Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 07.02.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF VAN BEROEP GENT, 13e Kamer – Terechtzitting van 7/2/2001
onontvankelijk - BTW
1997/A/840
In de zaak van :
V. R. N., voorheen friture-uitbaatster, wonende te …, …
thans wonende te …, …;
appellante,
hebbende als raadsman Mr. B. A., advocaat te …, …;
tegen :
BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman Mr. D. C., advocaat te …, …
Velt het Hof het volgend arrest :
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 28 maart 1997 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 13 januari 1997 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer. Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De geïntimeerde roept in de eerste plaats in dat het hoger beroep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan consignatie.
Met aangetekende brieven d.d. 4 juni 1997 en 3 oktober 1997 werd, op grond van art. 92, tweede lid (oud) BTW-Wetboek, consignatie gevraagd van de verschuldigde bedragen.
De administratie is het erover eens dat het eerste verzoek niet afdoende en juist werd gemotiveerd, zodat daaromtrent geen verder onderzoek meer nodig is.
Tussen de partijen bestaat geen betwisting meer over het feit dat de bevoegdheid welke bij het voormeld artikel 92 aan de ontvanger werd verleend, een discretionaire, en geen gebonden, bevoegdheid is en dat de ontvanger het verzoek moet motiveren.
De geïntimeerde wijst er terecht op dat de rechter zich niet in de plaats mag stellen van de ontvanger om te oordelen over de opportuniteit van de vraag tot consignatie, maar dat hij enkel kan nagaan of het verzoek gemotiveerd en rechtmatig is; de ingeroepen argumenten moeten de beslissing kunnen verantwoorden.
In het verzoek tot consignatie werd door de ontvanger gesteld dat het hoger beroep dilatoir werd geacht omdat geen argumenten werden ingeroepen welke niet reeds door de eerste rechter ongegrond werden bevonden en dat de rechten van de Schatkist “op geen enkele andere manier en in dezelfde mate veilig (konden) gesteld worden dan door de toepassing van artikel 92, tweede lid van het BTW-Wetboek, daar U de beroepswerkzaamheid als BTW-belastingplichtige hebt stopgezet en gezien U, blijkens de voorhanden zijnde gegevens, geen eigenaar bent van enig onroerend goed, dat vatbaar is voor een inschrijving van de wettelijke hypotheek overeenkomstig artikel 86 van het BTW-Wetboek. Er is wel een hypothecaire inschrijving gebeurd op het onroerend goed die zich voor de scheiding met B. D. in de gemeenschap bevond. Dit onroerend goed is nu eigendom van B.D.. Echter geldt deze hypothecaire inschrijving niet als waarborg tegenover de boeten en interesten, een consignatie van de verschuldigde sommen is dus noodzakelijk””;
In toepassing van het (oud) art. 92, tweede lid BTW-Wetboek, werd aan de ontvanger niet opgedragen rekening te houden met de financiële mogelijkheden van de belastingplichtige en de appellante heeft tegenover de ontvanger ook geen onmogelijkheid tot betalen aangevoerd. Deze onmogelijkheid wordt pas ingeroepen in conclusies voor het Hof.
De appellante toont ook niet aan dat de hypothecaire inschrijving een voldoende waarborg zou zijn voor de schulden ten overstaan van de administratie ingevolge de betwiste aanslag. Zij stelt wel terecht dat te dezen geen rekening kan gehouden worden met BTW-schulden welke zouden blijken uit latere controles en waarover de eerste rechter niet heeft geoordeeld; de motieven die het verzoek tot consignatie wettigen moeten immers in dit verzoek zelf worden aangegeven.
Nu het bestreden vonnis uitvoerig werd gemotiveerd, het verzet van de appellante tegen de ambtshalve aanslag volledig ongegrond werd verklaard, en de appellante in de beroepsakte geen nieuwe middelen heeft ingeroepen, kon de ontvanger ook redelijkerwijze aannemen dat het hoger beroep louter dilatoir was.
Het verzoek tot consignatie was afdoende gemotiveerd en de onjuistheid van de aangevoerde motieven wordt niet aangetoond; het verzoek was derhalve niet willekeurig.
Het Hof kan de gegrondheid van de door de appellante (in de beroepsakte) ingeroepen motieven niet onderzoeken om te oordelen over het al dan niet dilatoir karakter van het hoger beroep omdat dit er zou toe leiden dat eerst (minsten prima facie) de “gegrondheid” van het hoger beroep zou moeten onderzocht worden alvorens de “ontvankelijkheid” ervan te kunnen beoordelen.
Uit wat voorafgaat volgt dat het hoger beroep geen gevolgen kan hebben wegens gebrek aan consignatie.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk wegens gebrek aan consignatie.
Veroordeelt de appellante tot de kosten van deze aanleg en zegt dat de kosten in haren hoofde niet dienen begroot te worden daar ze eigen blijven en begroot deze in hoofde van de geïntimeerde op … F rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, DERTIENDE KAMER, rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 7 FEBRUARI TWEEDUIZEND EN EEN, door :
Alleensprekend Kamervoorzitter, L. G.,
Bijgestaan door griffier C. S.,
S. G.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.