Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 31.08.2026 (2025/CO/886)
Fin 68450452/01
Samenvatting
Niet beschikbaar
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen
Arrest 2025/CO/886
31.08.2026
Het OPENBAAR MINISTERIE
en
DE ... STAAT, de Federale Overheidsdienst Financiën, KBO nummer ..., vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in naam van de Adviseur-generaal van de AABBI Gewestelijke directie ..., die woonplaats kiest ten kantore van haar raadsman, kantoor te Filip Williotstraat 30 bus 0102 2600 ...
Tussenkomende partij
Vertegenwoordigd door mr. Koenraad MAENHOUT, advocaat bij de balie provincie
...
Tegen:
1. cie1,
ON ...
met zetel te ... ..., ... ...
Beklaagde
Vertegenwoordigd door mr. FRANCKEN Klaas en door mr. Nouria BELHADDAD loco mr.
Winnie MILBOU, advocaten bij de balie provincie ...
2.M. D.,
RRN ...
geboren te ... op ...
wonende te ... ..., ... ...
van de ... nationaliteit
Beklaagde
Vertegenwoordigd door mr. Nathalie VAN HOOL loco mr. LESMAN Isaac, advocaten bij de
balie provincie ...
3.O. D.,
RRN ...
geboren te ... op ...
wonende te ... ..., ... ...
van de ... nationaliteit
Beklaagde
Aanwezig en bijgestaan door mr. DE JONGE Hannah, advocaat bij de balie provincie
...
4. R.D.,
RRN ...
geboren te ... op ...
wonende te ... ..., ... ...
van de ... nationaliteit
Beklaagde
Aanwezig en bijgestaan door mr. DE JONGE Hannah, advocaat bij de balie provincie
...
1. Ten laste gelegde feiten
als dader of mededader in de zin artikel 66 van het Strafwetboek:
door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt;
door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd,
door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt;
of, door het plegen van de feiten rechtstreeks te hebben uitgelokt door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken dan wel door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld.
A eerste / tweede / derde witwasmisdrijf
(art. 505, 2°-3°-4° Sw.)
Zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw., namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben gekocht, te hebben geruild of om niet te hebben ontvangen, te hebben bezeten, bewaard of beheerd, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, en/of te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, en/of de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3° Sw. bedoelde zaken te hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen, meer bepaald een totaalbedrag van minstens 643.004,07 EUR, middels het aankopen, financieren en/of beheren van (een gedeelte van) de voorraad aan handelsgoederen van cie1, zijnde 99 luxehorloges (in eigendom) met boekhoudkundig geraamde aankoopwaarde van 544.450 EUR (cf. PV 9594-23 (bijlage 1), PV 500363-23) en 140 juwelen (in eigendom) met boekhoudkundig geraamde aankoopwaarde van 98.554,07 EUR (cf. PV 131664-22 (bijlage 2), PV 141528-22), waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is,
te ..., tussen 31/12/2017 (datum voor boekjaar beschikbare boekhouding) en 23/08/2022 (controleactie), in meerdere malen, op niet nader te bepalen data, met betrekking tot M.D. in de periode tussen 31/12/... en 16/07/2020 (datum na einde bestuursmandaat), met betrekking tot R.D. in de periode vanaf 01/07/2021 (start bestuursmandaat),
door Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid cie1, M.D., O.D. en R.D.
B niet-aangifte en niet-betaling BTW
bij inbreuk op de artikelen 53, §1, 2° en 3° en artikel 73 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden als belastingplichtige niet iedere maand, desgevallend niet om de drie maand, aangifte te hebben gedaan van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand of drie maanden in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden zijn verricht, en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek en niet de verschuldigd geworden belasting te hebben voldaan binnen de termijn van indiening van de aangifte van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand desgevallend drie vorige maanden in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid zijn verricht, d.i. binnen de daarop volgende maanden,
meer bepaald door in de periodieke BTW-aangiften van cie1 (...) de hierna vermelde belastbare handelingen niet correct te hebben opgenomen of laten opnemen, en de erop verschuldigde BTW van minstens 590.768,69 EUR (21%) niet te hebben voldaan, met betrekking tot de verkoop van gebruikte goederen (668 verkopen van tweedehands luxehorloges, zoals omschreven in bijlage 1 bij navolgend proces-verbaal 104190-22), waarvoor ten onrechte toepassing werd gemaakt van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen e.a. zoals omschreven in artikel 58 §4 WBTW en KB nr. 53 van 23 december 1994,
Boekjaar Ontdoken BTW (EUR)
2019(Q1-Q4) 185.617,53
2020(Q1-Q4) 177.471,80
2021(Q1-Q4) 194.545,27
2022(Q1-Q2) 33.134,10
TOTAAL : 590.768,69
te ..., tussen 31/12/... en 21/07/2022, in meerdere malen, op niet nader te bepalen data en laatst op 20/10/2022, met betrekking tot M.D. in de periode tussen 31/12/... en 16/07/2020 (datum na einde bestuursmandaat), met betrekking tot R.D. in de periode vanaf 01/07/2021 (start bestuursmandaat),
door Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid cie1, M.D., O•••
D••••••, R.D., ...
C geen passende boekhouding
Bij inbreuk op de artikelen 1.1.1°, 1.5, 111.82, 111.83, 111.84, 111.89 en 111.90 van het Wetboek van
Economische Recht, strafbaar gesteld bij de artikelen XV.69, XV.70 en XV.75 van hetzelfde wetboek, als bestuurder, zaakvoerder, directeur of procuratiehouder van een rechtspersoon, wetens niet een voor de aard en de omvang van het bedrijf van de onderneming passende boekhouding te hebben gevoerd en/of niet de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht genomen te hebben,
1 te ..., tussen 31/12/... (datum voor gebrekkig boekjaar) en 23/08/2022 (controleactie), meermaals, op niet nader te bepalen data, met betrekking tot M.D. in de periode tussen 31/12/... en 16/07/2020 (datum na einde bestuursmandaat), met betrekking tot R.D. in de periode vanaf 01,07/2021 (start bestuursmandaat),
met betrekking tot cie1 (KBO-nummer ...) en de boekjaar eindigend per 31/12/2020, 31/12/2021 en 31/12/2022, geen volledige, conforme en betrouwbare boekhouding te hebben bijgehouden, onder meer door:
het niet bijhouden van een kasboek (minstens met betrekking tot boekjaren 2021-2022);
het verwerken van betalingen versus openstaande schulden aan leveranciers van luxehorloges waardoor identificatie, koppeling en/of individualisering van openstaande schulden per leverancier onmogelijk is, minstens met betrekking tot 40 betalingen (o.a. PV 107447-22; PV 117639-22; PV 115873-22);
het niet verwerken van betalingen aan leveranciers voor aankopen van handelsgoederen (voorraad juwelen en horloges) (o.a. PV 115873-22);
het niet opnemen van (verkoop)facturen opgesteld door belastingplichtige leverancier-wederverkopers van gebruikte goederen (tweedehands luxehorloges), dan wel correcte aankoopborderellen ten aanzien van niet-belastingplichtige leveranciers, ter staving van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen;
door M.D., O.D., R.D., ...
2 ...
D jaarrekening - niet (tijdige) voorlegging ter goedkeuring AV
Bij inbreuk op het artikel 3:1 §1, lid 2 WVV, strafbaar gesteld door artikel 3:43 §1, 1° WVV, als lid van het bestuursorgaan, verzuimd te hebben de jaarrekening binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar ter goedkeuring voor te leggen aan de aan de vennoten verenigd in vergadering of de algemene vergadering,
meer bepaald met betrekking tot de jaarrekeningen van cie1 (KBO-nummer ...), en de boekjaren eindigend per 31/12/2021 (goedkeuring AV op 28/12/2023) en 31/12/2022 (goedkeuring AV op 09/01/2024),
te ..., op 1 juli 2022 en 01/07/2023
door O.D. en R.D.
E inbreuk waarborgen werken uit edele metalen
Bij inbreuk op de artikelen 6, 13 en 19 §1 van de wet van 11 augustus 1987 houdende de waarborg van werken uit edele metalen, strafbaar gesteld door artikel 21 van dezelfde wet, werken die niet overeenkomstig de wet zijn gestempeld, te hebben aangeboden voor verkoop als werken uit goud, uit zilver of uit platina,
meer bepaald:
- tien juwelen met gehaltestempel maar zonder stempelhandtekening
zes juwelen zonder gehaltestempel en zonder stempelhandtekening
te ... op 23 augustus 2021
door Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid cie1, O.D. en R.D.
2. Bestreden beslissing
2.1. Er werd hoger beroep ingesteld op:
28 mei 2025 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D., tegen alle beschikkingen op strafgebied,
13 juni 2025 door de vervolgende partij (administratie der douane en accijnzen) tegen alle beschikkingen,
20 juni 2025 door beklaagde cie1 tegen alle beschikkingen,
23 juni 2025 door beklaagden R.D. en O.D. tegen alle beschikkingen,
2.2. Er werd een verzoekschrift in de zin van art. 204 van het Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te ..., afdeling ... op:
- 28 mei 2025 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagde cie1, ,
- 28 mei 2025 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagde M.D., 28 mei 2025 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagde O.D., 28 mei 2025 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagde R.D.,
- 13 juni 2025 door de vervolgende partij (administratie der douane en accijnzen) tegen alle beschikkingen,
- 20 juni 2025 door beklaagde cie1 tegen alle beschikkingen,
- 23 juni 2025 door beklaagde R.D.,
- 23 juni 2025 door beklaagde O.D. tegen,
2.3. tegen het vonnis, op tegenspraak gewezen op 16 mei 2025 door de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., AC5 kamer (3 rechters), waarbij t.a.v. voornoemden beslist werd als volgt:
Op strafgebied
Heromschrijft tenlastelegging B zoals hoger vermeld.
Ten aanzien van Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid cie1, eerste beklaagde
Spreekt eerste beklaagde cie1 vrij voor tenlastelegging B (zoals heromschreven).
Veroordeelt eerste beklaagde cie1 voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en E:
tot een geldboete van 40.000,00 EUR, zijnde 5.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Verklaart verbeurd lastens eerste beklaagde cie1, op basis van de artikelen 42, 1° en 505 Sw., als voorwerp van de witwasmisdrijven onder de tenlastelegging A, de som van 150.000,00 EUR.
Veroordeelt Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid cie1 tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 505,80 = 101,16 EUR
Ten aanzien van M.D., tweede beklaagde
Spreekt tweede beklaagde M.D. vrij voor tenlastelegging B (zoals heromschreven).
Veroordeelt tweede beklaagde M.D. voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en C.1:
tot een gevangenisstraf van 6 maanden en tot een geldboete van 4000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar.
Verklaart verbeurd lastens tweede beklaagde M.D., op basis van de artikelen 42, 1° en 505 Sw., als voorwerp van de witwasmisdrijven onder de tenlastelegging A, de som van 50.000,00 EUR.
Veroordeelt M.D. tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 505,80 = 101,16 EUR
Ten aanzien van O.D., derde beklaagde
Spreekt derde beklaagde O.D. vrij voor tenlastelegging B (zoals heromschreven).
Veroordeelt derde beklaagde O.D. voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, C.1, D en E:
tot een gevangenisstraf van 1 jaar en tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 5 jaar.
Verklaart verbeurd lastens derde beklaagde O.D., op basis van de artikelen 42, 1° en 505 Sw., als voorwerp van de witwasmisdrijven onder de tenlastelegging A, de som van 100.000,00 euro.
Veroordeelt O.D. tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR
- de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 505,80 = 101,16 EUR
Ten aanzien van R.D., vierde beklaagde
Spreekt vierde beklaagde R.D. vrij voor tenlastelegging B (zoals heromschreven).
Veroordeelt vierde beklaagde R.D. voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A ,
C.1, D en E:
tot een gevangenisstraf van 9 maanden en tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 5 jaar.
Verklaart verbeurd lastens vierde beklaagde R.D., op basis van de artikelen 42, 1° en 505 Sw., als voorwerp van de witwasmisdrijven onder de tenlastelegging A, de som van 50.000,00 EUR.
Veroordeelt R.D. tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
- een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
- een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR
- de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 505,80 = 101,16 EUR
Op burgerlijk gebied
- Burgerlijke vordering van ... Staat, FOD Financiën
Verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de ... Staat, FOD Financiën, tegen eerste beklaagde cie1 ontvankelijk en als volgt gegrond:
veroordeelt eerste beklaagde cie1 tot betaling voor de periode 2019 (tot 8 november 2019):
- btw: 134.507,02 EUR;
- geldboete: 13.450,00 EUR;
- te verhogen met wettelijke fiscale nalatigheidsinterest vanaf 21 juli 2021.
Veroordeelt eerste beklaagde cie1 tot de kosten van het geding, door de tussenkomende partij begroot en door de rechtbank vastgesteld op een rechtsplegingsvergoeding van 7.848,84 EUR. Wijst het meergevorderde af.
3. Rechtspleging voor het hof
1. De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 4 juni 2026. Het hof heeft hierbij gehoord:
- De ... Staat, tussenkomende partij, in haar middelen ontwikkeld door haar raadsman voornoemd;
- Het Openbaar Ministerie in zijn vordering;
- Beklaagde M.D. in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door zijn raadsman voornoemd;
- Beklaagde cie1 in haar middelen van verdediging ontwikkeld door haar raadslieden voornoemd die een stukkenbundel neerleggen;
- beklaagden O.D. en R.D. in hun middelen van verdediging ontwikkeld door hun raadsman voornoemd en door beklaagden zelf.
De beklaagde O.D. werd tevens bijgestaan door een tolk voor de Hebreeuwse taal, ingeschreven onder VTI ....
2. De in de processtukken aanwezige nota, stukken en besluiten werden regelmatig neergelegd en in het beraad betrokken. Geen enkele procespartij formuleert op dit punt enige kritiek of werpt desbetreffend een bezwaar op.
4. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid van de rechtsmiddelen — grieven
3. Het hoger beroep van het openbaar ministerie ten opzichte van beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D. tegen alle beschikkingen op strafgebied van het bestreden vonnis van 16 mei 2025 van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 28 mei 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert het openbaar ministerie gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan inzake cie1, namelijk met betrekking tot de vrijspraak met betrekking tot de feiten omschreven onder tenlastelegging B en met betrekking tot de strafmaat.
Bij regelmatig verzoekschrift van 28 mei 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert het openbaar ministerie gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan inzake M.D., namelijk met betrekking tot de vrijspraak met betrekking tot de feiten omschreven onder tenlastelegging B en met betrekking tot de strafmaat.
Bij regelmatig verzoekschrift van 28 mei 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert het openbaar ministerie gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan inzake O.D., namelijk met betrekking tot de vrijspraak met betrekking tot de feiten omschreven onder tenlastelegging B en met betrekking tot de strafmaat.
Bij regelmatig verzoekschrift van 28 mei 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert het openbaar ministerie gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan inzake R.D., namelijk met betrekking tot de vrijspraak met betrekking tot de feiten omschreven onder tenlastelegging B en met betrekking tot de strafmaat.
4. Het hoger beroep van de ... STAAT, FOD Financiën, tussenkomende partij, tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 16 mei 2025 van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., is ontvankelijk in zoverre gericht tegen de beschikkingen die de zelfstandige vordering van de tussenkomende partij betreffen en onontvankelijk voor het overige.
Bij regelmatig verzoekschrift van 13 juni 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert de tussenkomende partij gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot :
De schuld, meer bepaald de vrijspraak van beklaagden inzake tenlastelegging B en daarmee samenhangend de mogelijkheid tot toepassing van artikel 73sexies Btw-wetboek (inzake de burgerlijke zelfstandige vordering).
De burgerlijke zelfstandige vordering, waarbij wordt aangevoerd dat het bestreden vonnis ten onrechte toepassing maakte van het vertrouwensbeginsel in hoofde van cie1.
5. Het hoger beroep van beklaagde cie1 tegen het bestreden vonnis van 16 mei 2025 van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., is ontvankelijk behoudens, bij gebrek aan belang, in zoverre gericht tegen de vrijspraak voor tenlastelegging B.
Bij regelmatig verzoekschrift van 20 juni 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert beklaagde gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot :
- De schuld aan de ten laste gelegde feiten A en E. Beklaagde voert aan dat zowel het vereiste materieel als moreel element niet aanwezig zijn. Voor tenlastelegging A wordt minstens (ondergeschikt) aangevoerd dat het vermeende illegale vermogensvoordeel ook overschat werd. Voor tenlastelegging E zou het ten laste gelegde feit bovendien onduidelijk zijn, hetgeen een schending van de rechten van verdediging zou inhouden.
- De strafmaat, namelijk de opgelegde geldboete en verbeurdverklaring
De burgerlijke (fiscale) rechtsvordering waarbij wordt verwezen naar een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel voor de gehele fiscale vordering. Ondergeschikt wordt aangevoerd dat ook de verminderde btw-boete van 10% kan niet worden opgelegd.
- De rubriek 'andere', waarbij wordt de veroordeling tot kosten en bijdragen door
de eerste rechter wordt aangehaald, onder verwijzing naar de gevorderde vrijspraak.
6. Het hoger beroep van beklaagden O.D. en R.D. tegen het bestreden vonnis van 16 mei 2025 van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., is ontvankelijk behoudens, bij gebrek aan belang, in zoverre gericht tegen de vrijspraak voor tenlastelegging B.
Bij regelmatig verzoekschrift van 23 juni 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert beklaagde R.D. gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot :
De schuld aan de ten laste gelegde feiten A.1, C, D en E. Beklaagde voert aan dat de constitutieve elementen niet aanwezig waren.
De strafmaat, de opgelegde gevangenisstraf, geldboete (met vervangende gevangenisstraf) en verbeurdverklaring, waarbij wordt verwezen naar de betwisting van de schuld en ondergeschikt dat de straf te zwaar is.
De rubriek 'andere', waarbij wordt verwezen naar de veroordeling tot bijdragen, vaste vergoeding en kosten, onder verwijzing naar de gevorderde vrijspraak.
Bij regelmatig verzoekschrift van 23 juni 2025, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg ..., afdeling ..., voert beklaagde O.D. gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot :
De schuld aan de ten laste gelegde feiten A, C.1, D en E. Beklaagde voert aan dat de constitutieve elementen niet aanwezig waren.
De strafmaat, de opgelegde gevangenisstraf, geldboete (met vervangende gevangenisstraf) en verbeurdverklaring, waarbij wordt verwezen naar de betwisting van de schuld en ondergeschikt dat de straf te zwaar is.
De rubriek 'andere', waarbij wordt verwezen naar de veroordeling tot bijdragen, vaste vergoeding en kosten, onder verwijzing naar de gevorderde vrijspraak.
4.2. Beoordeling ten gronde
4.2.1 Omvang van de beoordeling ten gronde
7. Aan de beoordeling van het hof ligt voor :
Het bepalen van de schuld van beklaagde cie1 aan de ten laste
gelegde feiten A, B en E,
Het bepalen van de schuld van beklaagde van beklaagde M.D. aan het
ten laste gelegde feit B
Het bepalen van de schuld van beklaagde O.D. aan de aan de ten laste
gelegde feiten A, B, C.1, D en E
Het bepalen van de schuld van beklaagde R.D. aan de aan de ten laste
gelegde feiten A, B, C.1, D en E
Het bepalen straf in hoofde van beklaagde M.D.
Het bepalen van de eventuele straf in hoofde van beklaagden cie1
BV, O.D. en R.D..
Het beoordelen van de zelfstandige fiscale vordering van de tussenkomende partij in hoofde van cie1, M.D., O.D. en R.D..
Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep in samenhang met de effecten van het vigerend grievenstelsel, staat de schuld van beklaagde M.D. aan de bewezenverklaarde feiten van de tenlasteleggingen A en C.1 vast zoals door de eerste rechter beslist evenals de veroordeling tot betaling van de forfaitaire vergoeding in de beheerkosten van de strafrechtsbedeling van 61,01 EUR en tot betaling van de kosten van de strafvordering voor de eerste rechter.
8. Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
4.2.2. Beoordeling ten gronde op strafrechtelijk gebied
Voorafgaand : materiële vergissing tenlastelegging B
9. De eerste rechter herstelde terecht een materiële vergissing inzake tenlastelegging
B. Het betreft louter de rechtzetting van een materiële vergissing of verschrijving in de gedinginleidende akte Deze rechtzetting wijzigt de vervolgde feiten niet. Deze rechtzetting blijkt uit de dossierstukken en het bestreden vonnis, waarvan partijen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren. Geen van de partijen voert betwisting betreffende deze materiële vergissing en de rechtzetting ervan.
Het hof voert dan de hierna vermelde rechtzetting door in tenlastelegging B om rekening te houden met
het gegeven dat de verkoopbedragen betaald aan cie1 in regel als inclusief 21% btw kunnen worden beschouwd waarbij deze btw gehaald wordt uit het verkoopbedrag en daarna gesaldeerd wordt met het reeds afgedragen btw-bedrag
een foutieve optelling voor het eerste kwartaal voor 2022 in tabel 1 van bijlage 1 bij proces-verbaal AN.LB.104190/2022, eveneens in detail uiteengezet onder hoofding "B.3.3.1. Materiële vergissing" in de conclusies in graad van beroep van de tussenkomende partij wat resulteert in de vervanging van de vermelding in tenlastelegging B :
"meer bepaald door in de periodieke BTW-aangiften van cie1 (...) de hierna vermelde belastbare handelingen niet correct te hebben opgenomen of laten opnemen, en de erop verschuldigde BTW van minstens 590.768,69 EUR (21%) niet te hebben voldaan, met betrekking tot de verkoop van gebruikte goederen (668 verkopen van tweedehands luxehorloges, zoals omschreven in bijlage 1 bij navolgend proces-verbaal 104190-22), waarvoor ten onrechte toepassing werd gemaakt van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen e.a. zoals omschreven in artikel 58 §4 WBTW en KB nr. 53 van 23 december 1994,
· Boekjaar • Ontdoken BTW (EUR)
· 2019 (Q1-Q4) • 185.617,53
· 2020 (Q1-Q4) • 177.471,80
· 2021 (Q1-Q4) • 194.545,27
· 2022 (Q1-Q2) • 33.134,10
· TOTAAL: • 590.768,69
door de volgende vermelding :
"meer bepaald door in de periodieke BTW-aangiften van cie1 (...) de hierna vermelde belastbare handelingen niet correct te hebben opgenomen of laten opnemen, en de erop verschuldigde BTW van minstens 484.128,07 EUR (21%) niet te hebben voldaan, met betrekking tot de verkoop van gebruikte goederen (668 verkopen van tweedehands luxehorloges, zoals omschreven in bijlage 1 bij navolgend proces-verbaal 104190-22), waarvoor ten onrechte toepassing werd gemaakt van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen e.a. zoals omschreven in artikel 58 §4 WBTW en KB nr. 53 van 23 december 1994,
· Boekjaar • Ontdoken BTW (EUR)
· 2019 (Q1-Q4) • 146.349,17
· 2020 (Q1-Q4) • 139.919,00
· 2021 (Q1-Q4) • 152.501,65
· 2022 (Q1-Q2) • 45.358,26
· TOTAAL: • 484.128,07
11
4.2.2.1. Beoordeling van de schuld
- Uiteenzetting van de feiten
10. Voor wat betreft de uiteenzetting van de feiten, verwijst het hof naar de vermeldingen onder de hoofding "3.4.1. Feiten en vaststellingen" van het bestreden vonnis van 16 mei 2025 op de pagina's 8 tot en met 12. Deze uiteenzetting dient als hernomen te worden beschouwd.
- Beoordeling ten gronde
- Tenlastelegging A - witwassen
11. Beklaagden cie1, O.D. en R.D. worden onder tenlastelegging A vervolgd voor witwassen van een totaalbedrag van minstens 643.004,07 EUR, middels het aankopen, financieren en/of beheren van (een gedeelte van) de voorraad aan handelsgoederen van cie1, zijnde 99 luxehorloges (in eigendom) met een boekhoudkundig geraamde aankoopwaarde van 544.450 EUR (cf. PV 9594-23 (bijlage 1), PV 500363-23) en 140 juwelen (in eigendom) met een boekhoudkundig geraamde aankoopwaarde van 98.554,07 EUR (cf. PV 131664-22 (bijlage 2), PV 141528-22), waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is.
Deze tenlastelegging A heeft betrekking op de periode tussen 31/12/2017 (datum voor boekjaar beschikbare boekhouding) en 23/08/2022 (datum van de controleactie), in meerdere malen, op niet nader te bepalen data, met betrekking tot R.D. nog beperkt tot de periode vanaf 01/07/2021 (start van zijn bestuursmandaat).
12. Bij nazicht van de jaarrekening van cie1 voor het boekjaar eindigend op 31 december 2020 werd in de loop van het onderzoek vastgesteld dat deze een voorraadtoename toonde ten bedrage van 514.755 euro. De handelsschulden ten aanzien van de leveranciers groeiden aan met een bedrag van 496.813 euro. Nazicht van de rekening-courant leveranciers voor het boekjaar eindigend op 31 december 2020 toonde een vermelding van openstaande schulden aan leveranciers ten bedrage van 665.042,84 euro. Daarvan stond het grootste deel, namelijk 657.340 euro, geboekt op de post 'diverse leveranciers — horloge'.
In werkelijkheid waren er evenwel geen openstaande leveranciers, wat bevestigd werd door de verklaringen van O.D. en R.D. bij hun verhoor. Beklaagde O.D. bevestigde bij haar verhoor op 25 oktober 2022 onder meer dat zij zeker was dat ze geen openstaande schulden hadden bij leveranciers van horloges omdat ze de openstaande schulden noteerde in een boekje en ze momenteel geen boekje hadden.
Beklaagden betwisten niet dat de leveranciersschulden vermeld in de boekhouding en jaarrekeningen niet werkelijk bestonden.
De financiering van de voorraad kon dan ook niet op substantiële wijze gebeurd zijn door krediet toegestaan door leveranciers terwijl de boekhouding en jaarrekeningen van cie1 dit lieten uitschijnen.
13. Het hof oordeelt dat beklaagden cie1, O.D. en R.D. er zonder meer van op de hoogte waren dat cie1 niet over gelden van legale oorsprong beschikte om de voorraden aan te kopen die het voorwerp uitmaakten van de tenlastelegging A, meer bepaald de 99 luxehorloges (in eigendom) met boekhoudkundig geraamde aankoopwaarde van 544.450 EUR (cf. PV 9594-23 (bijlage 1), PV 500363-23) en 140 juwelen (in eigendom) met boekhoudkundig geraamde aankoopwaarde van 98.554,07 EUR.
14. Beklaagde cie1 voert aan dat het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden van het basismisdrijf ontbreekt. cie1 vermeldt in de namens haar neergelegde syntheseconclusies dat in boekjaar 2020 de voorraad van de vennootschap toenam voor een totaalbedrag van 514.775,00 EUR en de leveranciers niet betaald leken te zijn geweest terwijl dit wel degelijk het geval was. Dit kon volgens beklaagde geen andere oorzaak hebben dan niet boekhoudkundig verwerkte inkomsten die de vennootschap (potentieel) verschillende jaren heeft gegenereerd en die dus aanleiding hebben gegeven tot de financiering van de voorraadtoename.
Beklaagden, in het bijzonder cie1 verwijzen voor wat betreft het bedrag waarop de tenlastelegging A betrekking heeft naar niet aangegeven omzet voor 559.818,90 EUR, die wel correct berekend zou zijn door accountant H. en onmiddellijk verwerkt werd, weliswaar pas in de jaarrekening van boekjaar 2022, als niet aangegeven omzet en verwerkt in de aangifte vennootschapsbelasting.
Voor wat betreft de niet aangegeven belasting op deze omzet van 559.818,90 EUR voert cie1 aan dat eerst de btw dient te worden berekend. De btw bedraagt 97.158,65 EUR. De (vermeend) ontdoken omzet is immers inclusief btw. Het resterende bedrag aan omzet van 462.660,25 EUR zou (zonder rekening te houden met kosten) leiden tot een vennootschapsbelasting (25%) van 115.665,06 EUR. Het totale vermogensvoordeel uit de zwarte omzet bedraagt dus volgens cie1 maximaal (zonder rekening te houden met kosten) 212.823,71 EUR.
cie1 voert eveneens aan dat niet zou aangetoond zijn inzake deze niet aangegeven omzet dat "enige finale niet-aangifte geschiedde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden", wat een gebrek aan illegaal vermogensvoordeel en ook een gebrek aan moreel element inzake de tenlastelegging A met zich zou brengen.
15. De vaststelling dat met betrekking tot boekjaar 2022 alsnog een niet-recurrente financiële opbrengst werd geboekt van 559.818,90 EUR als 'extra omzet' en dit teneinde de overboeking van de openstaande leveranciers die in werkelijkheid volgens de syntheseconclusie van cie1 "veeleer wel" betaald waren te compenseren wat gebeurde (vlak) voorafgaand aan de correctionele dagvaarding van cie1, brengt evenwel geenszins met zich dat hieruit kan worden afgeleid dat de aankoop van de voorraad waar ten onrechte schulden aan leveranciers tegenover werden geplaatst als wijze van financiering, zou gebeurd zijn met gelden voortkomend uit niet aangegeven omzet en dat het niet aangeven gebeurde zonder bedrieglijk opzet of met een oogmerk om te schaden.
Het hof stelt vast dat beklaagden geen detail bijbrengen van deze berekening door accountant H. en evenmin aangeven waarop deze berekening zou gebaseerd zijn op het vlak van aangewende gegevens en systematiek. Het hof stelt vast dat beklaagden onder meer zelfs geen overzicht geven van de beweerdelijk zwarte omzet per boekjaar, laat staan enige vorm van overzicht van een meer gedetailleerd overzicht of omlijsting van de zwarte verkopen. Daarbij stipt het hof bij wijze van voorbeeld aan dat de niet aangegeven btw door cie1 wordt berekend als 97.158,65 EUR, over een omzet van 559.818,90 EUR, die correct berekend zou zijn door accountant H.. De omzet is evenwel niet gelijk aan de eventuele brutomarge uit zwarte verkopen die had kunnen worden gebruikt voor de financiering van de aankoop van handelsgoederen. Dat geen belastingen werden betaald op verkochte goederen houdt niet in dat ook de leverancier niet zou betaald zijn. In regel zou dan ook meer niet aangegeven omzet moeten gegeneerd zijn om een bedrag van 559.818,90 EUR aan aankopen van handelsgoederen te financieren. Dat gebeurlijk al dan niet een deel van de verkoopprijs van wel geboekte verkopen niet werd opgenomen in de boekhouding wordt niet aangevoerd of toegelicht door beklaagden en kan uit de zeer summiere vermeldingen in de door cie1 bijgebrachte stukken geenszins worden afgeleid.
De loutere bewering van beklaagden over de herkomst van de gelden voorwerp van tenlastelegging A namelijk als omzet die enkel zijn fiscaal regime niet heeft ondergaan wordt dan ook geenszins aannemelijk gemaakt. De vaststelling dat met betrekking tot boekjaar 2022 alsnog een niet-recurrente financiële opbrengst werd geboekt van 559.818,90 EUR als 'extra omzet', doet daaraan geen afbreuk. Ook de vaststelling in de loop van het onderzoek minstens deels uitgegaan werd van de hypothese dat zwarte omzet werd gegeneerd door cie1, doet daaraan geen afbreuk.
16. In het proces-verbaal AN LB.001605/2023 van 5 januari 2023 wordt in detail uiteengezet dat cie1 op basis van de in de boekhouding vermelde verrichtingen en rekening houdend met de daarin vermelde kosten voor de periode van 2014 tot en met 2022 geenszins de nodige middelen genereerde om de voorraad te financieren die werd gewaardeerd op 643.704,07 EUR. Beklaagden hebben kennis genomen van deze berekeningen, die door het hof als relevant en correct worden aangemerkt en waarvan beklaagden ook niet verduidelijken op welke specifieke punten deze berekeningen niet relevant of correct zouden zijn.
Louter volledigheidshalve merkt het hof op dat het beperkte verschil van het in proces-verbaal AN LB.001605/2023 vermelde bedrag voor de waardering van de voorraad met het bedrag van tenlastelegging A voortkomt uit een verschil in waardering waarbij de horloges op 545.150,00 EUR werden gewaardeerd in het in de tenlastelegging A eveneens aangehaalde proces-verbaal 500363/2023. Met dit verschil werd in het voordeel van beklaagden geen rekening gehouden in de tenlastelegging A.
17. Het hof oordeelt in de eerste plaats dat geenszins vaststaat dat de financiering van de voorraad louter voortkomt uit omzet die zijn fiscaal regime het vlak van inkomstenbelasting en btw niet heeft ondergaan, al dan niet beperkt tot omzet van 559.818,90 EUR die berekend werd door accountant H..
Het hof oordeelt dat op basis van de elementen van het strafdossier elke legale oorsprong van het totaalbedrag van minstens 643.004,07 EUR bedoeld in tenlastelegging A uitgesloten is, maar dat de aard van het basismisdrijf niet kan worden vastgesteld.
18. Beklaagden voeren ook aan dat de zaakvoerders voor wat betreft de boekhouding vertrouwden op de (stagiair) accountant van cie1, voormalig medebeklaagde H.D.C.. Beklaagden voeren aan dat hij bij verhoor verklaarde dat hij onvoldoende grip had op het dossier en bevestigde dat hij zelf bepaalde keuzes heeft gemaakt met betrekking tot de wijze waarop hij te werk ging. Door te opteren voor een werkwijze die niet overeenstemde met de gebruikelijke en gangbare boekhoudkundige normen, werd de basis gelegd voor de vastgestelde fouten in de boekhouding.
19. Het hof stelt evenwel vast dat de (stagiair)accountant van cie1, H.D.C., bij zijn verhoor verklaarde dat hij op basis van de boekhouding, niet kon bepalen welke leveranciers nog een openstaande schuld hadden.
Beklaagden voeren niet aan en maken minstens geenszins aannemelijk dat zij de toenmalige (stagiair)accountant effectief de nodige gegevens hebben bezorgd om na te kunnen gaan welke leveranciers welke betalingen hadden uitgevoerd, aan de hand van bewijskrachtige stukken dan wel een systematisch en correct bijgehouden kasboek. Beklaagde O.D. maakte terzake bij verhoor evenwel louter melding van een boekje dat bij cie1 zou bijgehouden zijn waarin de openstaande schulden werden genoteerd.
Beklaagden kunnen dan ook geenszins naar de accountant of boekhouder verwijzen om voor te houden dat zij niet op de hoogte zouden geweest zijn van het feit dat de betreffende voorraad goederen niet met legale gelden kon worden aangekocht door cie1.
O.D. was bovendien degene die binnen cie1 instond voor de administratieve afhandeling van de aan- en verkopen en hiertoe alle documenten aan haar dossierbeheerder H.D.C. overhandigde, zoals zij bevestigde bij haar verhoren en in de namens haar neergelegde conclusies. Zij had dan ook zicht op alle transacties, waarvoor zij de gegevens bijhield, evenals op de betalingen die in werkelijkheid al dan niet verricht waren. R.D. was, overigens ook reeds voorafgaand aan zijn benoeming als zaakvoerder, bezig met de effectieve aan- en verkoop van de handelsgoederen.
Het hof stelt vast dat het grootste deel van de omzet en voorraad betrekking had op de handel in horloges en dat de leveranciers van horloges in werkelijkheid op relatief korte termijn werden betaald, wat door beklaagden O.D. en R.D. bij verhoor werd bevestigd. Het hof stelt vast dat beklaagden op de hoogte waren van het feit dat de voorraad horloges en juwelen allerminst werd gefinancierd door krediet van leveranciers die op korte termijn werden betaald.
Het hof oordeelt dat gelet op de orde van grootte van meer dan een half miljoen euro van de sterk aangegroeide voorraad waar ten onrechte een leveranciersschuld tegenover stond geboekt, minstens in de jaarrekening van het boekjaar eindigend op 31 januari 2020, beklaagde cie1 en haar bestuurders O.D., R.D. zonder meer wisten dat het bedrag aan schulden ten aanzien van leveranciers zelfs niet bij benadering kon kloppen.
De analyse van de boekhoudkundige inkomsten van cie1 in het strafdossier, voor de jaren 2014 tot en met 2022, bevestigt dat de inkomsten zoals opgenomen in de boekhouding volstrekt ontoereikend waren voor de financiering van de algemene bedrijfskosten en de financiering van de voorraden van handelsgoederen. Beklaagden cie1, O.D. en R.D. kenden, voor de periode waarvoor ze worden vervolgd, de werking van de vennootschap, de opbrengsten en kosten en de kasstromen en waren zonder meer op de hoogte van dit gebrek aan middelen. R.D. kocht en verkocht namens cie1 de luxehorloges, wat de kernactiviteit van de vennootschap was en inhoudt dat hij zonder meer en bijzonder goed op de hoogte was van de kosten en opbrengsten die daarmee verbonden waren en ook minstens zicht had op de algemene kosten, zodat hij als bestuurder ook zonder meer over specifieke kennis terzake beschikte en als bestuurder wist dat de door hem grotendeels gegenereerde inkomsten zoals opgenomen in de boekhouding volstrekt ontoereikend waren voor de financiering van de algemene bedrijfskosten en de financiering van de voorraden van handelsgoederen.
Het staat bijgevolg vast dat de voorraad ten belope van 643.004,07 euro integraal gefinancierd werd met gelden waarvan de legale oorsprong kan uitgesloten worden. Het feit dat grote sommen geld, waaronder heel wat verrichtingen waarbij contant geld wordt gebruikt, werden gebruikt ter financiering van de voorraad gecombineerd met het ontbreken van een totaal geloofwaardige boekhouding en het gebrek aan enige verklaring voor de herkomst van de fondsen, toonde zoals de eerste rechter terecht analyseerde, zonder meer een intentie aan in hoofde van alle beklaagden om de traceerbaarheid van illegale gelden te doorbreken.
Beklaagden O.D. en R.D. konden bovendien ook bij eenvoudig nazicht zonder meer hebben vastgesteld dat de vermeldingen in de jaarrekening voor het boekjaar eindigend op 31 december 2020 dat de voorraad geenszins kon gefinancierd zijn door openstaande vorderingen op leveranciers.
Het hof merkt nog op dat beklaagde O.D. bestuurder was ten tijde van de goedkeuring van de jaarrekening (volgens de vermelding op de jaarrekening op 16 juni 2021) en dat R.D. alle aandelen van cie1 had verworven en zaakvoerder werd vanaf 1 juli 2021, wat wordt bevestigd in de namens O.D. en R.D. en cie1 neergelegde conclusies. R.D. heeft bij de verwerving van alle aandelen en het opnemen van een bestuursfunctie ongetwijfeld kennis genomen van de vlak voordien goedgekeurde jaarrekening. Het hof stipt volledigheidshalve aan dat de verwijzing naar de jaarrekening voor het boekjaar 2020 geenszins een beperking inhoudt van de incriminatieperiode tot dit boekjaar.
20. Opdat sprake kan zijn van een witwasmisdrijf vervat in artikel 505 lid 1, 2°, 3° of 4° van het Strafwetboek is vereist dat het voorwerp van dat misdrijf een zaak betreft bedoeld in artikel 42,3° van het Strafwetboek, met name een vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf (het zogenaamde basismisdrijf) werd verkregen, goederen of waarden die in de plaats ervan zijn gesteld of inkomsten uit de belegde voordelen. Bovendien is vereist dat de dader van het witwasmisdrijf de wederrechtelijke herkomst of oorsprong kende, eventueel in het geval van artikel 505, eerste lid, 2° en 4° van het Strafwetboek dat hij deze moest kennen.
Het is niet vereist dat er voor het basismisdrijf strafrechtelijke vervolging werd ingesteld; het is niet vereist dat in de tenlastelegging het basismisdrijf concreet wordt aangeduid; het is zelfs niet vereist dat de strafrechter die dient te oordelen over het ten laste gelegde witwasmisdrijf het precieze basismisdrijf kent, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke legale herkomst of oorsprong kan uitsluiten.
21. Het bewijs van het morele bestanddeel van het witwasmisdrijf kan worden afgeleid uit alle feitelijke omstandigheden die noodzakelijkerwijs het wantrouwen moeten opwekken van degene die de zaken in bezit neemt en die voldoende ernstige, duidelijke en met elkaar overeenstemmende vermoedens uitmaken die het besluit wettigen dat het bestanddeel kennis wel degelijk aanwezig is. Voor de tenlastelegging A staat vast dat de beklaagden cie1, O.D. en R.D. in de concrete omstandigheden telkens zonder meer op de hoogte waren van de wederrechtelijke oorsprong van de vermogensvoordelen, mede gelet op voormelde overwegingen, de omvang van de witgewassen vermogensvoordelen en het voortduren in de tijd van de witwashandelingen.
22. Het hof stelt nog vast dat beklaagden O.D., R.D. en M.D. zelf niet verklaarden en dat beklaagden O.D., R.D. niet aanvoeren dat zij over inkomsten of ontvangsten van legale oorsprong beschikten om deze gelden te kunnen storten of inbrengen, evenals dat geen lening werd aangegaan die niet in de boekhouding van cie1 werd opgenomen.
Bij haar verhoor van 22/12/2022 bevestigde beklaagde O.D. dat de gelden gebruikt voor de aankoop van de voorraden niet afkomstig waren van haarzelf of haar gezin en dat ook geen lening werd aangegaan. Op de vraag "Beschikt uw gezin over een legaal opgebouwd vermogen dat mogelijks kan aangewend zijn voor de financiering van de voorraden?" antwoordde zij "Neen. Dat hebben we niet." Op de vraag of een lening werd aangegaan die niet is opgenomen in de boekhouding antwoordde zij: "Neen. Die is er niet."
23. Door de verrichtingen beschreven onder de tenlastelegging A werden de gelden van illegale herkomst door beklaagden cie1, O.D. en R.D. witgewassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4' van het Strafwetboek. Door deze handelingen werd minstens de aard, de oorsprong en/of de eigendom van de illegale vermogensvoordelen verheeld of verhuld, ofschoon zij als daders op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moesten kennen. Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4' van het Strafwetboek onder de tenlastelegging A zijn voorhanden in hoofde van beklaagden cie1, O.D. en R.D.. Alle door de wet vereiste constitutieve bestanddelen van het ten laste gelegd misdrijf zijn bewezen.
Geen enkel argument van beklaagden in conclusies is van aard om het hof anders te doen oordelen of is pertinent en behoeft derhalve geen verdere beantwoording.
Tenlastelegging B — fraude inzake btw
24. Onder tenlastelegging B worden beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D. vervolgd voor fraude inzake btw, meer bepaald door verschuldigde btw van minstens 590.768,69 EUR (berekend aan een btw-tarief van 21%) niet te hebben voldaan, met betrekking tot de verkoop van 668 verkopen van tweedehands luxehorloges, waarvoor ten onrechte toepassing werd gemaakt van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen.
De tenlastelegging B heeft betrekking op de periode tussen 31/12/... en 21/07/2022, op niet nader te bepalen data en laatst op 20/10/2022, met betrekking tot M.D. in de periode tussen 31/12/... en 16/07/2020 (datum einde bestuursmandaat) en met betrekking tot R.D. in de periode vanaf 01/07/2021 (start bestuursmandaat).
25. Het hof stelt vast dat op basis van de stukken van het stafdossier vaststaat dat beklaagden O•••••• D'O• B•, M.D., O.D. en R.D. geen rekening hebben gehouden met de voorwaarden voor de toepassing van de margeregeling door cie1 voor de 668 verkopen van tweedehands luxehorloges.
De 668 verkopen betreffen margeverkopen van horloges aangekocht bij professionele wederverkopers waarbij gebruik werd gemaakt van een door cie1 zelf gefabriceerd aankoopborderel of waarbij er geen aankoopborderel werd aangetroffen in de boekhouding van cie1 (zie proces-verbaal AN.LB.104190/2022).
Onder meer de voorwaarde dat de leveranciers van cie1 als belastingplichtige wederverkopers zelf geen recht mogen hebben doen gelden op aftrek (of teruggaaf) van de bij de aankoop door de wederverkoper vereffende belasting, en de aan cie1 verkochte goederen zelf heeft verworven via toepassing van de margeregeling, werd voor de 688 verkopen in essentie, wetens en willens volledig genegeerd door beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D..
cie1 heeft voor deze verkopen nooit enig attest inzake de margeregeling opgesteld en laten ondertekenen door de verkoper, en had in de boekhouding ook geen andere stukken die een bewijs of zelfs maar een indicatie konden zijn voor de correcte toepassing van de margeregeling, zoals een voorlegging van een factuur uitgereikt door de leverancier als belastingplichtige wederverkoper met een vermelding waaruit kon blijken dat het goed onderworpen werd aan de margeregeling dan wel stukken zoals bijvoorbeeld deze vermeld in de Btw-commentaar namelijk bestelbons, contracten, vervoerdocumenten en betalingsbewijzen met betrekking tot het goed en de levering ervan.
26. cie1 stelde eenvoudig zelf aankoopbewijzen op om het overgrote deel van de aankopen te staven. Van de 726 onderzochte margeverkopen van horloges aangekocht bij professionele wederverkopers vanaf ..., werden voor 668 margeverkopen door cie1 zelf aankoopbewijzen opgemaakt (of er was geen enkel aankoopbewijs) wat neerkomt op het overgrote deel, ongeveer 92%, van de margeverkopen. De door cie1 opgestelde aankoopbewijzen vermeldden ook niet dat de verkoper, die soms mee ondertekende, één van de personen was bedoeld in artikel 58, §4; 2° WBTW, waaronder een "een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de onderhavige bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de belasting" (NB- de onderhavige bijzondere regeling is de margeregeling).
Het hof stelt vast dat de 668 verkopen van tweedehands luxehorloges (beweerdelijk) werden aangekocht bij professionele verkopers zodat de hypothese van de belastingplichtige wederverkoper die zelf de margeregeling toepaste als één van de personen was zoals bedoeld in artikel 58, §4; 2° WBTW de enige waarschijnlijke optie is die had kunnen worden toegepast van de vier categorieën die artikel 58, §4; 2 WBTW bepaalt. De aankoopbewijzen vermeldden enkel "ER WERD GEEN BTW GEREKEND VOOR HET VERKOCHTE GOEDEREN", wat manifest ontoereikend is om het voldaan zijn aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling zelfs maar aannemelijk te maken.
Bovendien werd vastgesteld dat de aankoopbewijzen vaak geen volledige identificatie van de verkoper omvatten met naam, adres en btw-nummer. Het hof stelt vast dat beklaagden O.D. en R.D. bij hun verhoor verklaarden dat zij de tweedehandshorloges in regel van dezelfde professionele verkopers aankochten op een beurs te München. Beklaagden geven bij hun verhoren of in hun conclusies overigens niet aan dat een legitieme reden zou bestaan hebben waarom hun leveranciers, waarmee zij volgens hun verklaringen ook vaak zaken deden, niet eenvoudig zelf facturen opstelden. De combinatie met courante cash betalingen maakt dat ook de prijs en de al dan niet effectieve betaling van de prijs, wat ook reeds naar voor kwam in het kader van bovenstaande beoordeling van tenlastelegging A, gebaseerd is op door beklaagden zelf opgestelde documenten zonder enige onderbouwing terzake.
Op de verkoopfacturen uitgaande van cie1 werd ook zelfs niet vermeld dat toepassing werd gemaakt van de margeregeling voor gebruikte goederen.
27. Beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D. betwisten enkel het moreel bestanddeel van de inbreuk met name de afwezigheid van een bedrieglijk opzet of een oogmerk te schaden' bedoeld in artikel 73 WBTW.
Beklaagden verwijzen daarbij hoofdzakelijk naar de boekhouder, in het bijzonder naar cie2 en (stagiair) H.D.C. als dossierbeheerder. Beklaagde O.D. voert aan dat zij steeds te goeder trouw de nodige documenten aan haar (stagiair)accountant heeft afgeleverd, in de veronderstelling dat hiermee toepassing kon gemaakt worden van de margeregeling en zonder dat hierover opmerkingen werden gemaakt door de dossierbeheerder.
Beklaagde M.D. verklaarde bij zijn verhoor dat de hem voorgelegde aankoopbewijzen opgesteld door cie1 consignatiebewijzen waren die evenwel meer informatie moesten bevatten zoals de vermelding dat het gebruikte horloges betrof. Hij verklaarde eveneens dat deze consignatiebewijzen voorheen door de consignatiegever werden opgesteld met serienummers en kopie van de identiteitskaart van de consignatiegever. De vraag waarom de consignatiegever / verkoper de betreffende bewijzen niet had opgesteld, kon hij niet beantwoorden.
Beklaagde R.D. verklaarde over de margeregeling dat op de winst van de horloges 21% werd betaald en dat op de totale verkoopprijs van de horloges
ongeveer 7% werd betaald. Van de voorwaarden zou hij niet op de hoogte zijn.
Beklaagde O.D. werd er bij haar verhoor op gewezen dat uit analyse van de boekhouding blijkt dat cie1 worde wettelijke verplichtingen voor toepassing van de margeregeling niet naleefde. Op de vraag of ze begreep wat bedoeld wordt met de wettelijke verplichtingen van de margeregeling, antwoordde zij: "Ja ik begrijp dit. Ik heb goederen gekocht en verkocht. Ik heb alles binnengebracht bij mijn boekhouder. Hij is verantwoordelijk voor de toepassing van de diverse wettelijke verplichtingen. Ik heb alles betaald wat mij gevraagd werd te betalen. Ik heb hem nooit gevraagd hoe hij de berekening deed. ik heb hem altijd vertrouwd."
Over het zelf opstellen van aankoopbewijzen verklaarde zij :
"Dit valt niet altijd voor. Als ik een factuur aangeboden krijg van de leverancier, steek ik deze in mijn boekhouding. Als ik geen factuur krijg dan maak ik zelf een document op dat in de boekhouding wordt opgenomen.
Soms zijn er leveranciers die zeggen dat zij een factuur zullen opsturen maar wij moeten vaststellen dat dit dan niet gebeurd. Ik stel vast dat er mij nooit eerder is gewezen op het feit dat het fout is om zelf een document op te stellen voor de aankoop van goederen. Indien dit mij eerder was gezegd had ik mij hier zeker aan aangepast. Het kan zijn dat ik niet altijd alles correct heb gedaan maar ik heb alles betaald dat ik moest betalen. Ik heb altijd vertrouwd op mijn boekhouder waar ik al negen jaar mee samenwerk."
Beklaagde O.D. werd er bij verhoor op gewezen dat het zelf gefabriceerd aankoopborderel op geen enkele wijze het bewijs vormt dat de leverancier van het product geen enkel recht heeft kunnen doen gelden op de recuperatie van de bij de aankoop vereffende belasting en dat op geen enkele andere wijze het bewijs geleverd wordt dat de belastingplichtige leverancier geen recht heeft kunnen doen gelden op de recuperatie van de bij de aankoop vereffende belasting Beklaagde O.D. antwoordde hierop: "Ik begrijp dit, dit klopt."
28. Het hof stelt vast dat beklaagden M.D., O.D. en R.D. allen professioneel actief zijn, minstens ten tijde van het ten laste gelegde feit B (voor hun incriminatieperiode) geweest zijn specifiek inzake de aankoop en verkoop van tweedehands horloges, wat ook het grootste deel van de omzet van cie1 vormde. Beklaagden waren er zonder meer van op de hoogte dat zij geen btw aanrekenden op de volledige verkoopprijs, maar slechts op een deel daarvan, door een bijzondere regeling toe te passen, namelijk de margeregeling voor gebruikte goederen. Het hof acht het ongeloofwaardig dat zij volstrekt niet op de hoogte zouden geweest zijn van de voorwaarden voor de toepassing van de margeregeling.
Minstens wisten beklaagden als professionele actoren dat de margeregeling slechts kan worden toegepast indien de btw over het horloge voordien reeds was voldaan en geen recht op aftrek (of teruggaaf was ontstaan). Zij wisten dan ook zonder meer dat de margeregeling bij een verkoop door een professionele verkoper, zoals de 688 verkopen waarop tenlastelegging B betrekking heeft, slechts kon worden toegepast voor gebruikte goederen indien deze professionele verkoper zelf de margeregeling heeft toegepast. Dat zij voor het overige mogelijk niet in detail op de hoogte waren van de voorwaarden en alle formaliteiten, doet hieraan geenszins afbreuk.
De financiële impact van het betalen van 21% btw op de totale verkoopprijs dan wel op de marge, was groot en had impact op de winstgevendheid van de verrichtingen van cie1. Bij het hanteren van een zelfde verkoopprijs inclusief voor de particuliere klanten zonder recht op btw-aftrek, kon cie1 een hogere marge realiseren aangezien minder btw moest worden afgedragen, minstens had cie1 daardoor een voordeel op de concurrente die wel correct de btw-wetgeving naleefden.
Zowel O.D. die de administratieve afhandeling van de verkopen deed en alle gegevens bezorgde aan dossierbeheerder H.D.C. waarmee deze de boekhouding moest voeren met inbegrip van de zelfgemaakte aankoopbewijzen en R.D. die instond voor de aankoop en verkoop, waren beroepshalve dagelijks bezig met het behalen voor cie1 en opvolgen van de marges.
Door de voormelde werkwijze met onder meer het zelf opstellen van aankoopbewijzen die zelfs niet verwijzen naar enige toepassing van de margeregeling voor gebruikte goederen door de professionele verkopers die als belastingplichtige wederverkopers al dan niet werd toegepast en ook geen andere gegevens te hebben bijgehouden die relevant zijn om zelfs maar na te gaan of voldaan was aan de belangrijkste voorwaarden inzake de margeregling, hebben beklaagden er wetens en willens voor gekozen om systematisch voor een groot deel van de handel in (luxe) tweedehands horloges, wat de belangrijkste activiteit vormde voor cie1, op geen enkele wijze rekening te houden met de voorwaarden inzake de toepassing van de margeregeling.
De verklaringen van beklaagden dat zij zelfs niet op de hoogte waren van de voormelde basisvoorwaarden inzake toepassing van de margeregeling en dat zij louter vertrouwden op de boekhouder of (stagiair)accountant, zijn niet geloofwaardig.
Het hof oordeelt dat ook M.D., ondanks de vaststelling dat hij voor een beperktere incriminatieperiode wordt vervolgd dan O.D. en mogelijks niet of niet de hele periode op dagelijkse basis bij de werking van de vennootschap cie1 betrokken was, hij zonder meer op de hoogte was van het bewust en structureel niet naleven van de regels inzake de margeregeling, in de periode dat hij hoofdaandeelhouder was en bestuurder (of zaakvoerder) van de vennootschap die hij heeft opgericht en die hij, deels samen met O.D., jarenlang heeft geleid en opgestart. Beklaagde als oprichter kende de werking van de vennootschap met inbegrip van de aan- en verkoop van luxehorloges en de behandeling op btw-vlak zodat hij geenszins dagelijks aanwezig diende te zijn om te weten dat de vennootschap voor wat betreft haar voornaamste activiteit op grote schaal de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling in de praktijk negeerde. In het voordeel van beklaagde is de incriminatieperiode overigens niet doorgetrokken naar de periode waarin hij geen bestuurder meer was maar wel nog hoofdaandeelhouder.
29. Beklaagden verwijzen voor wat betreft de beweerdelijke afwezigheid van moreel element inzake tenlastelegging B nog naar twee btw-controles die plaatsvonden bij cie1, voor de periode 2016-2017 op 23 oktober 2019 en voor de periode 2019-2020 op 22 februari 2022. Beklaagden zouden erop vertrouwen hebben dat de door cie1 toegepaste werkwijze aanvaard werd door de belastingadministratie, wat zou blijken uit de betreffende controles.
Het hof stelt evenwel vast dat het controleverslag geen melding maakt van een controle van de onderliggende stukken en in het bijzonder geen melding wordt gemaakt van controle van de aankoopbewijzen opgesteld door cie1.
Het controleverslag vermeldt :
'/
Aan en verkoop van 2ehandshorloges, toepassing gemaakt van de margeregeling.
De kosten/ aankopen zijn dus vooral bij particulieren (zonder btw).
Marge nagekeken, excel inkomende goederen vergeleken met de uitgaande facturen en hier werden enkele onregelmatigheden vastgesteld: enkele goederen op de aankoopfacturen zijn niet verkocht én zitten ook niet meer in de voorraad.
Interne jaarrekening vergeleken met de btw-aangiftes, verschillen vastgesteld: marge nagerekend en vergeleken met de rooster 61 in de aangiftes: ook niet in orde.
Er werd een verklaring doorgestuurd (met een verschil van 12.166,12 euro
btw), dit werd uiteindelijk opgenomen in de correctieopgave.
Voor het overige: kosten beroepsmatig.
Veel cash betalingen bij de aankopen (zonder btw), ook boven de 3.000 euro,
er zal een melding worden gedaan bij de FOD economie."
Deze vermeldingen verwijzen inzake het nazicht van de marge hoofdzakelijk naar de vergelijking van de "excel inkomende goederen" met de uitgaande facturen. Daaruit bljikt dat enkele goederen op de aankoopfacturen niet verkocht zijn én ook niet meer in de voorraad zitten. Voor het overige wordt verwezen naar aankopen bij particulieren zonder btw, en dus niet naar aankopen van professionele wederverkopers die zouden gecontroleerd zijn.
Deze vermeldingen ondersteunen de verklaring van de ambtenaar die de controle verrichtte, de heer D.D.S., zoals opgenomen in conclusies van de ... Staat als tussenkomende partij. Deze ambtenaar gaf aan dat de margeregeling niet in detail werd nagekeken (er was geen expertise in) en de aankoopborderellen niet in detail bekeken werden maar enkel de algemene hieruit volgende boekingen.
Er werd door de heer D.D.S. van uitgegaan dat vooral bij particulieren werd aangekocht wat verder niet werd nagekeken. Het hof stelt vast dat dergelijk nazicht inderdaad ook niet werd vermeld in het controleverslag.
De btw-controle die op 22 februari 2022 werd aangevangen, heeft pas op 8 september 2022 geleid tot een regularisatieopgave en verwijst naar controles uitgevoerd in het cie2 op 21 juni 2022 en 16 augustus 2022. Deze controle was dus nog niet afgerond binnen de incriminatieperiode voor tenlastelegging B die loopt tot 21 juli 2022, minstens was daarover nog geen formeel standpunt ingenomen door de belastingadministratie. Het hof stipt aan dat de correctieopgave pas na de incriminatieperiode inzake tenlastelegging C.1 werd verzonden aan cie1.
Het hof kan geenszins vaststellen dat de betreffende controles en de daaruit voortvloeiende communicatie van de zijde van de ... Staat van aard was dat beklaagden er daadwerkelijk op zouden vertrouwd hebben dat de door cie1 toegepaste werkwijze aanvaard werd door de belastingadministratie. Deze controles zijn geenszins van aard om afbreuk te doen aan de vaststellingen betreffende het moreel element inzake tenlastelegging B.
30. Dat beklaagden niet louter nalatig waren maar met bedrieglijk opzet handelden, blijkt ook uit de aard en hoeveelheid van de onregelmatigheden en inbreuken die hiervoor werden opgesomd en die een impact hadden op de aangegeven btw, waaruit een systematische fraude met doordacht karakter blijkt, die eveneens gericht was op het ontduiken van btw.
31. Beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D. hebben met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, zoals voormeld de bepalingen van het Wetboek van de Btw of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreden zoals voormeld. Het bedrieglijk opzet bestond erin de verschuldigde btw niet te betalen en niet door te storten, door ten onrechte de margeregeling bedoeld in artikel 58 WBTW toe te passen.
Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf onder de tenlastelegging B (zoals heromschreven) zijn verenigd in hoofde van beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D., voor de in hun hoofde in de tenlastelegging B (zoals heromschreven) vermelde incriminatieperiode. Hun schuld aan dit misdrijf is bewezen.
32. Geen enkel argument van beklaagden in conclusies is van aard om het hof anders te doen oordelen of is pertinent en behoeft derhalve geen verdere beantwoording.
Tenlastelegging C.1—niet voeren passende boekhouding
33. Beklaagden O.D. en R.D. worden onder tenlastelegging C.1 vervolgd voor het niet voeren van een passende boekhouding van cie1 door geen volledige, conforme en betrouwbare boekhouding te hebben bijgehouden, geen kasboek, geen verwerking van de betalingen ten opzichte van openstaande leveranciers en het niet opnemen verkoopfacturen van belastingplichtige leveranciers-wederverkopers of correcte aankoopborderellen.
34. Voor wat betreft het kasboek voert O.D. op in de namens haar neergelegde syntheseberoepsconclusie dat de kasbewegingen wel degelijk werden bijgehouden, weliswaar niet op een wetsconforme wijze, maar dat hierdoor nog geen sprake zou zijn van het niet bijhouden van een kasboek zoals de tenlastelegging viseert.
Het hof oordeelt evenwel dat cie1 een kasboek diende bij te houden en dat de notities in schriftjes of notitieboekjes van O.D. geen kasboek vormden dat kan geacht worden een getrouwe weergave te zijn van de inkomende en uitgaande cash verrichtingen. De notities werden onder meer gemaakt op niet doorlopend genummerde bladeren in een kasboek zodat cash verrichtingen konden worden tussengeschoven of weggelaten. Deze notities werden bovendien verspreid over de bladzijden die werden gebruikt maar door middel van een eerder losse indeling van de pagina's zonder dat er een volledig vaste structuur was zoals bij een werkelijk kasboek en zonder dat op enigerlei wijze aannemelijk wordt gemaakt dat deze inschrijvingen daadwerkelijk op dagelijkse of minstens regelmatige basis gebeurden en niet door van tijd tot tijd de gegevens aan te vullen in de verschillende kolommen en lijsten zoals wenselijk werd geacht (zie bijv. de bijlagen 1, 2 en 3 bij het proces-verbaal LB.093641/2022).
Bij haar verhoor op 7 december 2022 werd een vraag gesteld waarin volgende vermelding voorkwam "De twee kasboeken worden echter niet gebruikt als kasboek maar wel om de verkopen van juwelen per maand bij te houden. Telkens er een juweel verkocht wordt, wordt de aan- en verkoopprijs genoteerd inclusief BTW. Wij tonen u deze kasboeken". Bij haar verhoor heeft O.D. niets ingebracht tegen deze voorstelling van zaken. De inschrijvingen van inkomende en uitgaande bedragen werden inderdaad in het boek, dat als kasboek had moeten fungeren, gegroepeerd met bedragen voor aankoop en verkoop op dezelfde lijn, terwijl het onwaarschijnlijk is dat de juwelen die werden aangekocht, dezelfde dag reeds werden verkocht.
Beklaagden voeren aan dat ze van mening waren dat de werkwijze die zij hanteerden voldoende was omdat O.D. vertrouwde op de correcte verwerking door
cie2 en haar dossierbeheerder H.D.C..
H.D.C. verklaarde bij zijn verhoor op 14 september 2022 evenwel op de vraag waarom op dagdagelijkse basis of wekelijkse basis geen kasboek wordt bijgehouden en er zodoende voor het lopende boekjaar en het voorgaande boekjaar geen kasboek aanwezig is:
"Ik begrijp dit ook niet eerlijk gezegd. Wij hebben daar herhaaldelijk op gehamerd. Wij hebben gezegd dat het groene boek moest aangekocht worden om ingevuld te worden. Wij hebben sinds 2021 wel screenshots gekregen van wat zij, O.D., bijhoudt van kasboek maar ik heb dit nog niet in de boekhouding verwerkt." Zoals
voormeld, werd naast de notitieboekjes een fysiek kasboek bijgehouden dat evenwel niet daadwerkelijk die functie vervulde maar een aantal aan- en verkopen per lijn groepeerde.
Daarenboven verklaarde H.D.C. bij zijn verhoor:
"Wij stellen heel de boekhouding op. Het kasboek is op dat vlak het sluitstuk van het geheel. Wij zien wat er via de bank gekomen is en op die manier kunnen wij op basis van de documenten die ons zijn gegeven vaststellen wat er via de bank is betaald. Op die manier proberen we een realistische weergave te maken van de cash-bewegingen. Ik begrijp dat dit niet de normale gang van werken is. Wij hebben hier heel hard op gehamerd en herhaaldelijk aangedrongen. We hebben recent nu wel de screenshots van 2021 gekregen maar ik moet eerlijk bekennen dat ik dit nog niet heb verwerkt. Voor alle andere klanten werken wij uiteraard op basis van een ingevuld kasboek of een kassamodule."
35. De verklaringen bij verhoor van H.D.C., waaronder bovenstaande, bevestigen dat beklaagden wetens en willens ervoor gekozen hebben om geen kasboek bij te houden ondanks herhaaldelijke vragen daartoe en dat de gegevens die aan de (stagiair)accountant H.D.C. werden bezorgd, geenszins toelieten om te bepalen wat de werkelijke betalingen waren die hadden plaatsgevonden.
36. Voor wat betreft het verwerken van betalingen versus openstaande schulden aan leveranciers waardoor de identificatie, koppeling en/of individualisering van openstaande schulden per leverancier onmogelijk is en het niet verwerken van betalingen aan leveranciers voor aankopen van handelsgoederen, verwijst het hof naar de beoordeling inzake tenlastelegging A en de daar aangehaalde elementen die bevestigen dat de boekhouding van cie1 op deze punten gebrekkig was zoals aangehaald in de tenlastelegging C.1 evenals dat de boekhouding door O.D. en R.D. bewust op deze wijze werd georganiseerd.
Het hof stipt aan dat de verdediging van beklaagden O.D. en R.D. (en van cie1) zelf melding maakt van niet aangegeven omzet, aangezien ze verwijzen naar de rechtzetting terzake door de boekhouding. Zelfs in deze door het hof niet weerhouden hypothese zoals uiteengezet onder de beoordeling inzake tenlastelegging A, werden openstaande schulden van de leveranciers ten onrechte opgenomen in de boekhouding.
37. Voor wat betreft het niet opnemen van verkoopfacturen dan wel correcte aankoopborderellen ter staving van de bijzondere regeling van de btw-heffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, verwijst het hof naar de overwegingen inzake tenlastelegging B en de daar aangehaalde elementen van het strafdossier.
38. Gelet op de dossierelementen was het door de wet vereiste opzet in hoofde van beklaagden O.D. en R.D. wel degelijk voorhanden. De inbreuken op de toepasselijke voorschriften van het Wetboek van Economisch Recht werden door beklaagden onmiskenbaar wetens en wetens en met bedrieglijk opzet gepleegd.
Beklaagden wisten onmiskenbaar dat zij door hun handelen niet een voor de aard en de omvang van het bedrijf van hun vennootschap passende boekhouding voerden en/of niet de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht namen. Beklaagden handelden doelbewust, wat wordt bevestigd door de bovenstaande beoordeling inzake de tenlasteleggingen A en B.
39. Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf onder de tenlastelegging C.1 zijn voorhanden in hoofde van beklaagden O.D. en R.D..
Geen enkel argument van beklaagden of enig door hen neergelegd stuk is van aard om het hof anders te doen oordelen of is pertinent en behoeft derhalve geen verdere beantwoording.
Tenlastelegging D - jaarrekening
40. Onder tenlastelegging D worden beklaagden O.D. en R.D. vervolgd omdat ze als bestuurders van cie1 voor wat betreft de jaarrekeningen voor 2021 en 2022, deze niet binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar ter goedkeuring hebben voorgelegd aan de algemene vergadering.
Beklaagden betwisten de inbreuk niet maar voeren in de namens hen neergelegde conclusies louter aan dat deze inbreuk enkel strafbaar zou zijn indien de vennootschap failliet werd verklaard zijn, wat niet gebeurd is. Beklaagden verwijzen naar artikel 3:43 §1 laatste lid Wetboek van vennootschappen en verenigingen ("WVV").
Artikel 3:43 §1, 10 WVV luidt als volgt:
"Worden gestraft met geldboete van vijftig euro tot tienduizend euro:
10 de leden van het bestuursorgaan die de artikelen 3:1, § 1, tweede lid, 3:10 en 3:12
overtreden;" (eigen onderlijning)
Artikel 3:43 §1, laatste lid WVV luidt als volgt:
"De leden van het bestuursorgaan, directeurs of lasthebbers van vennootschappen worden wegens de overtreding van artikel 3:1, § 1, eerste lid, alleen dan met de in het eerste lid gestelde straffen gestraft, wanneer de vennootschap is failliet verklaard." (eigen onderlijning)
Beklaagden werden vervolgd voor een inbreuk op art. 3:1, § 1, tweede lid WVV dat bepaalt dat de jaarrekening binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de algemene vergadering. Deze inbreuk wordt strafbaar gesteld door artikel 3:43 §1, 1° WVV dat niet alleen van toepassing is wanneer de vennootschap is failliet verklaard.
De niet (tijdige) voorlegging van de jaarrekeningen aan de algemene vergadering is dan ook bewezen.
41. Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf onder de tenlastelegging D zijn voorhanden in hoofde van beklaagden O.D. en R.D..
Geen enkel argument van beklaagden of enig door hen neergelegd stuk is van aard om het hof anders te doen oordelen of is pertinent en behoeft derhalve geen verdere beantwoording.
Tenlastelegging E — inbreuk waarborgen edele metalen
42. Onder tenlastelegging E worden beklaagden cie1, O.D. en R.D. vervolgd voor het te koop hebben aangeboden van werken uit goud, uit zilver of uit platina, die niet overeenkomstig de wet zijn gestempeld, meer bepaald: tien juwelen met gehaltestempel maar zonder stempelhandtekening en zes juwelen zonder gehaltestempel en zonder stempelhandtekening.
43. Beklaagden cie1, O.D. en R.D. voeren in de namens hen neergelegde besluiten aan dat zij geen nuttig verweer zouden kunnen voeren bij gebrek aan verduidelijking op welke juwelen deze tenlastelegging betrekking heeft.
0. De FOD Economie stelde een proces-verbaal op naar aanleiding van de multidisciplinaire controleactie van 23 augustus 2022 in de winkel van cie1 in de Schuttershofstraat, waar beklaagde O.D. aanwezig was. Bij de controle werd vastgesteld dat van de gecontroleerde werken, 16 niet correct gestempeld waren. Het proces-verbaal stelt meer bepaald de aanwezigheid vast van volgende juwelen :
10 juwelen met gehaltestempel maar zonder stempelhandtekening,
6 juwelen zonder gehaltestempel en zonder stempelhandtekening,
4 juwelen met gehaltestempel en met stempelhandtekening.
Artikel XV.2, § 2 WER bepaalt dat de door de ambtenaren van de FOD Economie opgestelde processen-verbaal bewijskracht hebben tot het bewijs van het tegendeel. Het proces-verbaal van 14 september 2022 van de FOD Economie opgesteld naar aanleiding van de multidisciplinaire controleactie op 23 augustus 2022 heeft bijgevolg bijzondere bewijskracht.
Beklaagden cie1, O.D. en R.D. hebben verweer kunnen voeren omtrent deze vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal, waarbij het hof nog opmerkt dat beklaagde O.D. als zaakvoerder van cie1 bovendien aanwezig was bij de controle en beklaagden O.D. en R.D. als bestuurders wisten welke juwelen aanwezig waren in de winkel.
44. Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf onder de tenlastelegging E zijn voorhanden in hoofde van beklaagden cie1, O.D. en R.D..
Geen enkel argument van beklaagden of enig door hen neergelegd stuk is van aard om het hof anders te doen oordelen of is pertinent en behoeft derhalve geen verdere beantwoording.
Toerekening aan cie1
45. Uit artikel 5 Strafwetboek volgt dat:
- een rechtspersoon in beginsel elk misdrijf kan plegen voor zover dit misdrijf hem materieel en moreel kan worden toegerekend;
- de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon de strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet uitsluit van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen.
Een misdrijf kan materieel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien de verwezenlijking van het misdrijf hetzij een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen of indien, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, het voor zijn rekening is gepleegd.
Een misdrijf kan moreel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien blijkt dat het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel aanwezig is bij de rechtspersoon.
De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon heeft een autonoom karakter in die zin dat die verantwoordelijkheid geen louter afgeleide is van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersonen handelen.
Dit autonoom karakter sluit echter niet uit dat bij de beoordeling van de materiële en morele toerekening van het misdrijf rekening wordt gehouden met de gedragingen van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersoon handelen, zoals daar onder meer kunnen zijn de organen van de rechtspersoon, werknemers of zij die zonder een officiële functie te vervullen het gedrag van de rechtspersoon bepalen, en dit ongeacht of dit één of meerdere natuurlijke personen betreft. Een rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijk door middel van één of meer natuurlijke personen.
47. In casu staat op grond van de gegevens van het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting evenals uit de begeleidende omstandigheden vast dat de in hoofde van cie1 bewezen verklaarde inbreuken een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van het doel van beklaagde cie1.
Beklaagde cie1 was ook begunstigde van tenlastelegging B, minstens door het concurrentiële voordeel tegenover concurrenten die de btw-wetgeving correct toepassen evenals begunstigde van de vermogensaangroei door financiering van de voorraad aan horloges en juwelen ingevolge tenlastelegging A, en was de houder van de juwelen bedoeld in tenlastelegging D. Deze inbreuken werden voor haar rekening begaan. De feiten zijn het gevolg van wetens en willens genomen beslissingen van haar verantwoordelijke organen.
4.2.2.2. Beoordeling van de strafmaat
48. Bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, streeft het hof de volgende doelen na:
1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de
overtreding van de strafwet;
2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het
herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;
3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de
dader;
4° het beschermen van de maatschappij.
49. Binnen de grenzen van de wet moet het hof naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken. Alvorens een straf uit te spreken, moet het hof deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.
- Beklaagde cie1
50. De in hoofde van de beklaagde cie1 bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet, zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65, eerste lid Sw. slechts één straf moet worden opgelegd, de zwaarste.
51. De bewezen verklaarde feiten getuigen van totaal gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving en een frauduleuze ingesteldheid en van een streven naar oneerlijk winstbejag ten nadele van de eerlijke belastingbetaler.
Beklaagde werd reeds één maal veroordeeld door de politierechtbank ..., afdeling ... en beschikt over een relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
De hierna bepaalde geldboete is gepast rekening houdende met de aard en ernst van de feiten, de rol van beklaagde, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de financiële situatie voor zover gekend, evenals haar relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Mede gelet op de en proportionele geldboete inzake btw is deze geldboete afdoende punitief om de repressieve en preventieve doeleinden van de straftoemeting te realiseren. Op deze wijze houdt het hof rekening met het geheel van de opgelegde straffen. Het hof maakt toepassing van artikel 73 sexies WBTW. Op deze wijze geeft het hof invulling aan de wil van de wetgever om onder de gestroomlijnde vervolging waarbij de fiscus voor de strafrechter een autonome fiscale vordering stelt, maximaal rekening te houden met het geheel van de opgelegde straffen, zowel deze voorzien door het Strafwetboek als de fiscale boetes met een penaal karakter.
Het hof verleent voor deze geldboete geen uitstel, gezien de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk en het verlenen van uitstel voor de geldboete beklaagde onvoldoende zou wijzen op de ernst van de feiten.
De geldboete heeft tot doel de beklaagde te raken in haar vermogen en dient de beklaagde te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Het is niet aangetoond dat deze geldboete de financiële draagkracht van beklaagde zou overschrijden.
Beklaagde blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing haar toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
Het is aangewezen om aan beklaagde, gelet op de aard en de ernst van de feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 8 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies te beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te worden nageleefd.
- Beklaagde M.D.
52.De in hoofde van de beklaagde M.D. bewezen en voorheen bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet, zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65, eerste lid Sw. slechts één straf moet worden opgelegd, de zwaarste.
53.De bewezen verklaarde feiten getuigen van totaal gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving en een frauduleuze ingesteldheid en van een streven naar oneerlijk winstbejag ten nadele van de eerlijke belastingbetaler.
Beklaagde werd reeds drie maal veroordeeld door de politierechtbank en beschikt over een relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde verzoekt om een opschorting opgelegd te krijgen. De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van beklaagde zoals deze daaruit blijkt, maken het noodzakelijk, zelfs rekening houdend met de nadelige effecten van een bestraffing voor de reclassering en resocialisering en de effecten op zijn omgeving, om geen opschorting toe te staan maar de hierna vermelde proportionele bestraffing op te leggen. Het verlenen van een opschorting zou bij beklaagde niet leiden tot een voldoende bewustwording van de ernst van de door hem gepleegde feiten en zou onvoldoende bijdragen aan het vermijden van recidive bij deze beklaagde, wat bij uitstek past binnen het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie van beklaagde.
De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete zijn gepast rekening houdende met de aard en ernst van de feiten, de rol van beklaagde, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoonlijkheid van beklaagde en zijn financiële situatie voor zover gekend, evenals zijn relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99 bis van het strafwetboek.
Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten de beklaagde aanzetten tot gedragsverbetering.
Het hof verleent voor de geldboete geen uitstel, gezien de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk en het verlenen van uitstel voor de geldboete beklaagde onvoldoende zou wijzen op de ernst van de feiten.
De geldboete heeft tot doel de beklaagde te raken in zijn vermogen en dient de beklaagde te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. De duur van de vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete. Het is niet aangetoond dat deze geldboete de financiële draagkracht van beklaagde zou overschrijden.
Beklaagde blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing zijn toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
Het is aangewezen om aan beklaagde, gelet op de aard en de ernst van de feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 5 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies te beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te worden nageleefd.
- Beklaagde O.D.
54.De in hoofde van de beklaagde O.D. bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet, zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65, eerste lid Sw. slechts één straf moet worden opgelegd, de zwaarste.
55.De bewezen verklaarde feiten getuigen van totaal gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving en een frauduleuze ingesteldheid en van een streven naar oneerlijk winstbejag ten nadele van de eerlijke belastingbetaler.
Beklaagde werd reeds zes maal veroordeeld door de politierechtbank en beschikt over een relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde verzoekt om een opschorting opgelegd te krijgen. De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van beklaagde zoals deze daaruit blijkt, maken het noodzakelijk, zelfs rekening houdend met de nadelige effecten van een bestraffing voor de reclassering en resocialisering en de effecten op haar omgeving, om geen opschorting toe te staan maar de hierna vermelde proportionele bestraffing op te leggen. Het verlenen van een opschorting zou bij beklaagde niet leiden tot een voldoende bewustwording van de ernst van de door haar gepleegde feiten en zou onvoldoende bijdragen aan het vermijden van recidive bij deze beklaagde, wat bij uitstek past binnen het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie van beklaagde.
De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete zijn gepast rekening houdende met de aard en ernst van de feiten, de rol van beklaagde, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoonlijkheid van beklaagde en haar financiële situatie voor zover gekend, evenals haar relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99 bis van het strafwetboek. Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten de beklaagde aanzetten tot gedragsverbetering.
Het hof verleent voor de geldboete geen uitstel, gezien de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk en het verlenen van uitstel voor de geldboete beklaagde onvoldoende zou wijzen op de ernst van de feiten.
De geldboete heeft tot doel de beklaagde te raken in haar vermogen en dient de beklaagde te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. De duur van de vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete. Het is niet aangetoond dat deze geldboete de financiële draagkracht van beklaagde zou overschrijden.
Beklaagde blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing haar toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
Het is aangewezen om aan beklaagde, gelet op de aard en de ernst van de feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 10 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies te beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te worden nageleefd.
- Beklaagde R.D.
56.De in hoofde van de beklaagde R.D. bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet, zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65, eerste lid Sw. slechts één straf moet worden opgelegd, de zwaarste.
57.De bewezen verklaarde feiten getuigen van totaal gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving en een frauduleuze ingesteldheid en van een streven naar oneerlijk winstbejag ten nadele van de eerlijke belastingbetaler.
Beklaagde werd reeds twee maal veroordeeld door de politierechtbank en beschikt over een relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde verzoekt om een opschorting opgelegd te krijgen. De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van beklaagde zoals deze daaruit blijkt, maken het noodzakelijk, zelfs rekening houdend met de nadelige effecten van een bestraffing voor de reclassering en resocialisering en de effecten op zijn omgeving, om geen opschorting toe te staan maar de hierna vermelde proportionele bestraffing op te leggen. Het verlenen van een opschorting zou bij beklaagde niet leiden tot een voldoende bewustwording van de ernst van de door hem gepleegde feiten en zou onvoldoende bijdragen aan het vermijden van recidive bij deze beklaagde, wat bij uitstek past binnen het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie van beklaagde.
De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete zijn gepast rekening houdende met de aard en ernst van de feiten, de rol van beklaagde, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoonlijkheid van beklaagde en zijn financiële situatie voor zover gekend, evenals haar relatief gunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99 bis van het strafwetboek. Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten de beklaagde aanzetten tot gedragsverbetering.
Het hof verleent voor de geldboete geen uitstel, gezien de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk en het verlenen van uitstel voor de geldboete beklaagde onvoldoende zou wijzen op de ernst van de feiten.
De geldboete heeft tot doel de beklaagde te raken in zijn vermogen en dient de beklaagde te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. De duur van de vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete. Het is niet aangetoond dat deze geldboete de financiële draagkracht van beklaagde zou overschrijden.
Beklaagde blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing zijn toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
Het is aangewezen om aan beklaagde, gelet op de aard en de ernst van de feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 8 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies te beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te worden nageleefd.
Verbeurdverklaring
58. Het openbaar ministerie vordert de verbeurdverklaring van een bedrag van 643.004,07 EUR inzake tenlastelegging A in hoofde van beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D..
r- COVER 01-00005012521-0046-0063-03-02-11
III
L IIIIIIIIIIIII 11III i i 11111111 II II J
Hof van beroep ... — 2025/CO/886 - p. 47
Het bedrag van 643.004,07 EUR betreft het voorwerp van het witwasmisdrijf, zoals gemotiveerd bij de beoordeling inzake tenlastelegging A. De argumenten ontwikkeld door cie1 doen daaraan geen afbreuk.
Beklaagden O.D. en R.D. verzoeken om de door het openbaar ministerie gevorderde verbeurdverklaring bij equivalent met betrekking tot tenlastelegging A voor een bedrag van 643.004,07 EUR, te matigen.
59. De verbeurdverklaring van het voorwerp van het bewezenverklaarde witwasmisdrijf dient te worden uitgesproken bij toepassing van de artikelen 42,1° en 505, zesde lid (thans vijfde lid na de inwerkingtreding van de Wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken Ill) van het Strafwetboek.
Deze bijzondere verbeurdverklaring is uit te spreken ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen aan het witwasmisdrijf, ook al heeft de veroordeelde de witgewassen zaken niet in eigendom.
Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de grondrechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag (verbeurdverklaring bij equivalent).
In deze geschiedt de verbeurdverklaring bij equivalent. In dat geval kan de rechter het bedrag van de verbeurdverklaring verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
Teneinde beklaagden geen onredelijk zware bestraffing op te leggen en de resocialisatie van beklaagden niet in de weg te staan, worden de verbeurd te verklaren bedragen, rekening houdend met de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde feit A, de nagestreefde verrijking, de rol van elk van beklaagden bij de feiten, hun persoonlijkheid en eveneens rekening houdend met de incriminatieperiode in hoofde van de respectievelijke beklaagden, beperkt tot: 150.000,00 euro voor cie1;
75.000,00 euro voor M.D.;
150.000,00 euro voor O.D.;
75.000,00 euro voor R.D..
De aldus opgelegde verbeurdverklaring doet niet dermate afbreuk aan de financiële toestand van deze beklaagden waardoor ze een schending zou inhouden van het eigendomsrecht. Door voormelde verbeurdverklaring wordt aan beklaagden in het licht van de ernst van de feiten ook geen onredelijk zware straf opgelegd.
60. Het openbaar ministerie vordert eveneens de facultatieve verbeurdverklaring van de voordelen voortkomende uit de ten laste gekegde feiten B lastens cie1 voor een bedrag van 484.128,07 EUR.
Voor wat betreft het ten laste gelegde feit B kan het hof niet vaststellen dat beklaagden een andere dan onrechtmatig concurrentieel voordeel tegenover concurrenten, die wel correct de btw-wetgeving naleven, hebben gegeneerd.
Ten overvloede eveneens rekening houdend met het geheel van de bestraffing opgelegd aan beklaagden evenals met de toegekende fiscale vordering met inbegrip van een proportionele boete, wordt inzake het ten laste gelegde feit B geen verbeurdverklaring opgelegd.
4.2.3. Beoordeling op burgerlijk (fiscaal) gebied
61.De vordering van de ... Staat als tussenkomende partij wordt aan het hof voorgelegd bij toepassing van artikel 4 bis VT Sv. dat onder meer bepaalt:
"In geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3 en 29bis van het Wetboek van strafvordering neemt de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis van de burgerlijke vordering tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren.
Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak."
62.De tussenkomende partij vordert de hierna vermelde belastingen en proportionele geldboetes en interesten in hoofde van beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D.:
"Wat betreft de btw voor de periode 2019-2022
uitvoerbare titel tot betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen en
bijkomende kosten in verband met de in de vordering genoemde feiten[...] :
Als btw: een bedrag van 484.128,07 euro, zegge vierhonderdvierentachtigduizend honderdachtentwintig euro en zeven eurocent;
Als geldboete: een bedrag van 968.250,00 euro, zegge negenhonderd achtenzestigduizend tweehonderdvijftig euro;
Als nalatigheidsintrest: het toepasselijk percentage per maand te berekenen over 484.120,00 euro vanaf 21/07/2022."
63. Beklaagden O.D. en R.D. sluiten zich aan bij het verweer ontwikkeld namens beklaagde cie1 en maken deze middelen tevens tot die van hen.
Beklaagde cie1 verwijst inzake de fiscale vordering naar het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en naar rechtspraak hierover. Concreet wordt voor wat betreft het beweerdelijk opgewekt vertrouwen verwezen naar de btw-controle in november 2019. Het hof stelt evenwel vast dat deze controle en het daarover bijgebrachte verslag niet van aard waren om een gerechtvaardigd vertrouwen op te wekken in hoofde van cie1 en M.D., O.D. en R.D. waardoor enige schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel zou kunnen worden vastgesteld. Het hof verwijst naar de beoordeling inzake tenlastelegging B en in het bijzonder naar de overwegingen inzake de bij cie1 uitgevoerde btw-controles.
- Proportionele boete - cie1
64.Beklaagde cie1 voert aan dat de gevorderde boete van 200% inzake btw een fiscale sanctie is met een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. De toepassing van een boete van 200% (inzake btw), zou leiden tot een disproportionele sanctionering, waarbij beklaagde verwijst naar artikel 6 EVRM en artikel 52, §3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
65.Het hof stelt vast dat de tabellen A tot J van de bijlage bij het KB nr. 41 opgenomen schaal niet van toepassing zijn aangezien beklaagden overtredingen hebben begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, WBTW te toetsen dan wel zelf op te leggen, moet evenwel de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen. Dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, is niet afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend (vergelijk bijv. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N).
66.De tussenkomende partij vordert een administratieve sanctie in de vorm een proportionele boete van 200%. Deze sanctie kan overeenkomstig de ... wettelijke bepalingen terzake worden opgelegd naast de strafrechtelijke sancties, maar daarbij moet toch rekening worden gehouden met het feit dat in wezen voor dezelfde (onderliggende) feiten sancties worden opgelegd.
Het hof toetst bij toepassing van artikel 6.1 EVRM de door de tussenkomende partij gevorderde proportionele boete inzake van 200% aan het evenredigheidsbeginsel, en oordeelt dat in casu deze boete dient te worden gematigd, gezien het geheel van de opgelegde sancties.
67. Een proportionele geldboete van 50% inzake btw is noodzakelijk en passend, rekening houdend met de zwaarte van de inbreuken, de hoogte van alle in onderhavig arrest aan beklaagden opgelegde sancties, en de weerslag van (het geheel van) de in onderhavig arrest tegelijk opgelegde sancties voor beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D..
68. Beklaagde cie1 voert aan, zonder verwijzing naar een specifieke wettelijke bepaling, dat het btw-misdrijf in het licht van eenheid van opzet geenszins de zwaarste bestraffing kent, waardoor deze (administratieve) boete volledig ontheven zou dienen te worden.
Het hof oordeelt evenwel dat een uitvoerbare titel voor een administratieve geldboete kan worden verleend ook indien, op strafrechtelijk vlak, de inbreuk waarop de administratieve geldboete betrekking heeft, niet de tenlastelegging is waarop de zwaarste straf is gesteld die bij toepassing van artikel 65 Sw. wordt toegepast.
69. Beklaagde cie1 verwijst naar artikel 73bis/1 WBTW dat als volgt luidt: "Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten." Het hof maakt bij de straftoemeting in hoofde van beklaagden toepassing van deze bepaling door rekening te houden met de administratieve geldboete van 50%.
70. Beklaagde cie1 voert nog aan dat indien dit hof vaststelt dat er een reden voorhanden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, de boete dient te worden vernietigd. Beklaagde cie1 verwijst daarvoor naar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, waaronder een arrest van 6 november 2008, nr.157/2008, waarin het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 70, § 1, lid 1 WBTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, schendt in zoverre het de rechter niet mogelijk maakt de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel.
Het hof stelt evenwel vast dat het bedrag van de proportionele administratieve geldboete (beperkt tot 50%) waarvoor dit arrest een uitvoerbare titel vormt, niet onevenredig is met de ernst van het misdrijf, eveneens rekening houdend met de volledige aan beklaagden opgelegde bestraffing in dit arrest, en dat er in hoofde van beklaagde cie1, geen reden zou zijn geweest om voor wat betreft de in dit arrest opgelegde administratieve geldboete van 50% uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.
- Vordering inzake btw en interesten
71. Beklaagden M.D., O.D. en R.D. zijn, samen met de belastingplichtige cie1 die de oorspronkelijke schuldenaar is, hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken btw en de nalatigheidsinteresten bij toepassing van artikel 73sexies WBTW, dat luidt als volgt:
"De personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en nalatigheidsinteresten verschuldigd door de oorspronkelijke schuldenaar van de belasting [...]".
72.Uit de voormelde motivering op strafrechtelijk vlak inzake tenlastelegging B volgt dat vaststaat dat beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D. btw hebben ontdoken.
73. cie1 en O.D. hebben een bedrag van 484.128,07 euro aan btw ontdoken.
74. Voor wat betreft M.D. is, rekening houdend met de in zijn hoofde beperktere incriminatieperiode inzake tenlastelegging B, het ontdoken bedrag gebaseerd op de aangiftes voor alle kwartalen van 2019 en het eerste kwartaal van 2020, die werden ingediend, minstens moesten worden ingediend tussen 31/12/... en 16/07/2020. Het ontdoken bedrag is gelijk aan 146.349,17 euro voor 2019 (vier kwartalen) en 44.837,60 euro voor het eerste kwartaal van 2020, in totaal dus 173.380,15 euro aan btw.
75. Voor wat betreft R.D. is het ontdoken bedrag, rekening houdend met de in zijn hoofde beperktere incriminatieperiode inzake tenlastelegging B, gebaseerd op de aangiftes van het tweede, derde en vierde kwartaal van 2021 en het eerste en tweede kwartaal van 2022, die werden ingediend, minstens moesten worden ingediend tussen 1 juli 2021 en 21 juli 2022. Het ontdoken bedrag is gelijk aan 128.021,89 euro voor het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019 en 45.358,26 euro voor het eerste en tweede kwartaal van 2020, in totaal dus 191.186,77 euro aan btw.
Het hof stipt aan dat de bedragen aan ontdoken btw voortkomen uit de overzichten opgenomen in bijlage 1 van PV AN.LB.104190/2022, zoals reeds gecorrigeerd in het bestreden vonnis. Alle beklaagden hebben dan ook de mogelijkheid gehad hierover standpunt in te nemen en hun verweer te voeren.
76. De tussenkomende partij vordert over de verschuldigde btw interesten bij toepassing van artikel 91, §1 WBTW vanaf 21/07/2022— de datum waarop de kwartaalaangifte inzake btw voor het tweede kwartaal van 2022 moest zijn ingediend (en het op basis daarvan verschuldigde bedrag moest voldaan zijn). Dit beginpunt van de interesten is in elk geval in het voordeel van beklaagden en wordt door het hof toegepast.
Deze interesten worden voor wat betreft cie1 en O.D. berekend op een bedrag van 484.120,00 euro (de btw afgerond op het lager tiental) vanaf 21/07/2022.
Deze interesten worden voor M••••• D•••••••••••••• op een bedrag van 173.380,00 euro (de btw afgerond op het lager tiental) vanaf 21/07/2022.
Deze interesten worden voor R.D. berekend op een bedrag van 191.180,00 euro (de btw afgerond op het lager tiental) vanaf 21/07/2022.
De voormelde interesten zijn verschuldigd overeenkomstig de relevante bepalingen en worden toegekend.
- Besluit
77. Voor wat betreft de door de tussenkomende partij gevorderde bedragen aan btw en voor wat betreft cie1 als belastingplichtige inzake btw de daarmee samenhangende proportionele boete, wordt gelet op voorgaande motivering, vastgesteld:
beklaagde cie1 dient tot betaling van een bedrag aan ontdoken btw 484.128,07 euro te worden veroordeeld, evenals tot een proportionele geldboete van 50%, begroot op 242.060,00 euro (afgerond op het lagere tiental, overeenkomstig artikel 4 §1 KB Nr. 41).
beklaagde O.D. dient tot betaling van een bedrag aan ontdoken btw 484.128,07 euro te worden veroordeeld.
beklaagde M.D. dient tot betaling van een bedrag aan ontdoken btw 173.380,15 euro te worden veroordeeld.
beklaagde R.D. dient tot betaling van een bedrag aan ontdoken btw 191.186,77 euro te worden veroordeeld.
78.De argumenten in conclusies doen niets af aan hoger vermelde beoordeling.
4.2.4 Kosten en rechtsplegingsvergoeding
4.2.4.1 Ambtshalve beoordelingen
79. De bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders moet worden opgelegd bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf. Beklaagden dienen thans elk verplicht te worden tot betaling van deze bijdrage.
80. De forfaitaire vergoeding in de beheerskosten van de rechtsbedeling veroorzaakt door het misdrijf waaraan beklaagde schuldig is bevonden, is slechts eenmaal op te leggen in dezelfde zaak, namelijk bij de beslissing waarbij het aan een beklaagde ten laste gelegde feit bewezen worden verklaard. Zulks was in hoofde van beklaagde M.D. reeds deels definitief het geval in het bestreden vonnis, zodat thans geen vergoeding meer op te leggen is. Aan elk van beklaagden cie1 , O.D. en R.D. blijft een vergoeding van 62,37 euro op te leggen.
81. De bijdrage voor de financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand moet worden opgelegd bij iedere veroordeling van een beklaagde door een strafgerecht. De huidige veroordeling door het hof komt in de plaats van deze door de eerste rechter.
4.2.4.2 Rechtsplegingsvergoeding
104. De RPV wordt door het hof berekend op de toegekende bedragen, gelet op de kennelijk overdreven vorderingen.
In totaliteit betreft de toegekende rechtsvordering in hoofde van cie1 een bedrag van 500.000,01 tot 1.000.000,00 euro, zodat inzake rechtsplegingsvergoeding de desbetreffende tarieven van toepassing zijn. Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, in casu 15.697,67 euro per aanleg.
In totaliteit betreft de toegekende rechtsvordering in hoofde van M.D. een
bedrag van Van 100.000,01 tot 250.000,00 euro, zodat inzake
rechtsplegingsvergoeding de desbetreffende tarieven van toepassing zijn. Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, in casu 7.848,84 euro per aanleg.
In totaliteit betreft de toegekende rechtsvordering in hoofde van O.D. een bedrag van 250.000,01 tot 500.000,00 euro, zodat inzake rechtsplegingsvergoeding de desbetreffende tarieven van toepassing zijn. Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, in casu 10.988,37 euro per aanleg.
In totaliteit betreft de toegekende rechtsvordering in hoofde van R.D. een bedrag van Van 100.000,01 tot 250.000,00 euro, zodat inzake rechtsplegingsvergoeding de desbetreffende tarieven van toepassing zijn. Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, in casu 7.848,84 euro per aanleg.
5. Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen:
- 11,12,14,24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935,
- 152bis, 162, 162bis, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 201, 202, 203, 203bis, 204, 210, 211 en 211bis van het Wetboek van Strafvordering,
- 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 25, 38, 40, 41bis, 42, 43, 44, 45, 50, 65, 66, 100, 505, eerste lid, 4°, 505, zesde lid (thans vijfde lid) van het Strafwetboek,
- 4bis VT Sv.,
- 53, §1, 2° en 3°, 73, 73sexies, 91 §1 Wetboek van de BTW,
- 1.1.1°, 1.5, XV.69, XV.70 en XV.75, 111.82, 111.83, 111.84, 111.89 en 111.90 van het Wetboek van
Economische Recht,
- 3:1 §1, lid 2, 3:43 §1,1° van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen,
- 6, 13, 19 §1 en 21 van de wet van 11 augustus 1987 houdende de waarborg van werken uit
edele metalen,
- 6 EVRM,
- 1 en 8 van de wet van 29 juni 1964,
- 1022 Ger.W; wet van 21 april 2007 en K.B. van 26 oktober 2007,
- 1 van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934,
- 1 van de wet van 5 maart 1952,
- 36 van de wet van 7 februari 2003,
- 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985,
- 58 van het K.B. van 18 december 1986,
- 91 van het K.B. van 28 december 1950,
- 6 van het K.B. van 26 april 2017,
- 4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017,
6. Beslissing
Het hof,
Beslist op grond van de hogervermelde redenen, binnen de perken van de hoger beroepen en de grieven, op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten opzichte van beklaagden cie1, M.D., O.D. en R.D. ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van beroep van de ... STAAT, FOD Financiën, tussenkomende partij, ontvankelijk in zoverre gericht tegen de beschikkingen die de zelfstandige vordering van de tussenkomende partij betreffen en onontvankelijk voor het overige.
Verklaart het hoger beroep van beklaagde cie1 ontvankelijk behoudens in zoverre gericht tegen de vrijspraak voor tenlastelegging B.
Verklaart het hoger beroep van beklaagden O.D. en R.D. ontvankelijk behoudens in zoverre gericht tegen de vrijspraak voor tenlastelegging B.
Opnieuw recht doende met eenparigheid van stemmen binnen de begrensde omvang van de hoger beroepen zoals bepaald onder randnummer 4.2.1. van dit arrest.
6.1. Op strafrechtelijk gebied
Heromschrijft tenlastelegging B zoals hoger vermeld.
- cie1
Verklaart beklaagde cie1 schuldig aan de haar ten laste gelegde feiten A, B zoals heromschreven en E.
Veroordeelt beklaagde cie1 hoofdens de bewezen en voorheen verklaarde en vermengde feiten A, B zoals heromschreven en E tot een geldboete van 40.000,00 EUR, zijnde 5.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Verklaart verbeurd lastens beklaagde cie1 met toepassing van de artikelen 42,1° en 505, zesde lid (thans vijfde lid na de inwerkingtreding van de Wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken Ill) van het Strafwetboek een totaalbedrag van 150.000,00 euro bij equivalent.
Legt aan beklaagde cie1 overeenkomstig art.1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 8 JAAR.
Verplicht beklaagde tot betaling van een vergoeding van 62,37 euro.
Verplicht beklaagde tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 90 opdeciemen en aldus gebracht op 250 euro.
Veroordeelt beklaagde tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Veroordeelt beklaagde tot de kosten van de strafvordering in beide aanleggen, begroot in eerste aanleg op 1/5 van 505,80 euro hetzij 101,16 euro en in hoger beroep, begroot op 1/4 van 183,45 euro hetzij 45,86 euro.
- M.D.
Stelt vast dat het hof niet meer te oordelen heeft over de schuld van beklaagde M.D. aan de feiten A en C.1 en hieruit voortvloeiend ook niet meer over de vergoeding van 61,01 euro en de kosten van de strafvordering voor de eerste rechter.
Verklaart beklaagde M.D. schuldig aan het hem ten laste gelegde feit B zoals heromschreven.
Veroordeelt beklaagde M.D. hoofdens de bewezen en voorheen verklaarde en vermengde feiten A, B en C.1 tot een hoofdgevangenisstraf van 10 MAANDEN tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 van het Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 DAGEN.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf, dit voor een periode van 3 jaar.
Verklaart verbeurd lastens beklaagde M.D. met toepassing van de artikelen 42,1° en 505, zesde lid (thans vijfde lid na de inwerkingtreding van de Wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken Ill) van het Strafwetboek een totaalbedrag van 75.000,00 euro bij equivalent.
Legt aan beklaagde M.D. overeenkomstig art.1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 5 JAAR.
Verplicht beklaagde tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 90 opdeciemen en aldus gebracht op 250 euro.
Veroordeelt beklaagde tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Veroordeelt beklaagde tot de kosten van de strafvordering in hoger beroep, begroot op 1/4 van 183,45 euro hetzij 45,86 euro.
-O. D.
Verklaart beklaagde O.D. schuldig aan de haar ten laste gelegde feiten A, B zoals heromschreven, C.1, D en E.
Veroordeelt beklaagde O.D. hoofdens de bewezen en voorheen verklaarde en vermengde feiten A, B zoals heromschreven, C.1, D en E tot een hoofdgevangenisstraf van 18 MAANDEN en tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 van het Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 DAGEN.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf, dit voor een periode van 3 jaar.
Verklaart verbeurd lastens beklaagde O.D. met toepassing van de artikelen 42,1° en 505, zesde lid (thans vijfde lid na de inwerkingtreding van de Wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken Ill) van het Strafwetboek een totaalbedrag van 150.000,00 euro bij equivalent.
Legt aan beklaagde O.D. overeenkomstig art.1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een cooperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 10 JAAR.
Verplicht beklaagde tot betaling van een vergoeding van 62,37 euro.
Verplicht beklaagde tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 90 opdeciemen en aldus gebracht op 250 euro.
Veroordeelt beklaagde tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Veroordeelt beklaagde tot de kosten van de strafvordering in beide aanleggen, begroot in eerste aanleg op 1/5 van 505,80 euro hetzij 101,16 euro en in hoger beroep, begroot op 1/4 van 183,45 euro hetzij 45,86 euro, de kosten tolk (in beide aanleggen) uitgesloten zijnde.
R.D.
Verklaart beklaagde R.D. schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten A, B zoals heromschreven, C.1, D en E.
Veroordeelt beklaagde R.D. hoofdens de bewezen en voorheen verklaarde en vermengde feiten A, B zoals heromschreven, C.1, D en E tot een hoofdgevangenisstraf van 15 MAANDEN en tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 van het Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 DAGEN.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf, dit voor een periode van 3 jaar.
Verklaart verbeurd lastens beklaagde R.D. met toepassing van de artikelen 42,1 en 505, zesde lid (thans vijfde lid na de inwerkingtreding van de Wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken Ill) van het Strafwetboek een totaalbedrag van 75.000,00 euro bij equivalent.
Legt aan beklaagde R.D. overeenkomstig art.1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 8 JAAR.
Verplicht beklaagde tot betaling van een vergoeding van 62,37 euro.
Verplicht beklaagde tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 90 opdeciemen en aldus gebracht op 250 euro.
Veroordeelt beklaagde tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Veroordeelt beklaagde tot de kosten van de strafvordering in beide aanleggen, begroot in eerste aanleg op 1/5 van 505,80 euro hetzij 101,16 euro en in hoger beroep, begroot op 1/4 van 183,45 euro hetzij 45,86 euro.
6.2. Op burgerrechtelijk gebied
Verklaart de vordering van de tussenkomende partij toelaatbaar en ontvankelijk.
Verklaart de vordering van de tussenkomende partij wat betreft de btw als volgt gegrond:
- In hoofde van cie1:
o Btw : 484.128,07 euro
o Proportionele geldboete : 242.060,00 euro
o Interesten op de btw ten belope van 484.120,00 euro vanaf 21/07/2022
- In hoofde van M.D. :
o Btw : 173.380,15 euro
o Interesten op de btw ten belope van 173.380,00 euro vanaf 21/07/2022
- In hoofde van O.D.:
o Btw : 484.128,07 euro
o Interesten op de btw ten belope van 484.120,00 euro vanaf 21/07/2022
- In hoofde van R.D.:
o Btw : 191.186,77 euro
o Interesten op de btw ten belope van 191.180,00 euro vanaf 21/07/2022
Zegt voor recht dat beklaagden de voormelde bedragen verschuldigd zijn aan de tussenkomende partij, ... Staat (FOD Financiën), hoofdelijk met de andere beklaagden ten belope van voormelde in hoofde van de respectievelijke beklaagden vermelde bedragen voor wat betreft de btw en interesten, en dat onderhavig arrest geldt als uitvoerbare titel tot betaling van de hiervoor bepaalde belastingen, proportionele geldboete en interesten.
Veroordeelt cie1 tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding begroot op 15.697,67 euro voor de procedure in eerste aanleg en 15.697,67 euro voor de procedure in graad van beroep.
Veroordeelt M.D. tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.848,84 euro voor de procedure in eerste aanleg en 7.848,84 euro voor de procedure in graad van beroep
Veroordeelt O.D. tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding begroot op 10.988,37 euro voor de procedure in eerste aanleg en 10.988,37 euro voor de procedure in graad van beroep.
Veroordeelt R.D. tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.848,84 euro voor de procedure in eerste aanleg en 7.848,84 euro voor de procedure in graad van beroep.
De rechtspleging verliep uitsluitend in het Nederlands, uitgezonderd het door de tolk vertaalde gedeelte.
Dit arrest is gewezen te ... door het hof van beroep, kamer C6, samengesteld uit :
F. VANDENBERGHE, Raadsheer d.d. Kamervoorzitter,
V. ROELANTS, Raadsheer,
M. DOM, Plaatsvervangend Magistraat,
die aan de beraadslaging hebben deelgenomen
en in openbare terechtzitting van
EENENDERTIG AUGUSTUS TWEEDUIZEND EN ZESENTWINTIG
uitgesproken door Raadsheer d.d. Kamervoorzitter F. VANDENBERGHE
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie zoals vermeld op het
proces-verbaal van de terechtzitting
met bijstand van griffier C. Van Gompel.
Mevrouw M. DOM, Plaatsvervangend Magistraat, bevindt zich in de onmogelijkheid om dit arrest te ondertekenen (artikel 195bis van het Wetboek van Strafvordering en artikel 785, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek).
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.