Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 12.05.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2008/AR/1053
IN ZAKE VAN :
T. D. NV, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
appellante,
vertegenwoordigd door Meester S. loco C. T. advocaat te …, ….
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomenfiscaliteit, sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTWontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bemardastraat, 32,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester C. loco P. D., advocaat te …, ….
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
EINDARREST – ongegrond
Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.
Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :
- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 6 maart 2008 op tegenspraak uitgesproken, volgens de verklaring van partijen niet betekend aan één van hen;
- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 16 april 2008 door de NV T. D., appellante;
- de besluiten en de stukken van appellante en geïntimeerde.
Gehoord de advocaten van partijen ter zitting van het hof op 3 maart 2011.
A. Procedure in eerste aanleg
Bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 1385decies Ger. W. neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, gericht tegen de Belgische Staat, tekende huidige appellante verzet aan tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de diensten van geïntimeerde op 30 november 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2005, betekend aan appellante bij aangetekende brief van 6 december 2005, samen met het procesverbaal inzake BTW van 25 november 4005, waarin de volgende bedragen gevorderd werden van appellante :
- … € als BTW;
- … € als geldboete krachtens artikel 70 § 1bis W.BTW verminderd overeenkomstig de bepalingen van tabel G, gevoegd bij het KB BTW nr. 41 van 30 januari 1987, zoals gewijzigd door artikel 1 KB 21 oktober 1993; interesten aan 0,8 % per maand over de niet-tijdig betaalde BTW vanaf 21 januari 2005;
- moratoire intresten over de geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel;
- de vervolgingskosten.
Het dwangbevel is blijkens de aanhef ervan gesteund op een procesverbaal inzake BTW van 25 november 2005, waarvan de inhoud verder in dit arrest wordt aangehaald.
Het verzet van appellante strekte ertoe het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren en het dwangbevel te vernietigen, te zeggen voor recht dat de door het bestreden dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden of aangerekende bedragen, meer de moratoire minstens de gerechtelijke intresten en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.
Bij vonnis van 6 maart 2008 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond en werd appellante veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding, begroot op … €.
B. Procedure voor het hof
Voor het hof vraagt appellante het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het vonnis van de eerste rechter te vernietigen. Zij herneemt in hoofdorde haar vordering zoals gesteld voor de eerste rechter. Bovendien vordert zij de persoonlijke verschijning van de belastingambtenaar V. en de Heer V. M., boekhouder, en in zulk geval de beslissing over de kosten aan te houden.
In ondergeschikte orde vordert zij te zeggen voor recht dat er maar sprake kan zijn van de herroeping van een voordien volgens haar bestaand akkoord tussen haar en de Belgische Staat vanaf de betekening van het hoger aangehaald dwangbevel.
In meer subsidiaire orde vordert zij de Belgische Staat te veroordelen tot een schadevergoeding wegens door deze volgens haar begane fouten, gelijk aan de sommen die appellante op grond van het bestreden dwangbevel aan de Belgische Staat zou moeten betalen en te verrekenen met door appellante nog verschuldigde belasting.
Appellante vordert de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
Geïntimeerde vordert het hoger beroep tegen het bestreden vonnis ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, rechtsplegingvergoeding van beide aanleggen inbegrepen.
C. Relevante feitelijke gegevens
Appellante, voorheen de NV C., is sinds 1 juni 1989 geregistreerd als BTW-plichtige onder het nummer BE ….
Huidig geschil heeft betrekking op de periode tussen 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003.
Sinds 1997 baat appellante volgens haar uitleg een gezondheids- en sportcomplex (met of zonder begeleiding) uit dat bestaat in de terbeschikkingstelling van sauna's, zwembaden, whirlpools, een turks stoombad, een lig- en zonneweide, zonnebanken en (sinds 1 oktober 2002) fitnesstoestellen. Appellante biedt schoonbehandelingen en persoonsverzorging aan en organiseert aquagymsessies.
Op 30 mei 2005 werd door de ambtenaar van geïntimeerde, Mevr. S., een BTW-controle uitgevoerd voor de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003.
Op grond van die controle stelde de Belgische Staat het procesverbaal van 25 november 2005 op.
In dit proces-verbaal werd vermeld dat appellante de hierboven reeds genoemde sommen inzake BTW en verminderde boete zou verschuldigd zijn.
De verbaliserende ambtenaar kwam tot dit besluit op grond van de volgende motivering.
Op grond van de voorlegging van de boekhoudkundige stukken en de uitleg van de aangestelden van appellante, vermeldde de verbaliserende ambtenaar te hebben vastgesteld dat de activiteit van appellante de volgende onderdelen omvat :
- terbeschikkingstelling van sauna's, zwembaden, whirlpools, een Turks stoombad, zonnebanken en vanaf 1 oktober 2002 fitnesstoestellen;
- verstrekken van schoonheidsbehandelingen en persoonsverzorging;
- organiseren van aquagymsessies onder begeleiding van het personeel.
Daarbij zou door de aangestelde van appellante verklaard zijn dat :
- het inkomgeld van … euro toegang gaf zowel tot alle saunafaciliteiten als tot het zwembad en de fitness;
- slechts één eenvormig inkomticket wordt uitgereikt;
- de ontvangsten gesplitst worden op basis van een akkoord dat op 17 november 1997 werd gesloten waarbij
o de ontvangsten van degenen die enkel gebruik maken van het zwembad en de ligweide en waarop het BTW-tarief van 6 % van toepassing is, vastgesteld werd op 43,39 % van de totale ontvangsten;
o de ontvangsten van degenen die ook gebruik maakten van de saunafaciliteiten waarop het BTW-tarief van 21 % van toepassing is, vastgesteld werden op 56,56 % van de ontvangsten;
o op 1 oktober 2002 de volledige renovatie van de exploitatieruimte voltooid was waarbij een vrouwensauna, een extra vrouwenzwembad en een fitnesscentrum in gebruik werden genomen;
o in de BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van augustus 2003 een herziening werd verricht zodat met ingang ván 1 oktober 2002 85 % van de ontvangsten "inkom" en "schoonheidsinstituut" onderworpen werden aan een tarief van 6 %.
Verder stelde de verbaliserende ambtenaar dat
- werd vastgesteld dat de handelszaak van appellante zo georganiseerd zou zijn dat alle aangeboden faciliteiten door iedereen gebruikt kunnen worden;
- bij de betaling van het inkomgeld een ticket wordt uitgereikt met de vermelding "saunabeurt";
- maandelijks op basis van dagelijks afgedrukte zogenaamde zrapporten van het kasregister, een globale factuur wordt opgesteld, terwijl pas op dat ogenblik een uitsplitsing wordt gemaakt per BTW-tarief.
Op grond van die vaststelling was de verbaliserende ambtenaar van oordeel dat het geheel der diensten verstrekt door appellante aan een tarief van 21 % belastbaar was, en dit sinds 1 oktober 2002. Voor de periode ervoor verwees de verbaliserende ambtenaar naar een akkoord van 17 november 1997.
Appellante zet uiteen dat zij bij brief van 28 april 1999 de Belgische Staat op de hoogte heeft gebracht van geplande aanpassingen aan haar inrichting, meer bepaald een uitbreiding voornamelijk door het bouwen van een fitnesscentrum "zonder begeleiding", zodat volgens haar de verdeelsleutel uit het akkoord moest worden aangepast.
Er zou geen antwoord gevolgd zijn omdat het dossier van appellante zich in een andere dienst zou hebben bevonden.
Bij brief van 7 augustus 2002 vroeg appellante nogmaals om een nieuw akkoord, dit eens de geplande uitbreiding een feit was.
Op 17 maart 2003 bezocht een ambtenaar van de Belgische Staat, Mevr. V., de inrichting van appellante.
Appellante stelt dat dan een mondeling akkoord tot stand is gekomen, tengevolge waarvan een nieuwe verdeelsleutel door haar werd toegepast, te weten 85 % van de ontvangsten aan 6 % BTW en 15 % aan 21 % BTW.
Op 30 mei 2005 volgde dan de BTW-controle die aanleiding gaf tot het hoger genoemde proces-verbaal inzake BTW.
D. In rechte
a. Ontvankelijkheid en bevoegdheid
Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.
Geen der partijen roept de onbevoegdheid in van het hof en het hof merkt geen redenen op die het zouden moeten nopen tot een beslissing van onbevoegdheid, zodat het zijn bevoegdheid aanneemt.
b. Ten gronde
Standpunten van partijen
Appellante roept volgende argumenten in tegen het tegen haar uitgevaardigde dwangbevel en de inhoud van hoger vermeld proces-verbaal inzake BTW inzake de van haar gevorderde BTW :
- vooreerst is het akkoord van 17 november 1997 over de toe te passen verdeelsleutel inzake het tarief van toepassing op de door appellante aangeboden diensten nooit opgezegd, zodat het geldig bleef. Volgens de bewoordingen van dit akkoord zou het geldig blijven "vanaf de opening van (het) complex op 6 juni 1997 tot herroeping";
- de vraag van appellante tot vaststelling van een nieuwe verdeelsleutel na de door haar gedane aanpassingswerken is geen eenzijdige herroeping;
- na de komst van Mevr. V., belastingambtenaar, paste appellante ter goeder trouw en dit vanaf de aangifte van het derde kwartaal 2003, een herziening van de verdeelsleutel toe, terwijl er vanwege de Belgische Staat geen reactie kwam;
- de vastlegging van een akkoord tussen de Belgische Staat en appellante behoeft niet noodzakelijk schriftelijk gedaan te worden;
- een nieuw impliciet akkoord kwam tot stand vanaf het derde kwartaal 2003. Appellante zet uiteen dat zij in de BTW-aangifte voor dat kwartaal herzieningen toepaste, retroactief vanaf 2002 gedurende meer dan 2 jaar, terwijl er geen reactie kwam op een brief aan de Belgische Staat van haar uitgaande van 18 juni 2003;
- de boekhouder van appellante had met Mevr. V. een telefonisch onderhoud na de brief van 18 juni 2003 waarin werd meegedeeld dat het "ok was zoals U voorstelde in uw brief', hetgeen schriftelijk wordt bevestigd door de boekhouder van appellante;
- de toepassing van het vertrouwensbeginsel vereist dat door de Belgische Staat niet ter gelegenheid van een controle met terugwerkende kracht een schriftelijke overeenkomst terzake van een akkoord wordt beëindigd en een tarief toegepast wordt inzake BTW dat niet toegepast mocht worden;
- het vertrouwensbeginsel kan ingeroepen worden nu geïntimeerde op verzoeken van appellante om vastlegging van een nieuwe akkoord of aanpassing van een bestaand akkoord, niet reageerde;
- de vraag naar de precieze omvang: van de door appellante verstrekte diensten is een feitenkwestie, waarover akkoorden gesloten kunnen worden.
In ondergeschikte orde voert appellante aan dat een herroeping van het akkoord van 17 november 1997 pas vanaf 6 december 2005 kan worden aangenomen.
In meer ondergeschikte orde vordert appellante de veroordeling van de Belgische Staat tot de reeds hoger genoemde schadevergoeding wegens de fouten die de BTW-administratie zou hebben begaan, en wegens zijn onzorgvuldig optreden.
Geïntimeerde voert aan dat :
- de ingebruikname van de nieuwe infrastructuur na aanpassingswerken het akkoord van 17 november 1997 heeft beëindigd;
- op de vraag gesteld bij brief van 7 augustus 2002, uitgaande van appellante, om vaststelling van een nieuwe verdeelsleutel, een verzoek van geïntimeerde zou gevolgd zijn tot het doen van een gedetailleerde opgave van de nieuwe activiteiten, en vervolgens het maken van een nieuwe afspraak, waaraan echter geen gevolg zou zijn gegeven;
- zijn diensten dan verder in afwachting van de gevraagde gegevens, geen verdere stappen ondernamen;
- na het bezoek van Mevr. V. op 17 maart 2003 de vraag gesteld zou zijn naar een gemotiveerd voorstel;
- een brief houdende een voorstel van 18 juni 2003 uitgaande van appellante, bij de diensten van de Belgische Staat niet terug te vinden zou zijn.
- de door appellante voor de periode bedoeld in het dwangbevel toegepaste verdeelsleutel, eenzijdig bepaald werd door appellante en haar boekhouder, doch niet gemotiveerd is;
- het bestaan van een "mondeling" akkoord met Mevr. V. niet bewezen wordt;
- de toepassing van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel zich verzet tegen de toepassing van een door appellante voorgehouden gewekt vertrouwen daar over de toepassing van een BTW-tarief op zich geen akkoorden gesloten kunnen worden nu deze wettelijk bepaald zijn;
- de verklaring van de boekhouder van appellante dat Mevr. V. "akkoord was in een telefoongesprek (zoals hoger uiteen gezet) (cfr. stuk 10 van geïntimeerde), een eenzijdige verklaring betreft, die niet het bewijs levert van een akkoord.
Geïntimeerde roept verder nog in dat hij de brief uitgaande van appellante met als datum 18 juni 2003 (stuk 7 van appellante) pas ontving ter gelegenheid van de controle op 30 mei 2005, terwijl de eerdere verzending ervan aan hem niet wordt aangetoond.
Beoordeling
Aangaande de gevorderde bevelen tot overlegging van stukken en persoonlijke verschijning van personen
Appellante vordert de persoonlijke verschijning van de belastingambtenaar V. en de boekhouder van appellante, de Heer V. M.. Appellante vraagt ook aan geïntimeerde de voorlegging te bevelen van "alle interne nota's en aangiften voor de litigieuze periode'' betreffende appellante.
Het hof acht het evenwel, na onderzoek, niet noodzakelijk, teneinde huidige zaak met kennis van zaken te kunnen beoordelen, de persoonlijke verschijning van deze belastingambtenaar en deze persoon te bevelen, nu het geheel der voorgelegde stukken en gegevens als voldoende duidelijk en volledig beoordeeld wordt teneinde over huidige zaak te kunnen beslissen.
Het al dan niet bestaan van een akkoord tussen partijen over het door appellante toe te passen tarief
Inzake de wettelijke bepalingen betreffende het BTW-tarief toepasselijk op de diensten die appellante verstrekt, moet het volgende worden aangehaald.
Krachtens rubriek XXVII van het KB BTW nr. 20 is de toekenning van een recht op toegang tot een inrichting voor sport alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, onderworpen aan een tarief van 6 %.
Krachtens het laatste lid van artikel 1 van het KB BTW nr. 20 is bet tarief van 6 % evenwel niet van toepassing op diensten omschreven in tabel A van de bijlage, wanneer die diensten bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst welke hoofdzakelijk diensten tot voorwerp heeft die niet zijn bedoeld in dezelfde tabel.
Tussen partijen bestaat op zich geen betwisting over het feit dat :
- diensten die worden verstrekt door uitbaters van saunabaden, schoonheidsinstituten en andere gelijkaardige inrichtingen onderworpen zijn aan het normale BTW-tarief (art. 37 WBTW, artikel 1, 3° KB BTW nr. 20 van 20 juli 1970;
- wanneer gedurende de oefentijd onderricht aangaande de uit te voeren lichaamsbewegingen en het in acht te nemen ritme wordt verstrekt, deze dienst voor het geheel onderworpen is aan het normale tarief van 21 %.
Wel bestaat tussen partijen betwisting over de vraag of een onderscheid gemaakt moet worden tussen klanten van appellante die diensten verkrijgen belastbaar aan het tarief van 6 % en klanten van appellante die diensten verkrijgen belastbaar aan een tarief van 21 % en over de vraag of een uitsplitsing gemaakt kan worden inzake tarief voor de ontvangsten voor de diensten die appellante verstrekt.
Appellante zet daarbij uiteen dat de klanten van het gezondheids- en sportcomplex activiteiten kunnen uitoefenen met en zonder begeleiding, in niet afzonderlijke gescheiden delen, die toegankelijk zijn voor alle klanten, die een uniforme inkomprij s betalen.
In een akkoord tussen appellante en de Belgische Staat van 17 november 1997, opgenomen als stuk 7 in het dossier van de Belgische Staat, werd evenwel overeen gekomen dat het tarief van 6 % BTW van toepassing zou zijn op 43,39 % van de ontvangsten van appellante, en het tarief van 21 % BTW van toepassing zou zijn op 56,61 % van de ontvangsten van appellante.
Tussen partijen bestond in beginsel op dat ogenblik blijkbaar geen betwisting over het feitelijk gegeven dat niet alle klanten begeleiding en persoonsverzorging ontvingen van appellante.
Het akkoord vermeldt verder ook het volgende (zie stuk 7 Belgische Staat, in fine) :
"... Deze verdeelsleutel is geldig vanaf de :opening van uw complex op 6/6/97 tot herroeping.
Herziening van vorige kwartalen mag u opnemen, mits detail in bijlagen, in vak 62 van de eerstkomende in te dienen BTW-aangifte, samen met een copie van deze persoonlijke beslissing.
Voor alle bijkomende inlichtingen kan U steeds, tijdens de kantooruren, bij mij op kantoor terecht.
U neemt eveneens de verplichting op u om mij, ingeval van nieuwe feiten die de verdeelsleutel hierboven bepaald zouden wijzigen, onmiddellijk op de hoogte te stellen".
In de eerste plaats roept appellante in dat dit akkoord nooit herroepen werd, en dat de gelding ervan derhalve in ieder geval uitwerking zou moeten hebben tot 30 mei 2005, datum waarop appellante aan een controle onderworpen werd.
Daarin kan appellante niet gevolgd worden.
Zij wijzigde immers haar uitbatingvoorwaarden die de grondslag vormden voor het akkoord van 17 november 1997 door haar nieuwe inrichting en uitbreiding, zodat op grond van hetgeen gesteld in het akkoord zelf, meer bepaald, de aanwezigheid van "nieuwe feiten die de verdeelsleutel hierboven bepaald zouden wijzigen", het akkoord geen uitwerking meer kon krijgen vanaf de ingebruikname van de nieuwe installaties, die een feit waren voor de gecontroleerde periode bedoeld in hoger genoemd proces-verbaal, meer bepaald vanaf 1 oktober 2002, datum weerhouden in het proces-verbaal van 25 november 2005 als einddatum van geldigheid van het akkoord van 17 november 1997.
Geenszins kan appellante volhouden dat het akkoord van 17 november 1997 gelding moest blijven behouden na de ingebruikname van de nieuwe installaties, meer bepaald niet dat daarvoor vanwege geïntimeerde een ''herroeping" zou vereist zijn, nu appellante door het wijzigen van de uitbatingomstandigheden zelf geacht moet worden tot herroeping van het akkoord te zijn over gegaan.
In de tweede plaats moet worden nagegaan of voor de periode na 1 oktober 2002 een nieuw akkoord tot stand kwam over de uitsplitsing inzake BTW-tarief tussen de diensten verstrekt voor appellante belastbaar aan een tarief van 21 %, en, zoals door appellante voorgehouden, het bestaan van dienstverrichtingen die belastbaar zouden zijn aan een tarief van 6 .%.
Uit het dossier voorgelegd door appellante blijkt :
- dat zij op 28 april 1999 meedeelde plannen te hebben nopens de wijzigingen van haar exploitatie;
- dat de Belgische Staat antwoordde niet te kunnen antwoorden nu zij niet over het dossier beschikte omdat het in een andere controledienst was.
Uit die gegevens blijkt niet dat de nieuwe exploitatie al een feit was. Bovendien kan op grond van de voornoemde gegevens niet het bestaan van een akkoord afgeleid worden.
Appellante legt verder brieven voor van haar aan de Belgische Staat van 7 augustus 2002 en 21 februari 2003 waarbij zij verzocht om vaststelling van een nieuwe verdeelsleutel, doch daaruit kan evenmin het bestaan van een nieuw akkoord afgeleid worden.
Op 12 maart 2003 verzocht appellante nog eens om een "reevaluatie" van het akkoord van 17 november 1997, doch blijkbaar had dit geen resultaat.
Op 18 juni 2003 richtte appellante dan: nogmaals volgens haar zeggen een brief houdende een voorstel van verdeelsleutel, waarvan de Belgische Staat stelt hem pas bij de controle in 2005 te hebben ontvangen.
Uit de bewoordingen van de brief blijkt dat het gaat om een voorstel, dat nog te bespreken is, en geenszins om een wederzijds akkoord tussen appellante en de Belgische Staat.
Appellante stelt thans dat een akkoord tot stand zou zijn gekomen uitgaande van hetgeen opgenomen is in het stuk dat de datum 18 juni 2003 draagt, doch na nazicht van het geheel der voorliggende gegevens, kan het bestaan van zo'n akkoord, zelfs impliciet, niet vastgesteld worden.
Het eenzijdig stuk van de boekhouder van appellante (stuk 10 van appellante) waarin sprake is van een telefoongesprek dat zou hebben plaats gehad na het plaatsbezoek van belastingambtenaar V. is terzake niet dienend als bewijs. Het is een eenzijdig opgesteld stuk dat niet toelaat een niet schriftelijk genoteerd "akkoord" als bewijs te aanvaarden, uitgaande van wat gezegd zou zijn tussen deze ambtenaar en de boekhouder van appellante in een telefoongesprek op basis van een eerder gestuurde brief door appellante aan de diensten van de Belgische Staat.
Uit de notities van het plaatsbezoek van Mevrouw V. op 17 maart 2003 bij appellante (stuk 10 Belgische Staat) kan enkel afgeleid worden dat deze om een voorstel vroeg "teneinde tot een overeenkomst te komen", doch niet dat op basis van dat bezoek en navolgende contacten tussen deze ambtenaar en de aangestelde of lasthebber van appellante een mondeling akkoord tot stand kwam.
Tot slot kan niet aangenomen worden dat uit de eenzijdige handelswijze van appellante na, volgens haar, de verzending van een brief op 18 juni 2003, een akkoord inzake tariefbepaling met de Belgische Staat tot stand kwam, waaraan een vertrouwen kon ontleend worden door appellante dat de Belgische Staat haar tariefbepaling in haar BTW-aangiften nooit meer in vraag zou stellen omdat geen instemming van de Belgische Staat met die tariefuitsplitsing op grond van het geheel der voorliggende gegevens op positieve wijze kan worden vastgesteld en tevens omdat appellante terzake nooit, na de wijziging van de exploitatievoorwaarden, aan een BTW-controle werd onderworpen waarbij die eenzijdig toegepaste tariefuitsplitsing werd aanvaard.
Aldus kan appellante zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.
Tot slot stelt zich de vraag of de Belgische Staat de verschuldigdheid van de BTW en de geldboete zoals gevorderd in het dwangbevel bewezen heeft.
Op basis van de gegevens aangehaald door de verbaliserende ambtenaar in het proces-verbaal van 25 november 2005 kan worden aangenomen dat deze terecht vaststelde dat geen gegevens voorliggen die toelaten een uitsplitsing te maken in de gecontroleerde periode tussen een deel van de prijs aangerekend door appellanten aan haar klanten dat een dienst vergoedt belastbaar aan 6 % en een deel van de prijs dat een dienst vergoedt belastbaar aan 21 %.
Appellante brengt ook thans geen andere gegevens bij die het hof toelaten op grond van boekhoudkundige stukken en andere gegevens de door appellanten gedane uitsplitsing te controleren, andere dan een "akkoord", dat, zoals uiteen gezet, niet als bestaande en bewezen beschouwd kan worden.
Met reden voert de Belgische Staat dan ook aan dat op grond van hetgeen voorligt, in toepassing van artikel 1 KB BTW nr. 20 en artikel 64 § 3 WBTW aangenomen moet worden dat handelingen van appellanten geacht kunnen worden voor het geheel betrekking te hebben gehad op diensten waarvoor het hoogste tarief geldt.
Appellante levert tegen de voornoemde wettelijke vermoedens inzake BTW geen tegenbewijs, andere dan het niet bestaand akkoord, zodat haar vordering afgewezen moet worden.
Ook ten aanzien van de gevorderde geldboete weerlegt zij de vaststelling van de inbreuk niet waarop de opgelegde geldboete is gesteund, zodat niet kan worden aangenomen dat de Belgische Staat deze onterecht vordert.
Appellante toont evenmin een fout aan in hoofde van de Belgische Staat. Zij had zelf kunnen blijven aandringen op de totstandkoming van een daadwerkelijke beslissing nopens haar vraag, en had, bij afwezigheid daarvan, stukken en gegevens kunnen bijhouden teneinde op bewijskrachtige wijze de uitsplitsing inzake tarief te kunnen aantonen die zij meende te moeten maken.
Gerechtskosten
Ter zitting van het hof verklaarden partijen ieder een bedrag van … € te vorderen als rechtsplegingvergoeding, die gepast voorkomt.
Gezien het voorgaande, komt het gepast voor appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op voormelde rechtsplegingvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt appellante tot de kosten, begroot in hoger beroep op … EUR voor appellante en op … EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het Hof van beroep te Brussel, op 12 mei 2011
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
- J. V., raadsheer dd voorzitter,
- P. V., raadsheer,
- C. V., raadsheer,
- C. D. N., griffier.
C. D. N. C. V.
P. V. J. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.