Strafbepaling, strafrechtelijke sanctie, voldoening van de belasting, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 2 februari 2010

Zoeken

Strafbepaling, strafrechtelijke sanctie, voldoening van de belasting, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-strafrechtelijke-sanctie-voldoening-belasting-hof-van-beroep-antwerpen-2010-02-eca5

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
2 februari 2010

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 10 maanden
  1. Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen02.02.2010
  2. Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België15.12.2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

133 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 02.02.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2008/AR/1801

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie BTW-registratie en domeinen op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen. waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 4 april 2008;

vertegenwoordigd door Meester N. S. loco Meester M. V. B., advocaat te …, …;

tegen :

F. O., wonende te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester H. D., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 4 april 2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 8 juli 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het incidenteel beroep, ingesteld bij conclusies, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 19 september 20O5.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Veroordeling van F. O.

De heer O., diamantsnijder, was in de jaren 1986 en 1987 werkzaam bij BVBA F. O. J., gevestigd te Antwerpen.

F. O. werd strafrechtelijk vervolgd, onder meer wegens het niet opnemen in de jaarrekening en in de BTW-aangifte van een belangrijk deel van de gerealiseerde omzet. Hij werd onder meer wegens inbreuken op artikel 73, W.BTW veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 oktober 1990 (stuk 3 appellant). Het bedrag van de niet aangegeven verkopen bedroeg volgens dit arrest minstens … BEF (… EUR).

1.2. Dwangbevelen lastens de vennootschap

Bij dwangbevel, uitgevaardigd op 4 juli 1991 lastens BVBA F. O. J. en betekend op 12 juli 1991 werd van de vennootschap betaling gevorderd van :

- BTW : … BEF (… EUR) (betreffende de omzet van 1986)

- boete : … BEF (… EUR)

- interesten

BVBA F. O. J. tekende tegen dit dwangbevel verzet aan voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 25 juli 1991.

Bij dwangbevel van 8 januari 1992 lastens BVBA F. O. J., betekend op 17 januari 1992 werd van de vennootschap bovendien de betaling gevorderd van :

- BTW : … BEF (… EUR) (betreffende de omzet van 1987)

- boete : … BEF (… EUR)

- interesten

Ook tegen dit dwangbevel tekende de BVBA F. O. verzet aan voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 29 januari 1992.

Tijdens de pleidooien werd bevestigd dat in dit verband een vonnis werd gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 21 december 2009, waarbij het verzet door BVBA F. O. als ongegrond werd afgewezen.

1.3. Dwangbevel lastens F. O.

Op 10 maart 2003 werd lastens F. O. een dwangbevel uitgevaardigd, dat betekend werd op 18 april 2003. Er werd betaling gevorderd van F. O. van :

- BTW : … EUR (… BEF) met name 33 % berekend op een bedrag van … BEF.

- de vervolgingskosten

- de interesten krachtens artikel 91, § 4, W.BTW over de som van … EUR, vanaf de betekening van het dwangbevel.

Er werd verwezen naar de bedragen, verschuldigd door de BVBA F. O. J. zoals vermeld in het dwangbevel van 4 juli 1991 en naar de gedeeltelijke betalingen die werden verricht. Vervolgens werd gesteld :

"Aangezien uit een arrest gewezen op 15 november 1990 door het Hof van Beroep te Antwerpen, 8ste Kamer, rechtdoende in correctionele zaken, waarvan een afschrift van dit dwangbevel zal worden gevoegd, blijkt dat de Heer O. F., geboren te … op …, wonende te …, …, veroordeeld werd tot een geldboete van … frank onder meer voor de feiten vermeld onder tenlastelegging VII, D :

"In overtreding met art. 50, § 1, 3° en art. 73 BTW-wetboek, belastingplichtige zijnde met bedrieglijk opzet of met het opzet te schaden, geen maandelijkse of kwartaalaangifte te hebben gedaan van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand of het vorige kwartaal in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid zijn verricht, en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek, namelijk door geen aangifte te doen van de "zwarte" aankopen en verkopen, welke op ten minste … BEF kunnen bepaald worden",

Aangezien krachtens artikel 73sexies van het BTW-Wetboek personen die als daders of medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting”;

1.4 Procedure voor de eerste rechter

F. O. tekende verzet aan tegen het dwangbevel van 10 maart 2003. Hij vorderde om dit dwangbevel te vernietigen, om voor recht te zeggen dat de in dit dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn en derhalve de uitvoering van dit dwangbevel te verbieden. Hij vorderde minstens te zeggen voor recht dat het in het bestreden dwangbevel gevorderde bedrag in hoofdsom verminderd diende te worden met … EUR en om de uitvoering van het dwangbevel die mate te verbieden.

Hij vorderde tevens om te zeggen voor recht dat de betalingen ten bedrage van minstens … EUR die de BVBA F. O. J. in het verleden reeds gedaan heeft, in mindering dienden gebracht te worden van de bedragen die in naam van F. O. worden gevorderd op grond van het bestreden dwangbevel van 10 maart 2003.

Hij vorderde tevens om de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelde dat het bestreden dwangbevel niet kon gelden als een rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een . rechterlijke uitspraak tot veroordeling. F. O. werd immers door de strafrechter niet veroordeeld tot betaling van de ontdoken belasting. Bijgevolg was volgens de eerste rechter niet de verjaringstermijn inzake de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak tot veroordeling van toepassing, doch wel de verjaringstermijn van het oude artikel 81 W.BTW.

De eerste rechter stelde vast dat partijen het erover eens waren, dat alsdan het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de vordering van: de administratie tot voldoening van de BTW 21 oktober 1987 is en dat, bij gebrek aan geldige stuiting of schorsing van de verjaringstermijn, de verjaring zou zijn ingetreden op 20 oktober 1992.

De eerste rechter oordeelde verder dat de dwangbevelen van 4 juli 1991 en 8 januari 1992 lastens de BVBA F. O. J. de verjaring niet alleen stuitten ten aanzien van de vennootschap vanaf de betekening van deze dwangbevelen op 12 juli 1991, respectievelijk 17 januari 1992, doch krachtens de artikelen 1206 en 2249 B. W. ook lastens F. O.. De door de misdrijven ontdoken belasting, waarvoor F. O. strafrechtelijk werd veroordeeld, maakte immers deel uit van de door de BVBA F. O. J. verschuldigde BTW ingevolge de voormelde dwangbevelen.

De eerste rechter onderzocht verder of de dagvaardingen in verzet van de BVBA F. O. J. van 25 juli 1991 en 29 januari 1992 tegen de dwangbevelen van 4 juli 1991 en 8 januari 1992 overeenkomstig artikel 2244 B. W. ook stuitend konden werken ten aanzien van F. O.. Hij oordeelde dat de toepassing van artikel 2244 B. W. veronderstelt dat de stuitende handeling uitgaat van de houder van het recht dat aan het verjaren is, met name de Belgische Staat. Vermits de dagvaardingen uitgingen van de schuldenaar van de belasting, konden ze niet stuitend werken.

De eerste rechter oordeelde verder dat deze dagvaardingen in verzet aan de administratie de mogelijkheid hebben ontnomen om handelingen te stellen tot invordering van de belasting lastens de vennootschap, zodat het effect van de stuiting door de dwangbevelen, door de dagvaardingen werd verlengd tot bij de beëindiging van de gedingen. De eerste rechter verwees hierbij naar het oude artike183 W.BTW dat uitdrukkelijk bepaalde dat de nieuwe verjaring die na de stuiting haar loop is begonnen, slechts verkregen kon worden "indien geen rechtsgeding hangende is".

Deze dagvaardingen in verzet hebben evenwel niet de invorderingsmogelijkheden ontnomen aan de administratie, voor wat haar vordering lastens F. O. zelf betreft.

De verjaringstermijn die ten aanzien van F. O. het laatst geldig werd gestuit op 17 januari 1992 werd niet geschorst en is vanaf dan opnieuw beginnen lopen. Het dwangbevel van 10 maart 2003 werd derhalve uitgevaardigd op een moment dat de verjaring ten aanzien van F. O. reeds was ingetreden.

De eerste rechter oordeelde dat het geschil voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking had op een niet in geld waardeerbare vordéring en dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding derhalve … EUR bedroeg.

1.5. Procedure voor het hoger beroep

In zijn verzoekschrift hoger beroep, ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen neergelegd op 8 juli 2008 vorderde de Belgische Staat om zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis van 4 april 2008 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van F. O. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, met veroordeling van F. O. tot de kosten van het geding, begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

F. O. vorderde om het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

F. O. stelde incidenteel beroep in en vorderde om dit ontvankelijk en gegrond te verklaren.

F. O. vorderde aldus :

"derhalve de oorspronkelijke vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden dwangbevel, gekend onder RCIV-nummer … en uitgevaardigd op 10 maart 2003 door Mevrouw M. D. V., toenmalig waarnemend e.a. Inspecteur van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, te vernietigen, voor recht te zeggen dat concluant de in dit dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is; derhalve de uitvoering van dit dwangbevel te verbieden; minstens voor recht te zeggen dat het in het bestreden dwangbevel gevorderde bedrag verminderd dient te worden met … EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de hierop betrekking hebbende nalatigheidsinteresten, en de uitvoering van het dwangbevel in die mate te verbieden;

voor recht te zeggen dat de betalingen ten bedrage van minstens … EUR die de BVBA F. O. J. in het verleden reeds gedaan heeft, in mindering dienen gebracht te worden van de bedragen die in hoofde van concluant gevorderd worden van het bestreden dwangbevel d.d. 10 maart 2003;

de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW;

en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan .de zijde van concluant begroot op :

- … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg,

- … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep".

2. Bespreking : de verjaring

2.1. De toepasselijke wetgeving inzake verjaring

Aanvankelijk hield de administratie voor dat in deze toepassing diende te worden gemaakt van de verjaringstermijnen die gelden voor de actio judicati. De betekening van het bestreden dwangbevel zou in deze dienen te worden beschouwd als een actio judicati, zijnde de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak tot veroordeling. In haar laatste besluiten sluit de administratie zich aan bij het standpunt dat terzake toepassing moet gemaakt worden van de verjaringstermijn van artikel 81, eerste lid, oud W.BTW.

De vordering van de Belgische Staat tegen F. O. is in onderhavig geval gesteund op artikel 73sexies W.BTW, met name de hoofdelijke gehoudenheid voor de ontdoken belasting ten aanzien van diegenen die veroordeeld werden voor inbreuken op de artikelen 73 en 73bis W.BTW. In het arrest van 15 november 1990 werd F. O. niet zelf veroordeeld tot betaling van de ontdoken BTW aan de Belgische Staat, zodat dit arrest niet als een uitvoerbare titel voor de invordering van de BTW kan gelden.

Derhalve is artikel 81, eerste lid W.BTW van toepassing, zoals het gold tot 5 april 1999. Volgens deze bepaling verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De vordering tot voldoening van de BTW is ontstaan bij het verstrijken van de indieningstermijn van de BTW-aangifte waarin de verschuldigde BTW moest zijn opgenomen, hetzij uiterlijk op 21 oktober 1987.

De verjaring tot voldoening van de BTW was aldus ingetreden op 20 oktober 1992 om middernacht, behoudens stuiting of schorsing.

2.2. De stuiting van de verjaring

2.2.1. Artikel 2244, tweede lid, B. W.

Partijen zijn het erover eens dat in deze geen toepassing gemaakt kan worden van artikel 2244, tweede lid B. W. dat ingevoerd werd door de wet van 25 juli 2008 en dat luidt als volgt : "Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken".

Deze bepaling kan geen invloed hebben op huidig geding, vermits deze bepaling slechts in werking is getreden op 1 september 2008.

2.2.2. Artikel 83, eerste lid W.BTW oud en artikel 83, § 1 W.BTW nieuw, en artikel 85, § 2, 1° W.BTW, samen gelezen met artikel1206 B. W. en 2249 B. W.

• Stuiting ten aanzien van BVBA F. O. J.

Overeenkomstig artikel 83, eerste lid W.BTW, zoals het van toepassing was voor de wetswijziging door artikel 56 van de wet van 15 maart 1999 en artikel 83, § 1 W.BTW zoals het sindsdien van toepassing is, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende B. W. Volgens deze bepaling wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.

Overeenkomstig artikel 85, § 2, 1° W.BTW stuit de kennisgeving van een dwangbevel de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren.

Er bestaat geen discussie over het feit dat de betekening op 12 juli 1991, respectievelijk op 17 januari 1992 van de dwangbevelen van 4 juli 1991 en 8 januari 1992 aldus stuitend heeft gewerkt ten aanzien van BVBA O. J.

• Stuiting van de verjaring ten aanzien van F. O.

Hoewel deze dwangbevelen enkel werden betekend aan de BVBA O. J. hebben ze ook stuitende werking gehad ten aanzien van F. O. als hoofdelijk aansprakelijk schuldenaar.

Overeenkomstig artikel 1206 B. W. stuiten vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars ook de verjaring ten aanzien van allen. Overeenkomstig artikel 2249 B. W. stuit de ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars de verjaring tegen alle overige.

Er kan geen betwisting bestaan over het feit dat de BTW-schuld waarvoor F. O. als hoofdelijke aansprakelijke overeenkomstig artikel 73sexies W.BTW werd veroordeeld, begrepen is in de verschuldigde belasting, waarvoor de dwangbevelen werden uitgevaardigd.

Indien daaropvolgend geen daad van stuiting of schorsing werd gesteld werd de verjaring ten aanzien van F. O. aldus bereikt op 13 juli 1996, respectievelijk op 18 januari 1997, met als gevolg dat de vordering reeds verjaard zou zijn op het moment van de betekening van het dwangbevel van 10 maart 2003.

2.3. Schorsing van de verjaring

2.3.1. Artikel 83, § 1, lid 2 W.BTW

Artikel 83, § 1, lid 2 W.BTW kent een schorsende werking toe aan een rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van het W.BTW, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht.

Deze bepaling werd ingevoerd door de wet van 15 maart 1999 en is slechts van toepassing voor belastingen, interesten en fiscale boeten, wanneer de oorzaak van de eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

De dagvaardingen in verzet van 25 juli 1991 en 29 januari 1992 tegen de dwangbevelen van 4 juli 1991 en 8 januari 1992, betekend op 8 januari 1992 en 17 januari 1992 kunnen dan ook geen schorsende werking hebben gehad overeenkomstig artikel 83, § 1, lid 2 W.BTW, vermits deze bepaling voor deze fiscale schulden nog niet van toepassing was.

2.3.2. Artikel 83, eerste lid oud W.BTW, nu de laatste zin van artikel 83, § 1, eerste lid W.BTW en artikel 2251 B. W.

• Schorsende werking ten aanzien van BVBA F. O. J

Volgens de administratie werd de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar, ingegaan naar aanleiding van de betekening van de dwangbevelen op 12 juli 1991, respectievelijk op 17 januari 1992, geschorst door het verzet hiertegen door BVBA F. O. J. bij dagvaardingen van 25 juli 1991 en 29 januari 1992 en duurt deze schorsing zolang deze verzet procedure hangende is. De administratie beroept zich hierbij op de laatste zin van artikel 83, eerste lid oud W.BTW, nu de laatste zin van artikel 83, § 1, eerste lid W.BTW volgens dewelke een nieuwe verjaring vanaf de stuiting wordt verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.

Het Hof van Cassatie bevestigde recent dat een rechtsgeding, bedoeld in artikel 83, eerste lid in fine (oud) W.BTW, onder meer kan bestaan in het verzet van de belastingplichtige tegen een tegen hem gericht dwangbevel, zodat de verjaring niet kan worden verkregen zolang deze verzetsprocedure loopt (Cass., 16 oktober 2008, T.F.R., 2009. nr. 358, p. 282, met noot B. VANERMEN; R.G.C.F., 2009/2, p.133, met noot F. STEVENART MEEUS).

Het hof oordeelt dat er derhalve geen twijfel over kan bestaan dat het verzet door BVBA F. O. J. tegen de dwangbevelen, betekend op 12 juli 1991 en 17 januari 1992 schorsend heeft gewerkt ten aanzien van de verjaring die liep tegen BVBA F. O. J.

• Schorsende werking ten aanzien van F. O.

Volgens de belastingplichtige kan de verzetsprocedure, ingesteld door BVBA F. O. J. evenwel geen schorsende werking hebben voor de verjaring die loopt tegen F. O..

Het Hof van Cassatie maakt in zijn voormeld arrest van 16 oktober 2008 vooreerst een opsomming van artikel 81, eerste lid W.BTW (oud), artikel 83, eerste lid W.BTW (oud). Artikel 85, § 2 W.BTW, artikel 89, tweede lid W.BTW en artikel 2251 B. W. en stelt dat het regime inzake verjaring van BTW moet worden bepaald uit de samenlezing van deze artikelen. Het Hof van Cassatie leidt uit deze bepalingen af dat het dwangbevel met enkel het bestaan vaststelt van de fiscale schuld, doch ook de uitvoerbare titel betreft, noodzakelijk om tot invordering van de belasting over te gaan. Het hof stelt vast dat het Hof van Cassatie aldus de zinsnede "indien geen rechtsgeding hangende is” interpreteert in het licht van artikel 2251 B. W.

Overeenkomstig artikel 2251 B. W. loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt. Hieruit blijkt dat de schorsing van de verjaring beschouwd dient te worden als een uitzondering, die bijgevolg strikt dient te worden geïnterpreteerd. Deze bepaling is enkel bedoeld ter bescherming van de personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om te handelen. Toegepast op de laatste zin van artikel 83, eerste lid oud W.BTW, nu de laatste zin van artikel 83, § 1, eerste lid W.BTW betekent dit dat een rechtsvordering enkel schorsend' werkt indien blijkt dat de Belgische Staat door het instellen daarvan niet tot invordering van de verschuldigde bedragen kan overgaan.

De belastingplichtige wijst er in deze terecht op dat het aantekenen van verzet door de BVBA O. J. de administratie niet belette om tot invordering van de verschuldigde BTW over te gaan ten laste van F. O. als hoofdelijk aansprakelijke in de zin van artikel 73sexies W.BTW. Overeenkomstig deze bepaling zijn personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting.

Dit is des te meer zo, gelet op de recente rechtspraak van bet 'Grondwettelijk Hof in verband met artikel 73sexies W.BTW. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in een arrest van 9 juli 2009 (arrest nr. 105/2009, rolnummer …) en een arrest van 16 juli 2009 (arrest nr. …117/2009, rolnummer …), dat de hoofdelijk gehoudene die het bedrag van de ontdoken belasting betwist, tegen zijn veroordeling dezelfde rechtsmiddelen kan instellen waarin is voorzien in het Wetboek van strafvordering : "Vermits het bedrag van de ontdoken belasting over de toegevoegde waarde door de strafrechtelijke veroordeling vaststaat, kan zodra die veroordeling definitief is, de administratie bij gebreke van voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde zich richten tot hetzij de belastingplichtige, hetzij de hoofdelijk gehoudene" (B.7.3.). Er bestaat in deze geen betwisting over het feit dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 oktober 1990 kracht van gewijsde had bekomen, zodat de administratie op basis van dit arrest tot invordering lastens F. O. kon overgaan, ondanks verzet vanwege de BVBA F. O. J..

Dat er hoofdelijkheid bestaat tussen F. O. en BVBA F. O. J. voor wat de ontdoken BTW betreft doet aan het voorgaande geen afbreuk. Daaruit afleiden dat het door één van de hoofdelijk gehouden schuldenaars aangetekend rechtsmiddel ook zou gelden voor de overigen, zou een toepassing uitmaken van de theorie van de wederkerige vertegenwoordiging onder hoofdelijke schuldenaars, die sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek in 1967 niet meer wordt aanvaard. Sindsdien geldt immers het principe van de relatieve werking van het hoger beroep, volgens hetwelk het hoger beroep slechts gevolgen kan hebben ten aanzien van de partijen door en tegen wie het rechtsmiddel werd ingesteld (zie hierover onder meer T. SCHEPENS, 'Verjaring van de vordering tot voldoening van de ontdoken BTW lastens derden en medeplichtigen', noot onder rb. Antwerpen, 4 april 2008, T.F.R., 2008, nr. 352, (p. 1081), p. 1086, nr. 19; K. BROECKX, 'Hoger beroep in meerpartijengeschillen', in Het proces in meervoud, M. STORME en P. TAELMAN (eds.), Diegem, Kluwer Rechtswetenschappen, 1997, (p. 77), p. 97, nr. 54).

De administratie beroept zich hierbij ten onrechte op de toepassing van artikel 2249 B. W.. Ten eerste betreft deze bepaling de stuiting van de verjaring en niet de schorsing ervan, waarbij deze bepaling geen afbreuk kan doen aan artikel 2251 B. W.. Bovendien stelt de belastingplichtige in deze terecht dat er geen sprake is van een ingebrekestelling in de zin van artikel 2249 B. W.. De dagvaardingen, door middel waarvan verzet werd aangetekend tegen de dwangbevelen lastens BVBA F. O. J., werden niet betekend aan F. O..

Ten onrechte beroept de administratie zich bij dit alles op de recente cassatierechtspraak, volgens dewelke een kohier op naam van een CVOA of een VOF invorderbaar is lastens de hoofdelijk aansprakelijke vennoten (Cass.,14 juni 2007, T.F.R., 2008, nr. 339, p. 346 en Cass., 22 november 2007, lbid, p. 356). De redenering van de administratie is dan dat een dwangbevel als uitvoerbare titel gelijk te stellen is met een kohier en·dat het feit dat het invorderbaar is lastens de hoofdelijk gehouden schuldenaar van de BTW tot gevolg heeft dat het verzet van een medeschuldenaar de verjaring schorst voor alle hoofdelijk gehouden schuldenaars. Het hof kan deze redenering met volgen.

Ten eerste dient de draagwijdte van voormelde arresten van het Hof van Cassatie te worden beperkt. De hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van een CVOA of een VOF voorde schulden van de vennootschap is van een andere orde dan de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 73sexies W.BTW voor schulden van een BTW-belastingschuldige. De hoofdelijke aansprakelijkheid ontstaat in het eerste geval van bij het ontstaan van de fiscale schuld, daar waar de hoofdelijke aansprakelijkheid in toepassing van artikel 73sexies W.BTW pas ontstaat op het moment van de veroordeling door de strafrechter. De hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 73sexies W.BTW is bovendien aan bepaalde beperkingen en voorwaarden onderworpen (zie in deze zin S. DE RAEDT en J. HEIRMAN, 'De ene belastingschuldige is de andere niet', noot onder Cass., 14 juni 2007, T.F.R., 2008, nr. 339, (p. 348), p. 354, nr. 46 e.v.).

Zelfs indien louter per hypothese, zou geredeneerd worden dat een dwangbevel lastens een BTW-schuldenaar invorderbaar zou zijn lastens een hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar in de zin van artikel 73sexies W.BTW, dan nog zou hieruit niet afgeleid kunnen worden dat een verzet door de schuldenaar van de BTW ook uitwerking zou hebben ten aanzien van de hoofdelijk gehouden schuldenaars. Het verzet door de schuldenaar, belet immers niet dat de administratie een dwangbevel uitvaardigt op naam van de hoofdelijke aansprakelijke, hetgeen ze in onderhavig geval ook heeft gedaan. Bovendien blijft ook in deze hypothese de regel bestaan dat een verzet een relatieve werking heeft en enkel die schuldenaar ten goede komt die het rechtsmiddel heeft aangewend.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 11 oktober 1996 wordt in deze ten onrechte ingeroepen door de administratie. Dit arrest bevestigt de mogelijkheid van de administratie om een dwangbevel uit te vaardigen lastens de hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar in de zin van artikel 73sexies W.BTW. In onderhavig geval dient te worden vastgesteld dat het dwangbevel van 10 maart 2003 het eerste dwangbevel was dat ook tegen F. O. werd gericht.

De dwangbevelen van juli 1991 en januari 1992 werden uitsluitend gericht tot de vennootschap.

• Gevolg

Gelet op het voorgaande, oordeelt het hof dat de verjaring ten aanzien van F. O., die het laatst werd gestuit werd door de betekening op 12 juli 1991 respectievelijk op 17 januari 1992 van de dwangbevelen van 4 juli 1991 en 8 januari 1992, niet werd geschorst door het verzet dat door BVBA F. O. J. tegen deze dwangbevelen werd aangetekend.

2.4. Overige argumenten

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande dat de vordering van de administratie ten aanzien van F. O. aldus verjaarde op 13 juli 1996, respectievelijk op 18 januari 1997, met als gevolg dat de vordering reeds verjaard was op het moment van de betekening van het dwangbevel van 10 maart 2003.

Gelet op deze verjaring dienen de overige argumenten, ingeroepen door partijen niet verder meer te worden onderzocht.

2.5. Rechtsplegingsvergoeding

Volgens de belastingplichtige gaat het om een in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag … EUR. De administratie stelt dat de vordering de nietigverklaring van het dwangbevel betreft en dat ze dus niet in geld waardeerbaar is. Ze bepaalt de rechtsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

Partijen zijn terecht van mening dat de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepaald moet worden overeenkomstig de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 31 mei 2007), uitgevoerd bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007.

F. O. stelt hierbij terecht dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar bet bedrag van. de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering.

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen. bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in onderhavig geval … EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag afte wijken, zodat het kan worden toegekend aan de belastingplichtige als in het gelijk gestelde partij.

Het incidenteel beroep van appellant dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op·tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve voor wat de begroting van de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg betreft •

Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, begroot op :

… EUR eerste aanleg

… EUR hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TWEE FEBRUARI TWEEDUIZENDENTIEN.

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. G., Raadsheer;

en L. M., plaatsvervangend Raadsheer;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. L. M. M. G. D. W.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 731 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8
Non bis in idem, fraude, behoorlijk bestuur2 gemeenschappelijke bepalingen
Misdrijven, Strafsancties2 gemeenschappelijke bepalingen
Misdrijven, Strafsancties2 gemeenschappelijke bepalingen
Misdrijven, Strafsancties2 gemeenschappelijke bepalingen
Invordering van ontdoken belastingen2 gemeenschappelijke bepalingen