Vennootschapsbelasting, Accountants en belastingconsulenten, Fiscale controle · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 6 november 2025

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Accountants en belastingconsulenten, Fiscale controle

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vennootschapsbelasting-accountants-belastingconsulenten-fiscale-rechtbank-hasselt-2025-11-06-7650

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
6 november 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

155 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 06.11.2025 (23/1579/A en 23/1580/A)

FIN 25656878-01

[ Gunstig vonnis ]

BTW – Vennootschapsbelasting - Accountants en belastingconsulenten – Fiscale controle – Woonst niet voor beroep in gebruik - Inbreuken op de aftrekregeling: art. 45, § 1 WBTW – 100 % aftrek

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 06.11.2025 (23/1579/A en 23/1580/A)

IN ZAKE AR nr. 23/1579/A

cie1, KBO ..., met zetel te ...

Eiseres, vertegenwoordigd door mr. LAUWERS Thierry, advocaat te 9830 Sint-Martens-Latem, Palepelstraat 29

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat ... en ondernemingsnummer FOD Financiën ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heer H.M. en mevrouw S.P., beide attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

EN IN ZAKE AR nr. 23/1580/A

cie1, KBO ..., met zetel te ...

Eiseres, vertegenwoordigd door mr. LAUWERS Thierry, advocaat te 9830 Sint-Martens-Latem, Palepelstraat 29

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat ... en ondernemingsnummer FOD Financiën ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heer H.M. en mevrouw S.P., beide attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

VOLGT HET VONNIS

INZAKE AR nr. 23/1579/A

Gelet op:

 het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 31.08.2023 ;

 de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 26.10.2023;

 de syntheseconclusies en stukken van verweerder;

 de tweede besluiten en stukken van eiseres.

INZAKE AR nr. 23/1580/A

Gelet op:

het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 31.08.2023, met aangehecht een afschrift van de directorale beslissing van 27.07.2023 ;

 de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 26.10.2023;

 de syntheseconclusies en stukken van verweerder;

 de tweede besluiten en stukken van eiseres.

I. SAMENVOEGING

Partijen verzoeken de rechtbank de zaken met A.R. nr. 23/1579/A en AR nr. 23/1580/A samen te voegen en er in één vonnis uitspraak over te doen gelet op de samenhang.

Ter wille van een goede rechtsbedeling past het op dit verzoek in te gaan.

Il. FEITEN EN VOORGAANDEN

IN ZAKE AR nr. 23/1579/A

1. Het geschil heeft betrekking op twee aanslagen in de vennootschapsbelasting, gemeente Hasselt, gevestigd in hoofde van eiseres voor:

 het aanslagjaar 2020, kohierartikel ..., ingekohierd op 21.12.2022 voor een te betalen bedrag van 41.114,68 euro;

 het aanslagjaar 2021, kohierartikel ..., ingekohierd op 12.01.2023 voor een te betalen bedrag van 45.296,09 euro.

2. Eiseres heeft samen met haar bestuurder, de heer D.V.H. op 04.07.2016 een woning aangekocht te ..., .... De woning werd voor 99/100 aangekocht door eiseres en voor 1/100 door de heer D.V.H..

Eiseres is een managementvennootschap die diensten presteert voor de cie2. Tot 06.01.2020 was eiseres bestuurder van de cie2 met activiteit "uitzendbureaus" en oefende zij dit mandaat uit door tussenkomst van haar bestuurder, de heer D.V.H.. Sinds 06.01.2020 is mevrouw C.S. bestuurder van de cie2 en verstrekt eiseres managementdiensten aan de cie2.

Eiseres houdt voor dat de bedoeling van deze aankoop was om de werkzaamheden van de vennootschap te vergemakkelijken in het kader van de uitoefening van haar bestuurdersactiviteiten en later managementactiviteiten. Het onroerend goed zou worden gebruikt als bureau.

De woning werd gerenoveerd in de jaren 2019 en 2020.

Aangezien eiseres van oordeel was dat de kosten van aankoop en renovatie van de woning gedaan werden in het kader van de beroepswerkzaamheid, werden deze kosten als beroepskosten afgetrokken in toepassing van art. 49WIB92.

Eiseres dient voor de aanslagjaren 2020 en 2021 een tijdige aangifte in.

In het najaar van 2021 werd een fiscale controle opgestart. Bij e-mail van 30.11.2021 werd de boekhouding opgevraagd. Bij e-mail van 06.12.2021 werden bijkomende vragen gesteld, waar op 21.12.2021 werd geantwoord. Op 29.04.2022 vond een bespreking plaats ten kantore van de volmachthebber van eiseres, boekhoudkantoor cie3.

Op 02.03.2022, 30.03.2022, 08.06.2022 en op 15.06.2022 bezocht de fiscaal deskundige het onroerend goed. Hiervan werd op 05.07.2022 een proces-verbaal van opgemaakt.

Bij bericht van wijziging van aangifte van 06.10.2022 brengt de taxatieambtenaar eiseres op de hoogte van zijn voornemen om voor de aanslagjaren 2020 en 2021 de aftrekbare beroepskosten overeenkomstig art. 49 WIB92 m.b.t. het onroerend goed te ..., ... te verwerpen. Wat betreft het aanslagjaar 2020 werd een bedrag van 82.849,22 euro niet aanvaard; wat betreft het aanslagjaar 2021 werd een bedrag van 68.564,00 euro niet aanvaard. Ondergeschikt werd gesteld dat indien de betwiste kosten toch als aftrekbare beroepskosten moesten beschouwd worden, deze alsnog dienen verworpen te worden omdat zij krachtens art. 53, 90 WIB92 niet aftrekbaar zijn.

Ook de investeringsaftrek van toepassing op het onroerend goed te ..., ... werd verworpen aangezien het gebruik van het onroerend goed is afgestaan aan een derde.

Tevens werd er een belastingverhoging van 10% aangekondigd wegens onjuiste aangifte, zonder het opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding.

Bij brief van 09.11.2022 stelde eiseres dat zij niet akkoord kon gaan met de inhoud van het bericht van wijziging.

Op 13.12.2022 werd een kennisgeving van beslissing tot taxatie aan eiseres toegezonden.

Vervolgens werden de kwestieuze aanslagen ingekohierd voor de aanslagjaren 2020 en 2021 op respectievelijk 22.12.2022 en 25.01.2023.

Bij afzonderlijke brieven van 10.02.2023 (aanslagjaar 2020) en 01.03.2023 (aanslagjaar 2021) heeft eiseres bezwaar ingediend tegen de aldus gevestigde aanslagen voor de aanslagjaren 2020 en 2021.

Bij directorale beslissing van 27.07.2023 werden het bezwaar van eiseres afgewezen.

3. Bij tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 31.08.2023 heeft eiseres een vordering in rechte ingeleid.

EN IN ZAKE AR nr. 23/1580/A

Eiseres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer ... voor de hoofdactiviteit van "Holdings" en nevenactiviteit van "accountants en belastingconsulenten". Eiseres diende kwartaalaangiften in.

Er vond bij eiseres een BTW-controle plaats met betrekking tot de periode 01.01.2019 tot en met 31.12.2020.

Tijdens deze controle werden er volgens de administratie inbreuken op de aftrekregeling vastgesteld.

De administratie was van oordeel dat eiseres niet aantoont dat de villa gelegen te ..., ... wordt gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen zoals bedoeld in art. 45, § 1, 1° t.e.m. 5° WBTW.

De door de administratie weerhouden overtredingen werden opgenomen in het proces­verbaal van regularisatie van 22.11.2022. Uit het proces-verbaal bleek dat de belastingplichtige volgende bedragen verschuldigd is:

121.487,58 euro aan BTW, te weten:

-12.140,00 euro aan proportionele geldboete ingevolge art. 70 § 1 bis WBTW en het KB nr.

41 van 30.01.1987

intresten aan 0,8 % per maand te rekenen over 121.480,00 euro vanaf 21.01.2021

Op 27.12.2022 werd een innings- en invorderingsregister met nummer 202212NL021 opgemaakt en uitvoerbaar verklaard op 28.12.2022.

Op 17.01.2023 heeft eiseres een bezwaar ingediend.

Bij beslissing van 17.07.2023 werd het bezwaarschrift afgewezen.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, ter griffie neergelegd door eiseres op 31.08.2023 stelde eiseres een vordering in rechte in.

BEOORDELING:

1. Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde:

INZAKE AR 23/1580/A

- Beroepskosten

1. Verweerder betwist de aftrek als beroepskost van kosten m.b.t. het onroerend goed gelegen te ..., ... na gewezen te hebben op de bewijslast van art. 49 WlB92.

De verwijzing naar de bewijslast van art. 49 WIB92 is terecht.

Krachtens deze bepaling zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag ervan verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Als in het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben gekregen en als zodanig zijn geboekt.

Met andere woorden :

- de kosten moeten gedaan of gedragen zijn tijdens het belastbaar tijdperk;

- om belastbare inkomsten te behouden of te verwerven;

- de belastingplichtige moet de echtheid en het bedrag ervan bewijzen.

Aan al deze voorwaarden moet voldaan worden. Als aan één voorwaarde niet voldaan is, is de betreffende kost niet aftrekbaar.

De discussie in huidig dossier betreft enkel de intentionaliteitsvoorwaarde.

Verweerder is van oordeel dat eiseres niet aantoont dat het kwestieuze onroerend goed gebruikt wordt om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden.

Verweerder verwijst terecht naar de bewijslast van art. 49 WIB92.

Eiseres dient aan te tonen dat aan de voorwaarden van art. 49 WIB92 is voldaan en meer bepaald dat de kosten een noodzakelijk verband hebben met de beroepswerkzaamheid en dat derhalve het onroerend goed wordt gebruikt om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden.

Eiseres stelt in besluiten dat de zaakvoerder tijdens het plaatsbezoek van 15.06.2022 de redenen voor de aankoop van het onroerend goed heeft verduidelijkt nl.

de woning wordt gebruikt als uitvalbasis voor alle panden van cie2 die door eiseres bezocht dienen te worden in het kader van de uitoefening van de bestuurdersovereenkomst / managementovereenkomst;

 de woning zorgt ervoor dat de bestuurder van eiseres er kan overnachten, hetgeen tijdbesparend is;

 de woning werd tevens aangekocht met de bedoeling om medewerkers en managementleden te ontvangen en team-events te organiseren. Ook worden er geregeld leveranciers ontvangen zoals bijvoorbeeld cie4.

De rechtbank dient na te gaan of de beweringen van eiseres ondersteund worden door objectieve gegevens.

De administratie heeft de volgende vaststellingen aangehaald in besluiten:

het onroerend goed is een woonhuis en geen kantoor; het betreft in concreto een villa van 18.868 m2;

 op het gelijkvloers is de woning ingericht met een keuken, een eetruimte, televisieruimte met zetel, inkomhal, WC, was berging, een kleine vergaderruimte en een tuinkamer. Op de bovenverdieping is er een master slaapkamer, een tweede slaapkamer met een en suite badkamer + WC, nachthal, badkamer en dressing (zie grondplan van de woning en de vaststellingen van de opsporingsambtenaren);

 de notariële aankoopakte van 04.07.2015 beschrijft het onroerend goed als een villawoning met grond een aanhorigheden;

Hieruit blijkt dat het onroerend goed in casu een woonhuis betreft en ook als dusdanig werd ingericht.

Verder worden er geen objectieve bewijzen overlegd die de bewering van eiseres bewijzen dat de villa als uitvalsbasis dient voor haar bestuurder, voor de verplaatsingen naar Oost-en West-Vlaanderen. De lijst met de vestigingen van cie2 levert dit bewijs niet.

Ook de bewering dat het de bedoeling zou zijn om medewerkers en managementsleden te ontvangen blijkt nergens uit. Eveneens wordt er geen enkel bewijs overlegd dat tijdens de gecontroleerde periode dermate grote herstellingswerken werden uitgevoerd zodat men niemand kon ontvangen.

Nergens blijkt uit dat het onroerend goed werd gebruikt in het kader van een beroepsactiviteit van eiseres om belastbare inkomsten te verwerven ofte behouden.

2.Eiseres stelt verder dat het onroerend goed wanneer het op een later tijdstip wordt verkocht een meerwaarde zal realiseren, die dan belastbaar zal zijn in de vennootschapsbelasting.

De stelling dat het onroerend goed werd aangekocht met het oog op een toekomstige meerwaarde is een onzekere en niet controleerbare bewering. In casu maakt eiseres het niet aannemelijk dat er een meerwaarde te verwachten valt uit de realisatie van het onroerend goed.

Het is evenzeer mogelijk dat er geen meerwaarde wordt gerealiseerd.

Het overeenkomstig art. 49 WIB92 te leveren bewijs mag niet steunen op hypothesen. Het bewijs kan niet berusten op een loutere veronderstelling dat het onroerend goed mogelijkerwijze een meerwaarde zal generen.

Art. 49 WIB92 vereist het bewijs dat de kosten werden gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Dit bewijs wordt in casu niet geleverd.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de houding van de administratie niet berust op een opportuniteitsoordeel maar een loutere toepassing inhoudt van art. 49 WIB92.

Ook kan er te deze geen toepassing gemaakt worden van art. 53, 9° WIB92 dat voorziet dat de kosten m.b.t. lusthuizen wel aftrekbaar zijn indien en zover de belastingplichtige bewijst dat hij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uit hoofde van de eigen aard daarvan noodzakelijk zijn. Dit bewijs heeft eiseres niet geleverd.

De investeringsaftrek van art. 75 WIB92 is evenmin van toepassing nu het beroepsmatig karakter van het onroerend goed niet is aangetoond.

Eiseres geeft tevens aan dat het gebruik van het onroerend goed wordt afgestaan aan de zaakvoerder om er te overnachten.

- Belastingverhoging

In toepassing van art. 444WIB92 en art. 226 KB/WIB92 werd aan eiseres een belastingverhoging van 10 % opgelegd namelijk wegens een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding.

De beslissing tot het opleggen van de belastingverhoging is regelmatig, met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

De rechtbank heeft de kwestieuze uitgaven van eiseres verworpen als aftrekbare beroepskost. Dit heeft noodzakelijkerwijs voor gevolg dat de belastingaangifte van eiseres onjuist was.

Het betreft geenszins een principiële discussie.

In de gegeven omstandigheden is er dan ook geen reden om in te gaan op het verzoek van eiseres om de belastingverhoging kwijt te schelden.

De vordering is ook op dit punt ongegrond.

INZAKE AR 23/1579/A

- Inbreuken op de aftrekregeling: art. 45, § 1 WBTW

1.Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 WBTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.

De belastingplichtige dient dus enerzijds aan te tonen dat de levering van het goed of de aan hem verleende dienst werkelijk heeft plaatsgevonden en anderzijds dat deze levering of dienst werd gebruikt in het kader van het verrichten van een in artikel 45, §1, 1° t/m 50 van het WBTW bedoelde handeling.

De bewijslast ligt bij de belastingplichtige.

2.In casu werd vastgesteld dat de BTW op alle facturen m.b.t. het onroerend goed te ... voor 100 % in aftrek zijn genomen.

Terecht stelt de administratie dat eiseres dient aan te tonen dat dit onroerend goed gebruikt wordt voor handelingen die recht op aftrek verlenen.

Samen met de administratie dient de rechtbank vast te stellen dat eiseres geen adequate stukken overlegt die aantonen dat het onroerend goed gebruikt wordt voor de activiteiten van de onderneming. Het louter aantonen dat er een onroerend goed is aangekocht door eiseres die belastingplichtig is, toont geenszins aan dat dit pand volledig gebruikt wordt voor de activiteit van de eiseres.

De administratie baseert zich hiervoor op het feit dat:

 er een gebrek aan bewijstukken is van eiseres (bewijslast ligt bij eiseres);

 het onroerend goed is ingericht als woning;

de maatschappelijke zetel van eiseres is gevestigd te ... en dit is de enige vestigingseenheid van eiseres;

 de bewering dat het tijdbesparend is om vanuit ... te werken toont niet aan dat het onroerend goed gebruikt wordt om handelingen te stellen opgenomen in art. 45, §1, 1° t.e.m. 50 WBTW;

 eiseres zou het onroerend goed gebruiken om te overnachten waardoor er hotelkosten worden uitgespaard; huisvestingskosten van bestuurders komen evenwel niet voor BTW-aftrek in aanmerking;

 ook de bewering dat de firma zou zijn aangekocht om klanten te ontvangen wordt op geen enkele manier gestaafd;

 enz...

De rechtbank benadrukt nogmaals dat de administratie in deze niet dient aan te tonen dat er privé-gebruik is; eiseres dient het beroepsmatig gebruik aan te tonen.

Eiseres houdt voor dat de volledige woning wordt gebruikt voor de management prestaties en dat zodoende de BTW-aftrek dient aanvaard te worden. Evenwel bewijst eiseres dit niet.

In haar besluiten op p. 3 t.e.m. 9 heeft de administratie op gemotiveerde wijze uitgelegd waarom de kosten verworpen werden.

De rechtbank onderschrijft deze argumentatie.

Wederom wordt door de administratie geduid dat er zich een bewijsprobleem stelt en dat het bewijs dient geleverd te worden door eiseres.

De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.

- M.b.t. de opgelegde geldboete

De opgelegde geldboete is wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Het betreft een inbreuk op art. 45, § 1 WBTW. De geldboete is van rechtswege verschuldigd door het enkele feit van de overtreding ongeacht de goede trouw, de kwade trouw of de feitelijke vergissing van eiseres.

Het betreft geen principekwestie; het gaat om een inbreuk op de wet.

De vordering van eiseres is ongegrond.


Eiseres als de in het ongelijk gestelde partij dient de gerechtskosten te dragen.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Voegt de dossiers met AR nr. 23/1579/A en AR nr. 23/1580/A samen;

Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat en 48,00 euro bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 6 november 2025 alwaar zetelden:

Mevrouw M. COENEGRACHTS, alleenzetelend rechter,

Mevrouw G. BRUSSELAERS, griffier.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 454 voorkomens
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8