Strafbepaling, administratieve geldboete, vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 12 januari 2010

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vrijstelling-uitvoer-hof-van-beroep-gent-2010-01-12-e2d6

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
12 januari 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 12.01.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 12-01-2010

Nr. 2006/AR/2210

in de zaak van :

L. NV (voorheen PK A. NV), met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven met ondernemingsnummer …,

appellante,

hebbende als raadsman mr. D. L., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 20 september 2004 bestreed de appellante het dwangbevel (RCIV nr. …) te haren laste uitgevaardigd door K. N., eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, Rondekomstraat 30, op 20.8.2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23.8.2004 door de e.a. inspecteur a.i. K. D. aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante: een bedrag van … EUR aan BTW + … EUR als geldboete krachtens het artikel 70, § 1 BTW-wetboek, hetzij samen … EUR, meer de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.6.2001, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van dit dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante dat haar zou worden toegestaan haar bedrijfsrevisor, accountant of boekhouder te laten verhoren door de rechtbank, te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel onontvankelijk minstens ongegrond is en dat de in het dwangbevel vermelde sommen niet verschuldigd zijn door de appellante.

Bij vonnis van 24.4.2006 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, werd het verzet van de appellante tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 29.8.2006 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep van de appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen, de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel onontvankelijk minstens ongegrond is en dat de in het dwangbevel vermelde BTW-bedragen niet verschuldigd zijn door de appellante.

De geïntimeerde van zijn kant vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. Volgens de appellante verkocht zij in 2001 twee personenwagens (een Audi TDl en een Mercedes CLK 200 Cabriolet) aan de "T. C. S.L." met zetel in Spanje, waarbij zekere C. D. T. optrad als lasthebber van deze koper.

De appellante houdt voor dat het een intracommunautaire levering betreft en beroept zich op de vrijstelling van BTW voorzien bij artikel 39bis, 1° BTW-wetboek.

Waar de appellante de vrijstelling inroept is zij gehouden het bewijs te leveren van het feit dat de voorwaarden daartoe vervuld zijn. Daarenboven voorziet het KB nr. 52 d.d. 29.12.1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) dat :

• de vrijstellingen van artikel 39bis BTW-wetboek afhankelijk zijn van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1)

• dat de te dezen ingeroepen vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet- belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (artikel 2)

• de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; tevens dat de verkoper ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren moet overleggen; dat die stukken onder meer zijn de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken. (artikel 3).

Met de geïntimeerde dient te worden aangenomen dat de appellante het nodige bewijs niet levert.

De appellante legt met betrekking tot de verkoop van de twee voormelde autovoertuigen twee facturen voor, beide gedateerd 31.5.2001 (stukken 6 en 7 van de appellante). Hierbij weze opgemerkt dat de bestelbon van de voertuigen (stuk 8 van de appellante), die normaal dient vooraf te gaan aan de factuur, gedateerd is van nà de factuur, en meer bepaald op 7.6.2001. Deze anomalie zet reeds aan tot voorzichtigheid bij de appreciatie van de bewijskracht van deze stukken.

Voor de koper is bij de transacties opgetreden zekere C. D. T.. In de handtekeningen van de kant van de koper voorkomend zowel op de bestelbon als op de facturen bij de stempel van T. C. S.L. is de naam "D. T." ongeveer te lezen. In welke mate deze D. T. gemachtigd was om te handelen namens de beweerde koper T. C. S.L. blijkt niet. Volgens het stuk 10 van de appellante was deze D. T. trouwens zelf handelaar (vrije vertaling uit het Spaans van het woord "comerciante"). Uit hetzelfde stuk blijkt dat hij was geboren te Geraardsbergen (vrije vertaling uit het Spaans van de woorden "lugar de nacimiento : Geraardsbergen" = geboorteplaats : Geraardsbergen), hij de Belgische nationaliteit had (vrije vertaling uit het Spaans van ''Nacionalidad actual : Belga"), en woonplaats had in Spanje (vrije vertaling uit het Spaans van "Domicilio en Espana :...").

De stelling van de appellante dat C. D. T. handelde "als lasthebber" van T. C. SL is een pure, niet bewezen veronderstelling van de appellante. Niets laat toe tot dit besluit te komen. Het feit te beschikken over stempels en documenten met vermelding van T. C. SL is onvoldoende om dit te dezen te doen aannemen.

Het staat dan ook niet vast dat de beide autovoertuigen werden verkocht aan T. C. S.L. Het verwondert trouwens ook dat uit niets blijkt dat de appellante, gezien de BTW-problemen, contact nam met deze beweerde koper om te pogen het BTW-probleem uit te klaren, logische actie die men van de appellante mag verwachten. Minstens wordt van dergelijk contact niets meegedeeld of voorgelegd.

De voertuigen werden contant betaald door C. D. T., zodat betaling door C. C. S.L. evenmin vaststaat.

De verkoop aan T. C. S.L. is niet bewezen.

Volgens mededeling van de zaakvoerder van de appellante werden de voertuigen niet door de appellante naar Spanje overgebracht maar werden ze opgehaald door C. D. T. (zie het proces-verbaal d.d. 6.7.2004, stuk 1 van de geïntimeerde).

Enig bewijs van vervoer naar Spanje voor rekening van T. C. S.L. blijkt niet.

Wel is het voertuig Mercedes volgens mail van 4.12.2006 van een ambtenaar van FOD Financiën (stuk 12 van de appellante) teruggevonden als ingeschreven in Spanje, nadat het werd aangekocht door M. M. A. SL U. (invoerder) op 16.10.2001. Steeds volgens dezelfde mail werd het voertuig terug verkocht op 25.10.2001 en dan weer op 21.2.2003. Dit volstaat evenwel niet als bewijs dat het voertuig Mercedes door of voor rekening van T. C. S.L. werd overgebracht naar Spanje, maar de mail laat eerder uitschijnen dat een andere invoerder tussenkwam, zodat dit erop wijst dat vóór invoer andere transacties met betrekking tot het voertuig Mercedes gebeurden. Van het voertuig Audi werd in Spanje geen inschrijving gevonden volgens hetzelfde stuk.

Zo mag aangenomen worden dat het bewijs van vervoer naar het buitenland (binnen de Gemeenschap) voor de appellante als verkoper moeilijker is wanneer de koper het vervoer op zich neemt dan wanneer de verkoper voor het vervoer zorgt, moet nochtans worden opgemerkt dat de houding van de verkoper hierbij toch van belang is. Er mag verwacht worden dat de verkoper een minimum aan omzichtigheid aan de dag zal leggen, a fortiori een handelaar zoals de appellante die dagelijks aan het handelsverkeer deelneemt. Zonder meer aannemen zoals te dezen, op de enkele verklaringen van de persoon die zich namens de koper aanbiedt, die in contanten betaalt, met wie de appellante manifest geen vaste handelsrelatie onderhield, dat het geleverde goed zal uitgevoerd worden zoals gewoon beweerd door de persoon die komt kopen, is evident risicovol. De appellante diende het risico in te schatten dat zij bij een dergelijke transactie en bij dergelijke houding het zichzelf moeilijk maakte het bewijs van de uitvoer te leveren tegenover de Fiscus, en zij diende bij dergelijke verkoop haar houding aan te passen en maatregelen te nemen waardoor zij zichzelf in een positie plaatste die haar toeliet het bewijs van uitvoer redelijkerwijze te bekomen. Zo kon zij bvb. ten aanzien van de koper bij de thans besproken transacties bedingen dat zij zelf voor de uitvoer zou zorgen voor rekening van de koper om zekerheid te hebben over de uitvoer, of een waarborg eisen tot het bewijs van uitvoer zou geleverd worden, of zonder meer betaling van de BTW eisen waarna de koper het bewijs van uitvoer kan leveren en de BTW zal kunnen terugvragen aan de appellante. De appellante heeft het dan ook aan zichzelf te wijten zo zij het bewijs niet leveren kan van verzending of vervoer naar Spanje.

Waar de levering van de beide voertuigen aan C. D. T. in België gebeurde, en het bewijs door de appellante niet geleverd wordt van het feit dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat, en evenmin van het feit dat de voertuigen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap, is de BTW verschuldigd zoals gevorderd door de geïntimeerde.

3. De appellante streeft de kwijtschelding van de haar opgelegde administratieve boete na.

Aan de appellante werd een boete opgelegd gelijk aan 10 % van de verschuldigde BTW, in toepassing van de artikelen 70, § 1 BTW-wetboek, 84 derde lid BTW-wetboek, 1 van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, en Tabel G, Afdeling I, punt VII.2.B van het KB nr. 41.

De hierboven vermelde bepalingen met betrekking tot de boete werden correct toegepast.

De opgelegde administratieve boete is te beschouwen als een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Zij wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De belastingplichtige kan door de rechter laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve geldboete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief. De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, heeft de volle rechtsmacht om na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (Cass. 12.12.2008, rolnummer F.06.0111.N, http://jure.juridat.just.fgov.be ). Dit houdt echter niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 13.2.2009, rolnummer F.06;0108.N, http://jure.juridat.fgov.be ).

De voorgehouden goede trouw van de appellante volstaat niet om van de administratieve boete verschoond te blijven. Zoals hoger aangehaald is de appellante bovendien nalatig geweest. De opgelegde boete is te dezen zeer matig en zeker niet onredelijk of onevenredig met de begane inbreuk.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot als volgt:

• aan de zijde van de appellante : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op TWAALF JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 39bis2 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8