Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.10.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5bis kamer
Nr. 2002/AR/2703
in de zaak van :
D. J., handelaar, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oostende, onder het nummer …,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. E. loco mr. W. J., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de E.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. F. loco mr. V. D. P. J., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaarders exploot van 9.6.1997 tekende de appellant verzet aan tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door J. V., ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, op 5.5.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7.5.1997 door W. L., hoofdcontroleur van de 1e BTW-controle te Torhout, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant: een. bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW + een geldboete krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek van … BEF (… EUR), de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.1993, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek; de vervolgingskosten.
Voor de eerste recht er vorderde de appellant :
"
vast te stellen dat geen zekerheid bestaat nopens het bestaan van de transacties tussen W. en verzoeker respectievelijk op 1 juni 1992 en 26 november 1992;
dat daarenboven een strafonderzoek hangende is omtrent de feiten en dat zolang het vaststaande karakter van de schuld niet bewezen is;
het dwangbevel op te heffen;"
Bij vonnis van 15.1.2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd hij veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 20.12.2002 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De appellant vordert met zijn hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis, de toekenning van zijn oorspronkelijke vordering, tevens dat, zou worden vastgesteld dat er geen grensoverschrijdende transacties gebeurd zijn tussen de appellant en de B.V. W..
De geïntimeerde vordert dat de vordering van de appellant ongegrond zou worden verklaard.
2. Uit de twee opgaven Benelux-50 (stukken 6 en 7 van de geïntimeerde) dient te worden afgeleid dat de uitvoer van Nederland naar België van de erop voorkomende werktuigen wel degelijk gebeurden, de ene uitvoer op 1.6.1992 (1 Atlas graafmachine en 1 Ahlman laadschop), de andere uitvoer op 26.11.1992 (2 MP tractoren).
Volgens het onderzoek van de Belastingdienst in Nederland, op verzoek van de geïntimeerde :
• werden de machines Atlas graafmachine en Ahlman laadschop daadwerkelijk geleverd;
• is het factuurnummer met betrekking tot de Atlas graafmachine en de Ahlman laadschop onjuist, en moet dit nummer 116 zijn, terwijl op het Benelux-50-document het nummer 1331 staat;
• werd contant betaald en was op de factuur met betrekking tot de Atlas graafmachine en de Ahlman laadschop vermeld dat reeds een betaling gedaan was van … Fl terwijl het resterende bedrag van … Fl op 19.6.1992 op de bank werd gestort (ongeveer drie weken na de uitvoer dus);
• werd nog een factuur aangetroffen met betrekking tot de levering van 2 MP 1200 tractoren, voor de prijs van … Fl.
Het betreft duidelijk gegevens die de belastingambtenaar in kwestie heeft bekomen van de B.V. W., leverancier van de werktuigen. Het is op die belastingambtenaar dat de directeur van de B.V. W. doelt wanneer hij verklaart aan de Nederlandse politie (stuk 15 van de geïntimeerde) dat hij reeds eerder door een opsporingsdienst was gehoord.
De B.V. W. heeft de transacties in het geheel niet verborgen gehouden, maar uit haar boekhouding heeft zij de facturen kunnen bovenhalen, ook de wijze, van betaling, met een spoor van betaling van een deel van de prijs ingevolge storting op de bank.
Onderhoord door de Nederlandse politie op 16.4.1997 (stuk 15 van de geïntimeerde), bevestigde de Heer J. B. (directeur van het bedrijf W.) dat de door de appellant betwiste transacties hebben plaatsgevonden, d.i. met verkoop en levering aan de appellant, wiens naam ook vermeld staat op de opgaven Benelux-50. De Heer B. bevestigt ook dat hij nog in het bezit is van zelfde documenten als die welke de verbalisanten hem hebben laten zien tijdens het verhoor. Hij heeft duidelijk niets te verbergen en alle gegevens blijken officieel uit zijn boekhouding.
Er zijn dan ook geen redenen om te twijfelen aan de bevestiging door de Heer B. dat de transacties met de appellant wel degelijk gebeurden.
De door de appellant aangevoerde gegevens zijn niet van aard om hieromtrent twijfel te doen ontstaan :
• het voertuig waarmee het transport van de werktuigen ingevoerd op 26.11.1992 gebeurde behoorde toe aan de B.V. V. V. Trucks Holland, waarvan de export medewerkster stelt dat het geen transporten deed, maar enkel voertuigen kocht en verkocht (zie het proces-verbaal van de Nederlandse politie, stuk 18 van de geïntimeerde); dit sluit op zich niet uit dat nooit enig transport gebeurde met dit voertuig toen het nog toebehoorde aan de B.V. V. V. Trucks Holland; dat het voertuig volgens de verklaring van deze medewerkster in juni 1992 werd verkocht lijkt in strijd te zijn met de vermelding even hoger in zelfde proces-verbaal dat het voertuig tussen 22.5.1992 en 19.7.1993 nog behoorde tot de handelsvoorraad van V. V. Trucks B.V., zodat kan getwijfeld worden aan de verkoop in juni 1992, en dit gegeven niet betrouwbaar is;
• dat de chassisnummers van de Atlas graafmachine en de Ahlman laadschop afwezig zouden zijn geweest, is een veronderstelling van de appellant, die niet bewezen is; de visu werd dit niet vastgesteld, nu niemand stelt dit te hebben gezien, terwijl ook verificateur G. dit niet stelt; de afwezigheid van vermelding van het chassisnummer op de Benelux-50-documenten houdt geen dergelijk bewijs in;
• dat cash betaald werd is geen aanwijzing dat dit niet gebeurde door de appellant; volgens de verklaring van de directeur van de B. V. W. is de appellant immers ter plaatse geweest; uit zijn zelfde verklaring kan trouwens niet worden afgeleid dat hij cash betalingen abnormaal vindt; integendeel laat de wijze waarop de transacties volgens hem ontstaan deze mogelijkheid goed open : "Men komt kijken of er iets van hun gading staat en men beslist tot aankoop."; dat hierbij cash betaald wordt lijkt helemaal niet abnormaal;
• wanneer de appellant de transactie verborgen wil houden om BTW te ontduiken, is het normaal dat hij geen sporen ervan nalaat, o.m. in de boekhouding;
• dat de appellant de transacties ontkent is uiteraard onvoldoende om de hoger aangehaalde bewijselementen van de werkelijkheid van de transactie te ondergraven;
• dat er geen transportdocumenten bovenkomen is evenmin een aanduiding in het .voordeel van de appellant; dit kan immers het gevolg zijn van het feit dat de appellant voor transport zorgde en hij er belang bij heeft dit te verbergen in zijn huidige verdediging;
• uit het feit dat de BVBA R. Transporten failliet werd verklaard kan evenmin enig element in het voordeel van de appellant worden gehaald; dit had alleen tot gevolg dat geen gegevens meer konden bekomen worden van dit bedrijf omtrent het transport;
• dat de nummerplaat op de opgave Benelux-50 met betrekking tot de invoer van 26.11.1992 met de hand geschreven werd, wijst op zich niet op " geknoei" zoals de appellant voorhoudt;
• de levering van de werktuigen mag in redelijkheid aanvaard worden aan de hand van de opgaven Benelux-50 : hieruit blijkt dat ze vervoerd werden naar de appellant, geadresseerde.
Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat de strafinformatie waarvan gewag in de oorspronkelijke vordering van de appellant zonder gevolg werd gerangschikt, zodat dit geen hinderpaal kan zijn voor de beslechting van huidig geschil.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15juni 1935 op het gebruik der talen;
Bevestigt het bestreden vonnis;
Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel begroot als volgt :
• aan de zijde van de appellant: op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep + … EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep + … EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten, hetzij in totaal … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in burgerlijke zaken, op ZEVENTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES.
Aanwezig de Heren :
G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,
M. V., griffier.
M. V. G. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.