondertekend terug naar de controledienst, maar voegde tegelijk een gemotiveerd verzoek toe tot kwijtschelding van de van rechtswege opgelopen boete (stuk 2 eiseres), verzoek dat ook werd gericht aan de directie (stuk 3 eiseres).

Bij zijn beslissing van 19 juni 2000 verwees de directeur naar een reeds op controleniveau gebeurde herleiding van de boete, waar 'reeds in zekere mate rekening (werd) gehouden met het toevallige karakter van de begane onregelmatigheden of het feit dat zij te wijten zijn aan onwetendheid, vergissing of onachtzaamheid'.

Hij voegde er echter aan toe dat rekening werd gehouden 'met uw vlotte medewerking ten aanzien van de regularisatie van de toestand en gelet op het feit dat aangenomen wordt dat het niet opnemen van de belastbare handelingen in kwestie uitsluitend te wijten is aan een vergetelheid zodat kwaad opzet in ieder geval moet worden uitgesloten'.

Op deze laatste gronden halveerde hij onder toepassing van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 de 20 % boete op de niet aangegeven omzet tot 10 %, en behield hij voor het overige de 10 % boete op de ten onrechte in aftrek gebrachte bedragen.

Eiseres legde op 18 september 2000 een verzoekschrift tot inleiding van de voorliggende vordering neer ter griffie.

Onderzoek en beoordeling

Verweerder doet gelden dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van eiseres tot kwijtschelding dan wel tot vermindering van de boete, wat in hoofde van verweerder impliciet maar zeker moet worden gelezen als een ontkenning van rechtsmacht in hoofde van de rechtbank met betrekking tot de voorgelegde vordering tegen de beslissing waarin werd beslist op grond van wat in het vermelde Regentsbesluit is bepaald.

Eiseres stelt dat de rechtbank volledige rechtsmacht heeft om te oordelen over de boete die een administratieve sanctie vormt, en doet daarbij impliciet maar zeker gelden dat het dan de rechtbank van eerste aanleg is die daartoe de bevoegdheid heeft.

Verweerder wijst er op dat in het tweede lid van artikel 84 Wetboek BTW de zinsnede "... beslist over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten en ...” werd afgeschaft door artikel 57 van de Wet van 15 maart 1999.

Eiseres verkoos een verzoek tot kwijtschelding of vermindering in te dienen bij de directeur van de BTW, welke laatste als lid van de uitvoerende macht op het hem voorgelegde verzoek inging op de enige wijze die het verzoek voor hem nog kon bieden, met name de lezing van het verzoek als een verzoek onder artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, en die een beslissing nam op grond van dat Regentsbesluit.

De door de directeur voor hem enige juist mogelijke lezing van het aan hem gerichte verzoek, belet echter geenszins de belastingplichtige om beroep te doen op de volle rechtsmacht van de rechtbank om te oordelen over de concrete aangepastheid van de werkelijk opgelegde boete aan de feitelijke gegevens en omstandigheden van de zaak.

Zulks geldt zelfs al richtte de belastingplichtige zich tevoren met een formeel verzoek tot de belastingadministratie (met aan het hoofd de Minister) die geen zulke volle rechtsmacht bezit, maar die enkel een uitzonderlijke wettelijke discretionaire beslissingsmacht bezit onder het meer vermelde Regentsbesluit.

Uit het geheel van de gegevens die aan de rechtbank werden voorgelegd blijkt dat een ongewilde samenloop van de indienstneming van een nieuwe kracht met de vakantieperiode, de jammerlijke oorzaak is geworden van de onjuistheden die zich hebben voorgedaan, met name de niet-opname van omzet in de periodieke aangifte voor de juiste periode.

Hoewel een belastingplichtige de gevolgen moet dragen van zijn bedrijfsorganisatie, stelt de rechtbank te dezen vast dat een en ander is voorgevallen buiten de wil van eiseres en dat zij prompt en onvoorwaardelijk heeft meegewerkt aan de rechtzetting, die bestaat in de correcte voldoening van de fiscale schuld.

Enerzijds volgde de niet-aangifte van omzetbestanddelen uit feitelijk onbesef, en anderzijds blijkt de verrichte overdreven aftrek, naar eigen omschrijving van de correctieopgave, zijn oorzaak te vinden in materiële vergissingen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de overgebleven 10% boete op elk van deze beide onregelmatigheden dient te vervallen, nu de oorzaken ervan weliswaar geen overmacht in de enge betekenis van het woord vormen, maar toch wel buiten de bedoelingen van eiseres zijn gelegen.

Het is bij dit alles vanuit de feiten voor de rechtbank duidelijk dat bij eiseres steeds de bedoeling heeft voorgelegen om op correcte wijze de belastingwet toe te passen.

Er is reden om de kosten niet volledig ten laste van verweerder te leggen, maar ze te verdelen, nu de boete in beginsel van rechtswege verschuldigd was door loutere wetstoepassing, en de belastingdienst daarvan in het stadium van taxatie niet kon afzien.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en gegrond.

Verleent kwijtschelding van het in hoofde van eiseres na de beslissing van 19 juni 2000 nog overblijvende gedeelte van de administratieve boete.

Veroordeelt elke partij tot de helft der kosten van het geding, en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om, deze laatste door de rechtbank in hoofde van beide partijen vereffend op 163,61 EUR.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 841 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8