Strafbepaling, administratieve geldboete, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 16 oktober 2007

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vrijstelling-uitvoer-rechtbank-brugge-2007-10-16-8e00

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
16 oktober 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

65 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 16.10.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/2765/A Rep. nr. 2007/13778

de NV W. A., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester F. V. (balie Brugge) loco Meester P. C., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- in Inkomensfiscaliteit, Sector BTW, met kantoren te 8820 TORHOUT, Burg 28,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidende verzoekschrift d.d. 20.09.2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 18.09.2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres was voor haar economische activiteit van groothandel in gereedschapswerktuigen, kleinhandel in motorvoertuigen, onderhoud en reparatie van auto's geregistreerd onder het BTW-nummer ….

Op 12 augustus 2003 werd door de heer L. V., inspecteur bij de FOD, een toezicht aangevangen met het oog op de juiste toepassing van de BTW-wetgeving over de periode van 1 januari 2000 tot 30 april 2003.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door L. V. voornoemd, op 1 augustus 2005, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 8 verweerder).

Op 18 augustus 2005 werden de overeenkomstig voormeld proces-verbaal verschuldigde sommen betaald.

Bij tegensprekelijk verzoekschrift van 20 september 2005 stelt eiseres haar vordering in.

2.2. Eiseres vraagt dat :

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van 13.558,25 EUR, verhoogd met de wettelijke interesten vanaf 20 augustus 2005 en de kosten.

- Verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

- Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Op grond van artikel 39, § 1 eerste lid, 1° W.BTW, zijn van belasting vrijgesteld : 1° de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap; 2° de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen.

Gezien de aard van de BTW-wetgeving is het de verkoper die verantwoordelijk is voor de aanrekening en doorstorting van de BTW en is hij ook verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de vrijstellingen. Als de belastingplichtige deze vrijstelling inroept moet hij dan ook het bewijs leveren omtrent de hoedanigheid van de koper en de echtheid van het vervoer of de verzending aantonen.

Op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde moet de verkoper ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2.

Op grond van artikel 5, § 2 van voormeld KB moet de niet in België gevestigde koper die zelf in België goederen in bezit neemt, een ontvangstbewijs afleveren bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde koper. Het aan de verkoper af te leveren ontvangstbewijs moet, benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming vermelden. Hetzelfde document moet worden afgeleverd aan de verkoper wanneer de goederen in België in bezit worden genomen door een derde persoon die handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper. Het bedoelde document moet in dat geval worden afgeleverd door deze persoon die erin verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever.

De verkoper moet het recht op vrijstelling bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. De documenten aangehaald in het KB nr. 18 zijn ondermeer bestelbonnen, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten, ontvangstbewijzen, aangifte ten uitvoer en verklaringen van de afnemer. Dit is geen limitatieve opsomming, waarbij geen enkel specifiek document op zichzelf voldoende of onontbeerlijk is. Het bestaan van een vervoer naar een plaats buiten de Gemeenschap kan dan ook bewezen worden door alle middelen van recht, uitgezonderd de eed.

Eiseres stelt dat de door de koper aanvaarde verkoopfacturen met vermelding van adres van bestemming en de voorgelegde betalingsbewijzen voldoende bewijzen dat de goederen effectief naar de Verenigde Staten en Polen zijn verzonden en aldaar zijn toegekomen. Volgens eiseres heeft de administratie dan ook volledig ten onrechte en louter willekeurig de vrijstellingstoepassing geweigerd.

De rechtbank stelt vast dat eiseres m b. t. de betwiste facturen geen enkel ontvangstbewijs kan voorleggen, niettegenstaande zij voorhoudt dat de goederen door een vervoeronderneming of expediteur voor rekening van de koper werden afgehaald. Verder wordt er ook geen enkel geviseerd exemplaar 3 van de aangifte ten uitvoer voorgelegd.

Tenslotte worden er ook geen vervoerdocumenten voorgelegd.

De door eiseres voorgelegde facturen, betalingstukken en bestelbon zijn stukken die geen bewijs leveren van de uitvoer naar Polen of de USA.

Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat eiseres geen geheel van overeenstemmende handelsdocumenten, zoals uitdrukkelijk vereist door het voormelde KB nr. 18, kan voorleggen waaruit blijkt dat de bewuste goederen werden uitgevoerd. De administratie was derhalve gerechtigd de vrijstelling te verwerpen.

3.2.2. Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW werd aan eiseres een boete opgelegd ten bedrage van 1.030,00 EUR.

De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, W.BTW, is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten (of 20.606,00 EUR).

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel G, afdeling 3, rubriek XII, 1, B van het KB nr. 41 op 10 % van de verschuldigde rechten, zijnde 1.030,00 EUR.

Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 W.BTW. de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

De rechtbank dient deze grondwetsconforme interpretatie toe te passen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd, doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Daarenboven verleent de wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken de dato 23 maart 1999 uitdrukkelijk aan de bevoegde rechtsmachten de bevoegdheid om de opportuniteit van de fiscale geldboeten en verhogingen te beoordelen.

De rechtbank stelt vast dat de begane overtreding relatief ernstig is en het algemeen belang schade toebrengt. Eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete t.b.v. 1.030,00 EUR. Bovendien is de verminderde fiscale geldboete tot 1.030,00 EUR. evenredig met de gepleegde inbreuken.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 371,84 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag zestien oktober tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 18 art. 31 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen