Teruggaaf van belasting, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 4 januari 2005

Zoeken

Teruggaaf van belasting, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-vervolging-geding-rechten-hof-van-beroep-gent-2005-01-04-3f1c

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
4 januari 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

76 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 04.01.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent - 5be kamer - terechtzitting van 04-01-2005

Nr. 2002/AR/242

in de zaak van :

E. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. J., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de E.A. Inspecteur van het ie BTW-Controlekantoor te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31 en in de persoon van de rekenplichtige van het 1ste BTW­Ontvangkantoor, eveneens te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. V. S. loco mr. D. C., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 25.4.2000 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde de terugbetaling aan de appellante te·horen bevelen van het volgens de appellante ten onrechte aan de geïntimeerde betaalde bedrag van … BEF (thans … EUR) meer de moratoire rente vanaf de datum der betaling, de gerechtelijke rente en de gedingkosten.

Bij vonnis van 18.12.2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering ontoelaatbaar verklaard wegens verjaring en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 31.1.2002 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen vermeld vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Met haar hoger beroep streeft de appellante de vernietiging van het bestreden vonnis na en vordert zij dat de terugbetaling aan de appellante zou worden bevolen van het bedrag van … EUR, verhoogd met de moratoire rente vanaf de datum der betaling en met de gerechtelijke rente vanaf de datum van dagvaarding, meer de gedingkosten.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. Ingevolge BTW-controle aangevangen op 8.4.1986 wordt een regularisatieopgave opgesteld waarin tot het besluit gekomen wordt dat de appellante verschuldigd is :

• aan BTW : een bedrag van … BEF (… EUR)

• aan boeten : een bedrag gelijk aan het dubbel van de belasting, evenwel

verminderd, indien alle verschuldigde sommen worden betaald binnen

de termijn vastgesteld in het latere betalingsbericht, tot een bedrag van … BEF (… EUR)

Volgens de regularisatieopgave is in dit bedrag aan BTW een bedrag van … BEF (thans … EUR) begrepen op "omzet verhoging wegens niet geboekte aankopen/invoeren uit Frankrijk" (stuk 1 van de geïntimeerde).

Bij brief van 2.12.1986 van de raadsman van de appellante aan de BBI te Kortrijk (stuk 2 van de geïntimeerde) wordt meegedeeld dat de appellante verzoekt om vermindering van de boete tot … BEF (thans … EUR) en hiertoe bereid is, mits genoemde vermindering, de rechten en de verminderde boete te betalen onder voorbehoud van al haar rechten en zonder enige bekentenis. Er wordt aan toegevoegd dat de appellante verzoekt om vermindering of kwijtschelding van de intresten ingevolge de wet van 4.8.1986, en, zo dit niet wordt toegestaan, verzoekt ze dit bedrag te mogen kennen teneinde ook dit bedrag te betalen onder voorbehoud en zonder enige bekentenis en ook dit bedrag te kunnen terugvorderen voor de rechtbank.

Bij brief van 22.4.1987 van de raadsman van de appellante aan de BBI te Kortrijk wordt een afbetalingsplan voorgesteld als volgt (stuk 3 van de geïntimeerde) :

"

- 20.01.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.02.87 : -

- 20.03.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.04.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20. 05. 87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.06.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.07.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.08.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.09.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.10.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.11.87 : … BEF (thans … EUR)

- 20.12.87 : … BEF (thans … EUR)

… BEF (thans … EUR)"

In zelfde brief wordt gepreciseerd dat deze sommen telkens betaald worden "onder voorbehoud van alle rechten en zonder nadelige erkentenis", en dit ook geldt voor in het verleden betaalde sommen, die niet spontaan werden betaald. Er wordt aan toegevoegd dat de appellante niet akkoord gaat en enkel en alleen betaalt om van de verminderde boeten te genieten en de intrestlast te ontwijken, terwijl na onderzoek en te gepasten tijde dit bedrag dan voor de rechtbank zal worden teruggevorderd.

Uit de middelen tot cassatie vermeld in het voorgelegd arrest van het Hof van cassatie d.d. 13.1.1999 (stuk 5 van de geïntimeerde) kan afgeleid worden dat E. W., zaakvoerder van de appellante (zie de vermeldingen in stuk 1 van de geïntimeerde), correctioneel werd vervolgd en het Hof van beroep te Mons, zetelend in correctionele zaken, bij arrest van 18.2.1998 de vordering van de Belgische Staat (administratie van douane en accijnzen) gericht onder meer tegen E. W. ongegrond heeft verklaard, om reden dat de bewijzen waarop onder meer deze vordering gesteund was, bekomen waren in strijd met artikel 6 EVRM. Het vermeld arrest van het Hof van cassatie heeft de voorziening van de Belgische Staat tegen het arrest van het Hof van beroep te Mons verworpen.

De appellante, van oordeel dat met dit arrest van het Hof van cassatie definitief kwam vast te staan dat geen invoerrechten en bijgevolg geen BTW verschuldigd was, vroeg per brief van 11.6.1999 aan de Hoofdcontroleur BTW te Kortrijk de teruggave van de in 1987 geïnde bedragen.

Hierop antwoordde de 2e BTW-controle te Kortrijk dat het recht op teruggaaf verjaard was.

3. De appellante voert aan dat de artikelen 75 e.v. BTW-wetboek te dezen niet van toepassing zijn, daar het om een onverschuldigde betaling gaat die niet bedoeld wordt door de bepalingen van het BTW-wetboek, nl. het geval waarin wettelijk helemaal geen BTW verschuldigd was en om een of andere reden toch, zij het ten onrechte, een geldsom werd betaald aan de administratie. In huidig concreet geval gaat het volgens de appellante om een vordering wegens onverschuldigde betaling in de zin van de artikelen 1235 en 1375 Burg. W. die krachtens artikel 2262bis Burg. W. pas verjaart na verloop van 20 jaren vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is ontstaan, zich heeft voorgedaan (volgens de appellante te dezen de betaling van de BTW ter uitvoering van de correctieopgave dd. 2.12.1986) of na verloop van 5 jaren vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan (d.i. te dezen het arrest van het Hof van cassatie van 13.1.1999). Deze vordering is, aldus de appellante, niet verjaard.

Onder verwijzing naar de artikelen 77, § 1, 1° en § 1bis, 1° BTW-wetboek voegt de appellante er aan toe dat de toepassing van de aangehaalde bepalingen vooronderstelt dat de terug te geven BTW geheven werd n.a.v. invoer, waaronder niets anders kan begrepen worden dan "werkelijke invoer". Hieruit leidt de appellante dan a contrario af dat deze bepalingen te dezen niet van toepassing zijn en de gemeenrechtelijke bepalingen inzake onverschuldigde betaling wel omdat er geen invoer (bewezen) is.

De civielrechtelijke beginselen van de onverschuldigde betaling zijn in fiscale zaken slechts van toepassing in zoverre de fiscale wet er niet uitdrukkelijk of stilzwijgend van afwijkt (vergelijk met Cass. 21.9.1978, Pas. 1979, I, 104).

Artikel 75 BTW-wetboek bepaalt dat de belasting slechts kan worden teruggegeven in de gevallen waarin het BTW-wetboek voorziet.

Artikel 77, § 1, 1° BTW-wetboek bepaalt dat de belasting die werd geheven van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Artikel 77, § 1bis, 1° BTW-wetboek bepaalt dat de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven onder meer in het geval als bedoeld in artikel 77, § 1, 1° BTW-wetboek.

Vóór vervanging bij artikel 54 van de wet van 15.3.1999 bepaalde artikel 82 BTW-wetboek dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan.

De betalingen die de appellante uitvoerde waren betalingen ten titel van BTW, boete en intresten, zoals blijkt uit de hoger aangehaalde regularisatieopgave en brieven van de raadsman van de appellante. Ook in de veronderstelling dat ze in hun geheel niet verschuldigd waren worden als BTW, boete en intresten betaalde sommen teruggevorderd.

Het BTW-wetboek maakt bovendien voor de teruggaaf niet het door de appellante gemaakte onderscheid tussen het geval waarin helemaal geen BTW verschuldigd was en het geval waarin slechts een gedeelte van de BTW moet terugbetaald worden. Ook wanneer de BTW en accessoria in hun geheel niet verschuldigd zijn, zijn zij wettelijk niet verschuldigd, zodat het volledige betaalde bedrag te boven gaat wat wettelijk verschuldigd is (artikel 77, § 1, 1° BTW-wetboek).

De bepalingen van het BTW-wetboek over de teruggaaf en de erop betrekking hebbende verjaring zijn dan ook van toepassing en niet de gemeenrechtelijke regeling van onverschuldigde betaling (vergelijk, doch voor met zegel gelijkgestelde taksen, RPDB, v° Timbre (Taxes assimilées au), nr. 1835 p. 526 en de verwijzingen aldaar).

4. In zoverre de regeling voorzien bij het BTW-wetboek van toepassing is stelt de appellante dat de verjaringstermijn begint te lopen op het ogenblik dat de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet (artikel 3, 1° KB nr. 4). Bij gebrek aan nadere precisering van bedoeld ogenblik, zijn er slechts twee mogelijkheden, aldus de appellante. Ofwel doet de oorzaak van teruggaaf zich voor van zodra de betaalde BTW conform artikel 77, § 1 bis, 1° W.BTW de wettelijk verschuldigde BTW te boven gaat (i.t.t. het vonnis a quo dat deze oorzaak situeert op het ogenblik dat de bewijzen onregelmatig werden verkregen, en derhalve op het ogenblik van betaling). Voor de appellante is dit in casu niet eerder dan het cassatiearrest van 13 januari 1999, aangezien daaruit impliciet maar zeker, en voor het eerst, blijkt dat de eerdere betaling het wettelijke verschuldigde te boven gaat, derhalve onverschuldigd is. Daardoor wordt de vordering in teruggaaf ook slechts op dat ogenblik zeker en vaststaand volgens de appellante. Ofwel moet worden aangenomen dat noch het BTW-Wetboek, noch de uitvoeringsbesluiten enige precisering dienaangaande bevatten, in welk geval het gemeen recht van toepassing wordt, meer bepaald artikel 1235 BW, volgens hetwelk "(... ) hetgeen is betaald zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd", vervolgt de appellante haar stelling. De appellante komt tot het besluit dat op grond van deze bepaling moet worden besloten dat slechts kan worden teruggevorderd van zodra een betaling onverschuldigd is, ogenblik dat niet noodzakelijk samenvalt met de datum van betaling, maar zoals te dezen met de datum van het arrest van het Hof van Cassatie.

Te dezen werden de BTW, boete en intresten betaald op verzoek van de geïntimeerde na vaststelling van hetgeen volgens hem verschuldigd was in de regularisatieopgave. Dit houdt in dat de appellante, ook al kan zij minnelijk pogen teruggaaf te bekomen van de administratie, gehouden is de in artikel 90 BTW-wetboek (in de versie van toepassing vóór opheffing bij artikel 60 van de wet van 15.3.1999) bedoelde vordering in te stellen bij dagvaardingsexploot (zoals de appellante deed) voor de rechtbank waaronder het kantoor van de in artikel 90 BTW-wetboek bedoelde ambtenaar ressorteert, vóór verstrijken van de verjaringstermijn. Deze vordering dient te worden ingesteld binnen de termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan, zoals voorzien bij artikel 82 BTW-wetboek (in de versie vóór vervanging bij artikel 54 van de wet van 15.3.1999). Het artikel 3 eerste lid KB nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde is in dit geval niet van toepassing.

Te dezen openden de door de appellante gedane betalingen de vordering in teruggave. Zolang niets is betaald is terugvordering van het ten onrechte betaalde immers niet mogelijk, terwijl niets de appellante belette zodra betaling gebeurd was een vordering tot teruggave voor de rechtbank in te stellen, en hiertoe alle middelen te ontwikkelen die zij maar wenste te ontwikkelen. Het feit dat een strafprocedure liep die tot een beslissing kon leiden waarvan het gewijsde van invloed kon zijn op de beslissing over de vordering tot teruggave belet het instellen van deze laatste vordering niet, maar zou hoogstens kunnen leiden tot een uitstellen van de beslissing over de vordering tot teruggave tot na afhandeling van de strafprocedure.

Volgens de geïntimeerde werden BTW, boete en intresten betaald volgens het hoger aangehaald afbetalingsplan (zie de brief d.d. 28.7.1999 van de tweede controle BTW te Kortrijk; zie de conclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 11.6.2002, p. 2 : "De bedragen werden uiteindelijk betaald via een afbetalingsplan (stuk 3). Einde 1987 was de schuld vereffend."). Dit wordt door de appellante, die zelf ook stelt dat de BTW-schuld in de loop van 1987 werd betaald (zie de dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, p. 2, I. Feiten, en het verzoekschrift hoger beroep, p. 2, A. Feiten), niet betwist.

Volgens het afbetalingsschema gebeurde de recentste betaling op 20.12.1987. De vordering tot teruggave diende in dit geval ten laatste op 20.12.1992 voor de rechtbank aanhangig te worden gemaakt. In de ruimste interpretatie van vereffening "eind 1987", was de recentste betaling op 31.12.1987. De terugvordering diende in deze laatste interpretatie ten laatste op 31.12.1992 voor de rechtbank aanhangig te worden gemaakt. De dagvaarding houdende instellen van de vordering tot teruggave werd pas betekend op 25.4.2000, hetzij hoe dan ook na verstrijken van de verjaringstermijn voor de recentste betaling, zodat de vordering tot teruggave van de recentste betaling en a fortiori van de eraan voorafgaande betalingen op het ogenblik van de dagvaarding verjaard was.

Enige oorzaak van schorsing of stuiting van de verjaring blijkt niet en wordt ook door de appellante niet aangevoerd.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten v an het hoger beroep, begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Ho fvan beroep te Gent, vijfde kamer bis, op VIER JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 775 voorkomens
KB nr. 4 art. 32 voorkomens
WBTW art. 752 voorkomens
WBTW art. 822 voorkomens
WBTW art. 902 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8