Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 12 oktober 2010

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2010-10-12-dbed

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
12 oktober 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

46 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 12.10.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen - ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken heeft het volgende arrest uitgesproken

In zake 2010/AR/2321

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, CONTROLECENTRUM BOOM waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2850 Boom, Van Cleemputplein 7.

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 29 maart 2010

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J. advocaat te …, …

tegen :

R. V. D. B., wonende te …, …

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester K. H., advocaat te …(…) …


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 29 maart 2010 waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 19 juli 2010 waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gehoord partijen in hun middelen.

1. Op 15 december 2005 wordt door mevrouw N. W. rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 3 ten laste van appellant een dwangbevel uitgevaardigd dat op 16 december 2005 door de heer J. V. gewestelijk directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde registratie en domeinen te Antwerpen wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Bij aangetekend schrijven van 16 december 2005 wordt dit dwangbevel aan appellant ter kennis gebracht.

In dit dwangbevel wordt van appellant betaling gevorderd van

als belasting over de toegevoegde waarde … €

als geldboete ingevolge artikel 70, § 1 en 1bis van het BTW-wetboek … €

als verlopen intresten krachtens artikel 91, § 1 1° van het BTW-wetboek … €

hetzij samen … € te vermeerderen met intresten en kosten.

Aan het dwangbevel is een proces-verbaal gehecht opgesteld op 12 december 2005 naar aanleiding van een op 20 juli 2005 bij geïntimeerde uitgevoerde controle over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 waarin wordt vastgesteld dat op de financiële rekening die geïntimeerde beroepsmatig gebruikte de ontvangen bedragen aanzienlijk hoger waren dan de aangegeven ontvangsten en dat geïntimeerde voor dit verschil geen verklaring kon geven.

2. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 14 oktober 2008 vordert geïntimeerde voornoemd dwangbevel te vernietigen dan wel onwettig te verklaren voor recht te zeggen dat hij de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is zowel wat de BTW als wat de boeten intresten en kosten betreft derhalve de uitvoering van het dwangbevel te verbieden de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen zijnde … € te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar en slechts zeer ten dele gegrond verklaart het dwangbevel onwettig m de mate waarin het bedrag van (… € + … € =) … € opneemt in de maatstaf van heffing van de navordering en in zoverre het daarop correlatief boete en intrest aanrekent veroordeelt appellant - in geval van betaling - tot terugbetaling aan geïntimeerde van de op het onwettig navorderingsonderdeel betaalde som meer intrest conform artikel 91 BTW - wetboek met ingang van instelling van de rechtsvordering veroordeelt geïntimeerde tot de kosten in hoofde van appellant begroot op … € rechtsplegingsvergoeding.

4. Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 juli 2010.

Appellant vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren het bestreden vonnis te vernietigen in de mate waarbij de rechtbank geoordeeld heeft dat het dwangbevel van 15 december 2005 uitvoerbaar verklaard op 16 december 2005 onwettig is in de mate waarin het bedrag van (… € + … € =) … € wordt opgenomen in de maatstaf van heffing van de navordering en in zoverre daarop correlatief boete en intrest wordt aangerekend en opnieuw rechtdoende doende wat de eerste rechter had moeten doen de door geïntimeerde gestelde vordering bij verzoekschrift van 14 oktober 2008 volledig ongegrond te verklaren voor het overige het vonnis te bevestigen geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Appellant betwist het bestreden vonnis voor zover dit vonnis aanvaardt dat de stortingen van … € en … € verband houden met de verkopen van privé-wagens en stelt dat geïntimeerde niet bewijst dat de meerontvangsten van een andere oorsprong waren dan van zijn zelfstandige beroepswerkzaamheid en dat hij evenmin bewijst aan de hand van controleerbare gegevens dat de meerontvangsten afkomstig waren van ten privé-titel verkochte voertuigen.

Appellant verwijst naar het geschil inzake personenbelasting waarin door geïntimeerde een vordering werd ingeleid met dezelfde middelen en grieven die in eerste aanleg onontvankelijk werd verklaard en in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard (arrest inzake 2008/AR/2579).

5. Ter zIttmg van 14 september 2010 heeft geïntimeerde verklaard dat het hoger beroep gegrond is en heeft appellant verklaard af te zien van de rechtsplegingsvergoeding.

6. Het Hof stelt aan de hand van de voorliggende gegevens vast dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond is.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN

HET HOF, recht doende op tegenspraak

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zoverre de rechtbank geoordeeld heeft dat het dwangbevel van 15 december 2005 uitvoerbaar verklaard op 16 december 2005 onwettig is in de mate waarin het bedrag van (… € + … € =) … € wordt opgenomen in de maatstaf van heffing van de navordering en in zoverre daarop correlatief boete en intrest wordt aangerekend en opnieuw wijzende verklaart de vordering van geïntimeerde volledig ongegrond.

Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het hoger beroep.

Verleent akte aan appellant dat hij afziet van de rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TWAALF OKTOBER TWEEDUIZENDENTIEN

waar aanwezig waren :

D. W. Raadsheer wd Voorzitter

M. D.

en M. G. Raadsheren

A. V. L. Griffier.

M. D. D. W.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8