Verjaringen, Fraudetermijn, Voorafgaande kennisgeving Belasting over de toegevoegde waarde · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 17 juni 2023

Zoeken

Verjaringen, Fraudetermijn, Voorafgaande kennisgeving Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-fraudetermijn-kennisgeving-belasting-toegevoegde-hof-van-beroep-gent-2023-06-17-d98e

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
17 juni 2023

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

216 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.06.2023

WF 708-15-20/072339

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Verjaringen – Fraudetermijn – Voorafgaande kennisgeving

Belasting over de toegevoegde waarde – Boete

Belasting over de toegevoegde waarde - Betalingsfaciliteiten

Wettelijke bepalingen

Artikel 81bis, § 1, 2de lid, 4°, artikel 84ter en artikel 70, § 1 WBTW

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

Tijdens een controle werd vastgesteld dat de omzet van appellante die werd aangegeven in de btw-aangiften systematisch lager was dan de werkelijke omzet. Aan appellante werd kennisgegeven dat op grond van artikel 84ter WBTW de verjaringstermijn werd uitgebreid. De inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal.

Bij verzoekschrift van 24 november 2020 stelde de appellante haar vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, ter bestrijding van de voornoemde belastingschuld en boete.

De eerste rechter oordeelde dat de vordering door appellante toelaatbaar doch ongegrond was. Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld.

2. Het arrest van het hof van beroep

a. Verjaring

Het systematisch, jarenlang volgehouden en doelgericht karakter van het handelen van de appellante laten over haar intenties geen twijfel bestaan. De redenering volgens dewelke de appellante zich niet bediend zou hebben van valse stukken of frauduleuze mechanismes, de fraude eenvoudig te ontdekken zou zijn geweest ingevolge vergelijking tussen de cijfers in de jaarrekeningen en de cijfers in de btw-aangiftes en er geen bijzondere graad van organisatie inzake de fraude aan de dag gelegd zou zijn, doet geen afbreuk aan het bestaan van het bedrieglijk opzet in hoofde van de appellante en is niet relevant om te beoordelen of de zevenjarige verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, tweede lid WBTW toepassing vindt.

Het hof oordeelt dat het bedrieglijk opzet in hoofde van de appellante manifest is bewezen en de belastingadministratie terecht toepassing heeft gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn inzake de invordering van de btw en haar toebehoren.

b. Boete

Aan de appellante werd op grond van artikel 70, §1 WBTW een proportionele geldboete van 200% opgelegd. Zij heeft systematisch, jarenlang en doelbewust de omzet in haar btw-aangiftes neerwaarts gemanipuleerd. De ingeroepen verzachtende omstandigheden (met name de vermeende afwezigheid van (het gebruik van) valse stukken of listige kunstgrepen, het weinig verhulde of complexe karakter van de fraude en de spontane regularisatie voor 2016 en 2017) zijn niet van aard om te verhinderen dat de belastingadministratie in het licht van de ernst en de omvang van de fraude naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van 200%.

c. De gevraagde afbetalingsfaciliteiten

De termijnen voor aangifte en betaling inzake btw, zoals het hier toepasselijke artikel 53 WBTW, raken de openbare orde en wijken af van het bepaalde in artikel 1244 oud BW (inmiddels overgenomen in artikel 5.201 BW) dat enkel van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Cass. 13 september 1977, Arr. Cass. 1978, 45). Geen wettelijke bepaling verleent de rechter de bevoegdheid om van deze termijnen af te wijken door bijkomende betalingstermijnen toe te staan voor vervallen btw-schulden (zie Cass. 24 april 2008, F.06.0042.N, via https://juportal.be). Het hof van beroep heeft dus geen rechtsmacht om een uitstel van betaling van (te) vervallen btw-schulden toe te staan.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent, vijfde kamer

Arrest van 27/06/2023

Rol: 2022/AR/559

In de zaak van:

V. BV, 0N 087...63,

met zetel te ...,

appellante,

hebbende als raadsman mr. R. P., advocaat te ... en mr. D. T., advocaat te ...

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, 0N 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. B. T., advocaat te ... en mr. D. C., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 28 maart 2022 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 17 januari 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/2742/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 30 mei 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is sinds 1 oktober 2005 als btw-plichtige geregistreerd voor een activiteit van 'bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed voor een vast bedrag of op contractbasis'. Zij geeft aan te fungeren als consultancyvennootschap en een activiteit te hebben inzake management en commerciële dienstverlening.

In het najaar van 2020 voerde de belastingadministratie een aangekondigde btw-controle uit bij de appellante voor wat betreft de periode van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2019. In het kader van die controle werd, door vergelijking van de voorgelegde boekhouding en de verkoopjournalen met de ingediende btw-aangiften, vastgesteld dat de omzet die werd aangegeven in de btw-aangiften systematisch lager was dan de omzet die was opgenomen in de jaarrekening en dat de btw op de niet-aangegeven omzet niet doorgestort werd. Voor het boekjaar 2018 (balans 31/03) bedroeg het omzetverschil 38.355,21 EUR; voor het boekjaar 2019 (balans 31/03) bedroeg het omzetverschil 112.167,55 EUR. In geen van beide gevallen gebeurde een spontane rechtzetting.

De gevolmachtigde boekhoudster van de appellante werd gevraagd naar de reden voor dit verschil. Zij verklaarde dat zij ieder kwartaal, na het inboeken van de aan- en verkopen en voorafgaand aan het indienen van de btw-aangifte, aan de zaakvoerster van de appellante vroeg of de boekhoudkundige omzet voor hetzelfde bedrag diende te worden opgenomen of diende te worden verminderd. De boekhoudster bezorgde de belastingadministratie een aantal e-mails tussen haarzelf en de zaakvoerster van de appellante (uit 2015, 2016 en 2019) waaruit correspondentie in dat verband bleek. Tevens gaf zij aan dat deze praktijk al jaren aan de gang was, zonder dat zij daar een jaartal kon op plakken.

Nazicht van het permanente dossier van de appellante leerde dat deze praktijk reeds toegepast werd met betrekking tot het boekjaar 2013 (balans 31/3). Er werd vastgesteld dat voor de aanslagjaren 2013, 2014, 2015, 2018 en 2019 het verschil tussen de omzet in de btw-aangiften en de omzet in de aangiften inzake vennootschapsbelasting had geleid tot de niet-betaling van 57.397,99 EUR aan btw.

Een en ander werd opgetekend in een proces-verbaal van vaststellingen van 17 september 2020.

Bij aangetekend schrijven gedateerd op 5 oktober 2020 bracht de belastingadministratie de appellante op grond van artikel 84ter WBTW ter kennis dat zij voornemens was de zevenjarige verjaringstermijn van (het destijds toepasselijke) artikel 81bis, §1, tweede lid, 4' WBTW toe te passen en de invorderingstermijn zodoende uit te breiden naar de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2019. Met betrekking tot de aanwijzingen inzake belastingontduiking wees zij op het systematisch vermelden van een lagere omzet (in ronde bedragen) in de ingediende periodieke btw-aangiften teneinde minder btw te moeten betalen, op de afwezigheid van spontane rechtzetting en op de verklaringen van de boekhoudster.

Op 27 oktober 2020 maakte de belastingadministratie een proces-verbaal van regularisatie op. Daarin werd het bovenstaande relaas inzake de verschillen tussen de omzet vermeld in de jaarrekening en de omzet vermeld in de btw-aangiften hernomen. De inbreuk bestaande uit de onjuiste aangiftes en uit het niet-voldoen van de verschuldigd geworden btw werd formeel vastgesteld voor de periode van 1 april 2012 tot en met 31 maart 2019. Voor de berekening van de verschuldigdheden werd abstractie gemaakt van de aangiftetijdvakken voor de boekjaren 2016 en 2017 (telkens balans 31/03) omdat deze reeds rechtgezet werden ter gelegenheid van een voorgaande controle, alsook van de verschuldigdheden van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 omdat voor die periode de verjaring was ingetreden. De volgende verschuldigdheden werden in rekening gebracht:

- als btw: 48.997,99 EUR

- als proportionele geldboete (200%): 97.995,98 EUR

- als interesten tot en met 20/10/2020: 17.421,12 EUR

Dit proces-verbaal werd aan de appellante ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 27 oktober 2020.

Met een verzoekschrift van 23 november 2020 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Waar zij initieel louter aanstuurde op de integrale vernietiging van het proces-verbaal van 27 oktober 2020, betaalde zij in oktober 2020 de verschuldigde btw inzake de boekjaren 2018 en 2019 ten bedrage van 31.609,78 EUR, waarna zij naast de nietigverklaring van het betreffende proces-verbaal, minstens de opheffing van de erin opgenomen bedragen van 17.388,21 EUR aan btw, 97.995,98 EUR als proportionele geldboete en 17.421,12 EUR aan interesten vorderde. In het vonnis van 17 januari 2022 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge de vordering van de appellante afgewezen, in volgende bewoordingen:

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijnde niet te begroten aangezien ze

haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering yan de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens, het bestreden vonnis van 17 januari 2022 (A.R. 20/2742/A) te vernietigen, dan wel te hervormen;

- In hoofdorde te zeggen voor recht dat het Proces-verbaal d.d. 27 oktober 2020 dient nietig verklaard te worden, minstens de opheffing voor de daar volgende daarin opgenomen bedragen te horen bevelen:

-· 17.388,21 EUR verschuldigde btw

-· 97.995, 98 EUR proportionele geldboete

-· 17.421,12 EUR interesten

- In ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de boete dient

kwijtgescholden dan wel verminderd te worden;

- In nog meer ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat een boete met

uitstel dient te worden opgelegd;

In ieder geval,

- de Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep cf. artikel 1022 Ger.W., te weten EUR 7.500 (het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen), dus een totaal van EUR 15.000 EUR.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen.

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de BTW en de geldboetes verschuldigd naar aanleiding van het proces-verbaal dd. 27.10.2020 geldig werden opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummer 500...14;

Appellante tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, begroot aan de zijde van de Belgische Staat op 7.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en de beoordeling ervan

De appellante betwist niet (langer) de motivering van de kennisgeving van 5 oktober 2020 die door de eerste rechter afdoende werd bevonden. Evenmin betwist zij het bestaan van de onregelmatigheden die werden vastgesteld in de btw-aangiften voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 maart 2019 of de cijfers die door de belastingadministratie in aanmerking genomen worden.

De appellante betwist wel de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn voor de invordering van de verschuldigde belasting, omdat volgens haar het bestaan van fraude in haren hoofde niet bewezen is. Ondergeschikt werpt zij een schending van het evenredigheidsbeginsel op, omdat de opgelegde proportionele geldboete van 200% volgens haar een onredelijke straf is.

4.1. Over de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting

4.1.1. De appellante kadert de onregelmatigheden in de btw-aangiftes in het liquiditeitstekort dat werd veroorzaakt door de opstart van de zusteronderneming C. bv, waarvoor volgens haar op een onhandige manier naar een oplossing werd gezocht. Zij geeft aan dat C. bv werd opgericht in de loop van 2016 en het merk ‘V. J.’ (sportkledij met de focus op kwalitatieve tenniskledij) op de markt brengt. De opstart van de onderneming zou kosten en investeringen inzake het aanleggen van een voorraad, marketing en het opzetten van een website en webshop met zich gebracht hebben. Dientengevolge zouden op het ogenblik dat de btw-aangiften ingediend moesten worden, geen liquide middelen voorhanden geweest zijn om de verschuldigde btw te betalen.

De appellante benadrukt dat zij nooit enige omzet voor de Belgische Staat verborgen gehouden heeft, nu de btw-omzet elk jaar teruggevonden kon worden in de neergelegde jaarrekeningen en het dus vaststond dat de belastingadministratie (die immers aan datamining doet) kennis zou nemen van de omzetverschillen tussen de ingediende aangiften en de cijfers in de jaarrekeningen. De appellante wijst er ook op dat zij, mocht zij echt de bedoeling gehad hebben om belastbare omzet bewust voor de Belgische Staat verborgen te houden, fictieve facturen had kunnen uitschrijven waarvan de waarachtigheid veel moeilijker te verifiëren geweest zou zijn.

De appellante wijst er nog op dat zij de btw spontaan regulariseerde voor wat betreft de boekjaren 2016 en 2017 en dat naar aanleiding van de btw-controle die op deze regularisatie volgde geen geldboete werd opgelegd, noch fraude in aanmerking genomen werd. Zij meent ook dat zij zich steeds coöperatief heeft opgesteld en wijst erop dat zij de verschuldigde btw voor de aanslagjaren 2018 en 2019 inmiddels heeft terugbetaald; dat zij dit niet onmiddellijk na de controle in orde bracht, maar slechts een jaar na het opstellen van het proces-verbaal, zou te wijten zijn aan het Corona-virus.

Kortom, de appellante meent dat de geïntimeerde het bestaan van fraude in haren hoofde niet aantoont.

4.1.2. De geïntimeerde handhaaft zijn standpunt dat de vastgestelde overtredingen niet anders aangezien kunnen worden dan als fraude, begaan met het oogmerk om zichzelf, ten nadele van de Belgische Schatkist, een ongeoorloofd voordeel te bezorgen. Hij wijst erop dat de appellante meerdere malen, over een lange periode en op bewuste en systematische wijze een lagere omzet heeft opgenomen in de btw-aangifte opdat er minder btw zou moeten betaald worden, zodat zij wel degelijk de intentie had om belastingen te ontduiken. Daarvoor is volgens hem niet vereist dat er sprake zou zijn van fictieve facturen, of een btw-carrousel. Hij ziet geen andere verklaring voor het niet aangeven van de verschuldigde btw.

De geïntimeerde werpt ook op dat de appellante allesbehalve omschreven kan worden als een belastingplichtige die voldoet aan haar btw-verplichtingen. Niet enkel diende zij foutieve btw-aangiftes in, maar dit gebeurde sedert 2014 ook laattijdig, ten gevolge waarvan 4 keer een Bijzondere Rekening opgemaakt werd. Ook de correcte btw-aangiftes die de appellante sinds het tweede kwartaal van 2019 indient, zouden voor een groot deel buiten de indieningstermijn plaatsvinden.

De 'spontane regularisatie' in 2018 betreffende de boekjaren 2016-2017 neemt volgens de geïntimeerde de frauduleuze overtredingen voor de andere jaren niet weg en zou ook niet als een verzachtende omstandigheid beschouwd kunnen worden, aangezien de voorgaande jaren bewust niet geregulariseerd zouden zijn, hetgeen onder meer geleid zou hebben tot de verjaring van de niet-aangegeven btw voor 3 kwartalen van 2012. De 'spontane regularisatie' zou vooral aantonen dat de appellante zich al die tijd bewust was van het achterhouden van de verschuldigde btw. Ook de vermeende — volgens de geïntimeerde niet bewezen — financiële problemen kunnen volgens de geïntimeerde geen aanvaardbare reden zijn om overtredingen te begaan op de essentiële btw-verplichtingen.

Vermits de overtreding derhalve begaan werd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, was volgens de geïntimeerde de zevenjarige verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW van toepassing.

4.1.3. Krachtens artikel 81bis, §1 WBTW (zoals ter zake van toepassing) is er in beginsel verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. In afwijking van deze regel is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 is begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (artikel 81bis, §1, lid 2, 4° WBTW).

Het bedrieglijk opzet bestaat uit het verschaffen van een onrechtmatig voordeel aan zichzelf of aan anderen. Het oogmerk om te schaden is de wil om anderen nadeel te berokkenen (zie ook Cass. 20 september 1973, Pas. 1974, I, 310). Het bestaan van een van de beide intenties volstaat. De belastingadministratie draagt dienaangaande de bewijslast.

Ter zake is het bedrieglijk opzet in hoofde van de appellante manifest bewezen.

De inbreuken zelf worden niet betwist. Uit de voorgelegde communicatie met de boekhoudster en uit de geannoteerde ontwerp-aangiften komt duidelijk naar voor dat de appellante, middels het optreden van haar zaakvoerster, instructies gaf om de aangegeven omzet in haar btw-aangiftes te verminderen. Dit gebeurde klaarblijkelijk (minstens soms) in functie van de kaspositie van de appellante. De appellante heeft derwijze gedurende minstens zeven jaren doelbewust de omzet in haar btw-aangiftes neerwaarts gemanipuleerd, teneinde de erop verschuldigde btw niet te moeten afdragen aan de Belgische Staat. Het systematisch, jarenlang volgehouden en doelgericht karakter van het handelen van de appellante laten over haar intenties geen twijfel bestaan en kunnen bezwaarlijk omschreven worden als een onhandige manier om een liquiditeitsprobleem op te lossen. Door haar handelswijze heeft de appellante zich gedurende vele jaren op onrechtmatige en kunstmatige wijze aanzienlijke liquiditeiten verschaft die niet aan haar toekwamen en heeft zodoende de Belgische Staat, dit is de gemeenschap van alle belastingbetalers, benadeeld. De redenering volgens dewelke (1) de appellante zich niet bediend zou hebben van valse stukken of frauduleuze mechanismes, (2) de fraude eenvoudig te ontdekken zou zijn geweest ingevolge vergelijking tussen de cijfers in de jaarrekeningen en de cijfers in de btw-aangiftes of (3) er geen bijzondere graad van organisatie inzake de fraude aan de dag gelegd zou zijn, doet geen afbreuk aan het bestaan van het bedrieglijk opzet in hoofde van de appellante en is niet relevant om te beoordelen of de zevenjarige verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, tweede lid WBTW toepassing vindt.

Noch de rechtvaardigingsgronden die de appellante aanvoert — te weten liquiditeitsproblemen, de opstart van C. bv en de investeringen in het kledingmerk ‘V. J.’ — noch de spontane regularisatie van de btw voor een beperkte periode van twee boekjaren, noch het feit dat zij zich coöperatief opgesteld zou hebben tijdens de controle of de verschuldigde btw voor 2018 en 2019 inmiddels betaald zou hebben, zijn van aard het bedrieglijk opzet in hoofde van de appellante te negeren.

De belastingadministratie heeft terecht toepassing gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn inzake de invordering van de btw en haar toebehoren. De grief van de appellante inzake de verjaring van de invordering voor wat betreft de aanslagjaren 2013, 2014 en 2015 is ongegrond.

4.2. Over de opgelegde geldboete, de mogelijkheid van uitstel en betalingsfaciliteiten

4.2.1. Aan de appellante werd op grond van artikel 70, §1 WBTW een proportionele geldboete van 97.995,98 EUR opgelegd, dit is 200% van de ontdoken belasting.

De appellante verzoekt aan het hof om deze geldboete kwijt te schelden dan wel te verminderen en stelt dat het hof in dat verband (minstens in beperkte mate) een opportuniteitsbeoordeling mag doen. Zij meent dat de feiten niet van aard zijn een proportionele geldboete van 200% te rechtvaardigen en dat de opgelegde geldboete een buitensporige straf (in de zin van artikel 6 EVR) uitmaakt die onevenredig is ten opzichte van de ernst van de feiten en de repressieve en preventieve doelstellingen die er mogelijkerwijze mee bedoeld worden.

De appellante verwijst ook in dit verband naar de opstart van C. bv en het probleem van de groeifinanciering van deze vennootschap, naar de spontante regularisatie die zij deed in 2018, naar haar 'onhandige werkwijze' zonder bedrieglijk opzet en naar de afwezigheid van een bijzonder fraudemechanisme of valse stukken. Zij werpt voorts op dat de grootteorde van de gevorderde geldboete opnieuw ernstige liquiditeitsproblemen zou kunnen doen ontstaan, wat zij als bijzonder onrechtvaardig zou ervaren na de jarenlange opbouw van haar activiteit, investeringen en Covid-19-perikelen. In die zin acht zij het proces-verbaal niet evenredig, omdat geen rekening wordt gehouden met haar concrete economische context.

De appellante wijst er ook op dat niet vereist is dat zij vooraf een verzoek tot kwijtschelding indient bij de Minister van Financiën op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831.

Meer ondergeschikt vordert de appellante, met verwijzing naar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie, dat het hof onderzoekt of haar mogelijks een boete met uitstel opgelegd zou kunnen worden. Minstens zouden er betalingsfaciliteiten toegekend moeten worden. Een geldboete van meer dan 100.000,00 EUR heeft volgens haar sowieso een ontradend effect, zelfs al wordt dit in schijven of uitgesteld betaald.

4.2.2. De geïntimeerde verdedigt dat de geldboete van 200% correct en terecht werd opgelegd.

Volgens hem is de opgelegde geldboete van 200% evenredig met de gepleegde inbreuk. Hij verwijst in dat verband naar de algemene doelstellingen van geldboetes om af te schrikken, maatschappelijke schade te vergoeden en het gedrag van de in gebreke blijvende belastingplichtige te wijzigen, alsook naar de asociale houding van de appellante die bovendien het btw-mechanisme verstoorde en naar het doelbewuste, herhaalde, langdurige en ernstige karakter van de overtredingen. De financiële toestand van de appellante acht hij niet eenduidig en niet aangetoond, zodat daarmee geen rekening gehouden zou kunnen worden bij de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde geldboete.

De geïntimeerde wijst er andermaal op dat het gebruik van valse stukken niet nodig is om te kunnen spreken van fraude en/of het opzet om belasting te ontduiken. Hij meent wel dat de appellante bewust valse aangiften/verklaringen heeft afgelegd door bewust minder omzet op te nemen in haar btw-aangiften.

De geïntimeerde wijst er nog op dat hij niet de mogelijkheid had om de opgelegde geldboete te moduleren, nu de appellante geen verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete op grond van Regentsbesluit van 18 maart 1831 heeft ingediend. De gebondenheid van de belastingadministratie om de opgelegde sanctie te voorzien, moet volgens hem ook door het hof bij de beoordeling in aanmerking genomen worden. In ieder geval zou het hof niet om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kunnen kwijtschelden of verminderen.

Wat betreft het gevraagde uitstel wijst de geïntimeerde erop dat het btw-wetboek niet voorziet in de mogelijkheid om een administratieve sanctie met uitstel toe te kennen. Een uitstel zou in de huidige stand van de wetgeving een volledige kwijtschelding van de geldboete betekenen. Ook de geïntimeerde gaat in op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie in dat verband, om te besluiten dat er geen redenen zijn om uitstel te verlenen, nu de opgelegde geldboete niet onevenredig is met de ernst van de gepleegde inbreuken en de appellante niet bewijst dat er bijzondere omstandigheden in overweging te nemen zijn die een uitstel zouden verantwoorden. Bovendien zou de appellante al van een zeker uitstel genoten hebben door het voeren van de huidige procedure.

Wat betreft de gevraagde betalingsfaciliteiten meent de geïntimeerde dat het hof daartoe onbevoegd is.

4.2.3. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie — zoals ter zake — gevraagd wordt een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6 EVRM te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid in acht moet nemen. Anders dan de appellante voorhoudt, houdt dit toetsingsrecht niet in dat de rechter op grond van een louter subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie onder meer Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N, consulteerbaar via https://juportal.be). Kern van de zaak is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen beschikt de minister op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter. Het feit dat de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentbesluit, belet niet dat de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete met volle rechtsmacht mag toetsen overeenkomstig de hogerop uiteengezette beginselen (vgl. Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N en Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N, via https://iuportal.be). Dit wordt door de geïntimeerde ook niet betwist.

4.2.4. In het kader van het verjaringsdebat onder hoofdstuk 4.1. werd reeds vastgesteld dat het bedrieglijk opzet in hoofde van de appellante manifest bewezen is.

De appellante heeft systematisch, jarenlang en doelbewust de omzet in haar btw-aangiftes neerwaarts gemanipuleerd, teneinde de op die omzet verschuldigde btw niet te moeten afdragen aan de Belgische Staat. Zodoende heeft zij zich jarenlang een kunstmatig krediet verschaft (dat de geïntimeerde berekende op 800,00 EUR per maand), waarvan de belastingbetaler de onwetende geldschieter was. De stelling dat er sprake geweest zou zijn van een tijdelijke situatie, nalatigheid of onhandige werkwijze is niet verenigbaar met de stukken van het dossier en het feit dat deze praktijk jarenlang bewust werd volgehouden. Terecht wijst de geïntimeerde erop dat de laattijdige betaling (of niet-betaling) van de btw verstorend werkt voor het btw-mechanisme waarbij de btw-belastingplichtige optreedt als ontvanger van de btw. De bijzondere rol van de btw-plichtige die instaat voor de inning en doorstorting van de btw, rechtvaardigt gestrengheid inzake het boetebeleid bij misbruik van dit systeem, zoals ter zake het geval is.

Zowel het doelbewust en voortgezet karakter van de fraude, als de systematiek en de omvang ervan, maken van het vergrijp van de appellante een ernstige inbreuk die een strenge bestraffing rechtvaardigt.

Waar de appellante meent haar handelswijze te kunnen rechtvaardigen/verschonen door te verwijzen naar een probleem van groeifinanciering bij een zusterbedrijf, stelt het hof vast dat deze vermeende rechtvaardigings- of verschoningsgrond, nog afgezien van de vraag of hij überhaupt in aanmerking voor vermindering genomen zou kunnen worden, niet geobjectiveerd wordt. De ingeroepen verzachtende omstandigheden (met name de vermeende afwezigheid van (het gebruik van) valse stukken of listige kunstgrepen, het weinig verhulde of complexe karakter van de fraude en de spontane regularisatie voor 2016 en 2017) zijn niet van aard om te verhinderen dat de belastingadministratie in het licht van de ernst en de omvang van de fraude zoals hierboven uiteengezet, naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van 200%. Dit boetepercentage vereist niet dat bijzondere constitutieve bestanddelen voorliggen, zoals een bijzondere graad van organisatie of valse stukken. De discussie tussen de partijen met betrekking tot 73bis WBTW is in dat kader zonder relevantie.

Waar de appellante stelt dat de omvang van de geldboete geen rekening houdt met de concrete economische context waarin zij zich destijds bevond, noch met haar huidige cash-flow, moet het hof vaststellen dat de appellante haar toenmalige financiële positie niet voldoende concreet maakt of bewijst en evenmin aantoont wat de weerslag van de geldboete op haar huidige financiële situatie en vermogen zou zijn.

In het licht van de bovenstaande elementen en mede gelet op het feit dat het nationale regelgevende kader zoals hierboven uiteen gezet geen beoordelingsmarge voorziet, is de opgelegde geldboete van 200% weliswaar een hoge administratieve straf, maar is ze niet onredelijk of buitensporig.

Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken is bovendien alleen een effectieve sanctie zinvol. Een boete met uitstel zou ingaan tegen het doel van de sanctie dat er zowel in bestaat te vergoeden — met name een compensatie te bieden voor het verloren gaan van menselijke energie en van financiële middelen die door de belastingoverheid ten gunste van de gemeenschap besteed wordt aan controles en verificaties om fraude en onjuiste aangiften op te sporen en de verschuldigde belasting te berekenen — als te straffen en af te schrikken om herhaling in de toekomst te vermijden. Alleen met een effectieve straf kan dit doel bereikt worden. De vraag om voor de geldboete uitstel te verlenen — als dat al zou kunnen — is ongegrond.

4.2.5. Tot slot vraagt de appellante in meest ondergeschikte orde dat haar betalingstermijnen toegestaan zouden worden.

De termijnen voor aangifte en betaling inzake btw, zoals het hier toepasselijke artikel 53 WBTW, raken de openbare orde en wijken af van het bepaalde in artikel 1244 oud BW (inmiddels overgenomen in artikel 5.201 BW) dat enkel van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Cass. 13 september 1977, Arr. Cass. 1978, 45). Geen wettelijke bepaling verleent de rechter de bevoegdheid om van deze termijnen af te wijken door bijkomende betalingstermijnen toe te staan voor vervallen btw-schulden (zie Cass. 24 april 2008, F.06.0042.N, via https://juportal.be). Dit hof heeft dus, anders dan de appellante voorhoudt, geen rechtsmacht om een uitstel van betaling van (te) vervallen btw-schulden toe te staan.

Het hoger beroep van de appellante wordt ook wat dit middel betreft afgewezen. De vordering van de appellante is ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.500,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.500,00 EUR.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

-· het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

-· het bestreden vonnis wordt bevestigd.

Het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

-· aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

- bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR

-· aan de kant van de geïntimeerde:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.500,00 EUR

Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, recht doende in

fiscale zaken, samengesteld uit:

D. V., kamervoorzitter,

F. C., raadsheer

S. V. H., raadsheer

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van

27 juni 2023, bijgestaan door J. D., griffier.

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 17/01/2022

Rol: 20/2742/A

In de zaak

V. bv (KBO: 087...63), met maatschappelijke zetel te ...,

eisende partij,

voor wie optreedt meester R. P., advocaat te ... (ref.: …@renierketels.tax) en meester D. T., advocaat te ... (ref.: …@renierketels.tax),

tegen :

de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verwerende partij,

voor wie optreedt de heer X, (ref.: …@minfin.fed.be).

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 24 november 2020.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 20 december 2021.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE087...63, voor de activiteit van bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed voor een vast bedrag of op contractbasis. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Volgens eiseres bestaat haar activiteit uit management en commerciële dienstverlening.

Ingevolge een controle bij eiseres wordt vastgesteld dat zij niet haar gehele omzet opneemt in haar BTW-aangiften. Op 7 oktober 2020 wordt aangetekend een schrijven verzonden aan eiseres om de verjaringstermijn uit te breiden gezien er aanwijzingen zijn van fraude. De vastgestelde inbeuken worden opgenomen in processen-verbaal d.d. 7 september 2020, 17 september 2020 en 27 oktober 2020. Volgens de administratie is eiseres voor de periode van 1 januari 2013 t.e.m. 31 maart 2019 verschuldigd als BTW 48.997,99 EUR, als proportionele geldboete 97.995,98 EUR en intresten vanaf 21 juli 2019.

Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 november 2020.

2.Eiseres vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- het proces-verbaal d.d. 27 oktober 2020 wordt vernietigd, minstens ontheffing wordt

verleend voor volgende bedragen BTW 17.388,21 EUR, proportionele geldboete 97.995,98

EUR en intresten 17.421,12 EUR;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de betaalde of ingehouden bedragen,

te vermeerderen met intresten;

- ondergeschikt de geldboete en intresten worden kwijtgescholden, minstens worden verminderd;

meer ondergeschikt uitstel van betaling wordt verleend;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Verjaring

Conform artikel 81bis §1, eerste lid WBTW verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Conform artikel 81bis §1, tweede lid WBTW wordt de verjaringstermijn tot zeven jaar uitgebreid wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden (artikel 81 bis, §1, tweede lid, 4° WBTW).

Conform artikel 84ter W.BTW moet een voorafgaandelijke, schriftelijke en nauwkeurige kennisgeving van de vermoedens van de belastingontduiking gebeuren in geval van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW.

Het bewijs voor de toepassing van de verlengde verjaringstermijn moet door de administratie geleverd worden.

In de aangetekende brief verzonden op 7 oktober 2020 wordt verwezen naar artikel 84ter en 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW. Er wordt gesteld dat op basis van stukken werd vastgesteld dat omzet niet is aangegeven. Er wordt verwezen naar de verklaring van de boekhouder hieromtrent, namelijk dat de zaakvoerder van eiseres elk kwartaal meedeelde hoeveel omzet mocht worden opgenomen in de BTW-aangifte.

De rechtbank stelt vast dat de kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking dermate afdoende is dat de belastingplichtige voldoende werd ingelicht omtrent de omstandigheden die aanleiding geven voor het toepassen van de verlengde verjaringstermijn. Op dat moment hoefde de administratie de bewijzen van belastingontduiking niet mee te delen.

De kennisgeving conform artikel 84ter WBTW moet voorafgaan aan de vordering van de BTW en hoeft niet vooraf te gaan aan de onderzoeksdaden. De verjaringstermijn kan ook uitgebreid worden tot 7 jaar wanneer de administratie reeds binnen de normale verjaringstermijn van 3 jaar over bewijskrachtige gegevens beschikte van overtredingen begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Er is dan ook geen sprake van verjaring.

2. Fraude

Uit de vaststellingen blijkt dat eiseres jarenlang een lagere omzet heeft opgenomen in haar BTW-aangiften. Bovendien werden de BTW-aangiften laattijdig ingediend en werd de verschuldigde BTW (opgenomen in de BTW-aangiften) laattijdig betaald. Op zich betwist eiseres dit niet.

Eiseres heeft in haar BTW-aangifte van het tweede kwartaal 2017 wel een 'regularisatie' gedaan van BTW niet opgenomen in de periode van 1 april 2015 tot 31 maart 2017, maar deze regularisatie gebeurde niet via het juiste rooster en er werden geen intresten aangerekend. Dit alles duidelijk om niet de aandacht te trekken.

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de zaakvoerder van eiseres elk kwartaal aan de boekhouder meedeelde welk bedrag aan omzet diende te worden opgenomen in de BTW-aangifte. Eiseres stelt dat er financiële problemen waren en het geld (de niet afgedragen BTW) nodig was voor de oprichting van een nieuwe onderneming, voor de ontwikkeling en productie van een kledingcollectie en het aanleggen van voorraad door die nieuwe onderneming.

De ontvangen en af te dragen BTW dient niet om nieuwe ondernemingen op te richten of om kledingcollecties te produceren. Het geld dat dient afgedragen te worden aan de Belgische Staat kan niet zomaar achtergehouden worden ter financiering van een nieuwe onderneming van de zaakvoerder van eiseres. Uit de gegeven van het dossier blijkt dat eiseres bewust jarenlang omzet niet heeft aangegeven en BTW niet heeft afgedragen ten voordele van zichzelf en de nieuwe onderneming van haar zaakvoerder. De bewering dat dit zou gebeurd zijn op aanraden van de boekhouder, verandert hieraan niets. Evenmin als de eenmalige en gedeeltelijke regularisatie.

Uit de omstandigheden en de omvang van de vastgestelde overtredingen blijkt dat eiseres ontegensprekelijk gehandeld heeft met het oogmerk om de BTW te ontduiken.

3. Geldboete

Een boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat eiseres ten onrechte gedurende jaren een belangrijk deel van haar BTW-omzet niet heeft opgenomen in haar BTW-aangiften en de daarop ontvangen BTW niet heeft afgedragen. Op zich betwist eiseres deze feiten niet. Uit de omstandigheden en uit de omvang van de vastgestelde overtredingen, blijkt dat eiseres gehandeld heeft met het oogmerk de BTW te ontduiken.

De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuken vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van een boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk .

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Verder blijkt uit het dossier ook dat eiseres de niet doorgestorte BTW heeft gebruikt voor de andere onderneming van haar zaakvoerder. Eiseres heeft het tekort aan aangegeven BTW-omzet ook niet spontaan geheel rechtgezet in de loop der jaren, maar gewacht op een controle met de hoop op verjaring.

De rechtbank ziet geen enkele reden om de geldboete of intresten kwijt te schelden of te verminderen. Eiseres kan zich ook niet verschuilen achter de coronapandemie, want van deze pandemie was geen sprake in de periode van 2013 tot maart 2019.

Indien de rechtbank al in de mogelijkheid zou zijn om uitstel van betaling te verlenen, dan ziet de rechtbank geen enkele reden om dit uitstel toe te staan. Eiseres heeft in feite reeds jaren een uitstel van betaling van de BTW gehad. Volgens eiseres bezit zij momenteel ook voldoende cashflow.

C. Betreffende de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger.W. dient zij de gerechtskosten dragen.

Gezien verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG ZEVENTIEN JANUARI

TWEEDUIZEND TWEEËNTWINTIG waar zitting hadden:

L. D. P., rechter;

N. H., griffier.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 81bis10 voorkomens
WBTW art. 705 voorkomens
WBTW art. 84ter4 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8