Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 25.02.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste Aanleg Leuven - Afdeling Burgerlijke Rechtbank, twaalfde kamer
Rol nr. 02/1417/A
E. K., zelfstandige, wonende te …, …, ondernemingsnummer …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …;
- Eiser, ter zitting vertegenwoordigd door meester B. C. loco meester H. V., advocaat te …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, AOIF, in de persoon van de Gewestelijk Directeur Controlecentrum Leuven, wiens kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3 A, bus 1;
- Verweerster, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. loco meester d. N., advocaat te …, …
De rechtbank doet uitspraak in de zaak die op de zitting van 28 januari 2005 in beraad werd genomen.
De rechtbank heeft toepassing gemaakt van de artikelen 2-9-34-36-37-40 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoekschrift op tegenspraak op 14 juli 2002 ter griffie neergelegd;
- de beslissing d.d. 24 april 2002 van de gewestelijke directeur van de administratie van de onderneming- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Leuven;
- de conclusies van partijen en de door verweerster neergelegde stukken.
De advocaten van partijen hebben de zaak gepleit op de openbare zitting van 28 januari 2005.
I. DE FEITEN
K. E. is handelaar in tweedehandsvoertuigen. Hij past de margeregeling van artikel 58, § 4 van het Btw-wetboek toe. Dit betekent dat de BTW geheven wordt op de winstmarge.
K. E. moet bij de verkoop van een tweedehandsvoertuig een aankoopborderel opmaken in twee exemplaren, één voor de verkoper en één voor zichzelf, als verantwoordingsstuk voor zijn boekhouding.
Uit een controle is gebleken dat hij in de periode van 9 januari 1997 tot 10 december 2001 voor ongeveer 115 voertuigen die hij aankocht op het aankoopborderel dat voor hem bestemd was een hogere prijs vermeldde dat deze die hij in werkelijkheid betaalde en die op het aankoopbordrel dat in het bezit van de verkoper bleef vermeld was.
Hierdoor was de winstmarge waarop de BTW berekend werd lager dan de werkelijk gerealiseerde winst.
Voor deze periode van vijf jaar was de werkelijke winstmarge, exclusief BTW … BEF (thans … euro) hoger dan aangegeven en werd een BTW ontdoken ten bedrage van … BEF (thans … euro).
K. E. tekende op 19 maart 2002 een correctieopgave waarin hij erkende dit bedrag aan BTW verschuldigd te zijn.
De administratie legde ook een boete op van … euro, zijnde het dubbele van de ontdoken rechten.
K. E. vroeg aan de gewestelijke directeur om de boete te verminderen. Bij beslissing d.d. 24 april 2002 heeft de gewestelijke directeur dit verzoek als ongegrond afgewezen.
II. DE VORDERINGEN
K. E. vordert dat de rechtbank de boete zou kwijtschelden, minstens zou verminderen, de terugbetaling zou bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van de correctieopgave werden geïnd en verweerster zou veroordelen tot de kosten.
III. BEOORDELING
1. Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd en is ontvankelijk.
2. Artikel 70 § 1 Btw-wetboek bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De boete kan worden verminderd overeenkomstig de tabellen van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nummer 41 van 30 januari 1987.
3. K. E. voert niet aan dat de opgelegde boete onwettelijk is. Hij voert aan dat deze boete niet in evenredigheid is met de gepleegde inbreuk.
4. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken, en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. De rechter dient te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij onder meer rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass., 21 januari 2005; Cass., 24 januari 2002, www.cass.be; Verslag van het Hof van Cassatie 2002, 353-355).
5. Het is duidelijk, en dit wordt trouwens niet betwist, dat K. E. zich gedurende jaren schuldig gemaakt heeft aan belastingfraude en hij hierbij systematisch gebruik maakte van valse stukken die hij zelf creëerde.
Het systematisch, gedurende jaren, plegen van fiscale fraude is een ernstig misdrijf. Daarbij komt dat om deze fiscale fraude te plegen K. E. valse stukken opmaakte, wat eveneens een ernstig misdrijf is.
Een dergelijke handelwijze getuigt van een zeer asociaal gedrag, waarbij schade toegebracht wordt aan de maatschappij en de medeburger.
De opgelegde sanctie heeft zowel een ontradend, als een bestraffend en schadeloosstellend karakter.
De sanctie moet voldoende afschrikwekkend zijn om mogelijke daders ervan te weerhouden dergelijke misdrijven te plegen. Daarenboven strekt zij er ook toe de schade te vergoeden die K. E. door zijn gedrag aan de maatschappij berokkend heeft.
6. Uit de bijgebrachte stukken blijkt niet dat K. E. voor deze feiten enige andere sanctie heeft opgelopen. Klaarblijkelijk werd hij niet strafrechtelijk vervolgd en werd er strafrechtelijk geen sanctie opgelegd.
Tevens blijkt niet dat de administratie der directe belastingen overging tot een herziening van de inkomstenbelastingen en dat K. E. in het kader van de inkomstenbelastingen een sanctie opliep.
7. Daarbij komt nog dat K. E. niet aan zijn proefstuk toe is. Ook voor de periode van 1 januari 1989 tot 31 december 1991 werd een correctieopgave opgemaakt voor een verschuldigde BTW van … BEF (thans … euro). Toen was er onder meer sprake van verkopen waarvoor geen facturen werden opgemaakt.
8. Rekening houdend met dit alles is de rechtbank van oordeel dat de sanctie in casu niet onevenredig is met de gepleegde inbreuk.
Beschikkend gedeelte
DE RECHTBANK BESLIST HET VOLGENDE
De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is ontvankelijk maar ongegrond.
De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten en stelt deze als volgt vast :
- voor eiser : … euro (rechtsplegingsvergoeding);
- voor verweerder : … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op 25 februari 2005, waar zetelden :
- de heer L. W., rechter;
- mevrouw G. D., e.a. adjunct-griffier.
G. D. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.