Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 25 april 2006

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2006-04-25-54ff

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
25 april 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

159 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.04.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

Inzake : 2004/AR/2568

B. S., handelaar, wonende te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen N° …;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 juni 2004;

vertegenwoordigd door Meester G. P., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester D. V. loco Meester R. L., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 juni 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 15 september 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1.

Appellant, de heer S. B. is, wegens zijn geregelde activiteit die bestaat in de uitbating van een kleinhandel in levensmiddelen, als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE ….

Appellant is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving.

Appellant heeft destijds gekozen voor het forfaitair regime.

1.2.

Uit het proces-verbaal van 26 mei 2000, opgesteld door de heer F. L., verificateur-accountant bij de Administratie van de BTW en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de derde BBI-Inspectie te Brugge waarvan de kantoren zich bevinden te 8000 Brugge, Hoefijzerlaan 17E en uit het proces-verbaal van 26 mei 2000, opgesteld door de heren J. V. en F. L., respectievelijk eerstaanwezend inspecteur diensthoofd en verificateur-accountant bij de Administratie van de BTW en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de derde BBI-inspectie te Brugge waarvan de kantoren zich bevinden te 8000 Brugge, Hoefijzerlaan 17E, blijkt dat er bij een leverancier van appellant, de N.V. H., vastgesteld werd dat er een frauduleus systeem van verkoop was opgezet waarbij verkopen gefactureerd werden aan ofwel fictieve personen ofwel familieleden van de werkelijke kopers.

1.3.

Met het oog op de controle inzake de toepassing van de BTW­wetgeving werd een controle verricht bij appellant.

Daarbij werd nagegaan of appellant meegewerkt had aan bovenbedoeld frauduleus systeem.

Dit nazicht werd uitgevoerd door de heer W. D. R., eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Antwerpen 4, in tijdelijke medewerking bij het BTW­controlekantoor van Antwerpen 8, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4.

De bij die controle vastgestelde overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 16 februari 2001 (stuk 1 geïntimeerde).

Volgens de administratie van geïntimeerde is appellant ingevolge hoger vermeld proces-verbaal van 16 februari 2001, nog volgende bedragen verschuldigd :

schuld gekend onder RCIV-nr. : …

BTW … EUR

Boete … EUR

Intresten … EUR (berekend tot 20 maart 2005)

Moratoire Intresten … EUR (berekend tot 20 maart 2005)

Kosten … EUR

TOTAAL … EUR

1.4.

Op 12 maart 2001 werd wegens onvoldoende betaling door de eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen het dwangbevel uitgevaardigd, dat op 13 maart 2001 door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor te Antwerpen 12, daartoe gemachtigd door de heer Gewestelijk Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd.

Hoger vermeld dwangbevel werd op 3 april 2001 aan appellant betekend.

1.5.

Bij dagvaarding dd. 12 juli 2001 leidde appellant de procedure in voor de eerste rechter.

Bij vonnis van 21 juni 2004 verklaarde de eerste rechter "de vordering toelaatbaar, maar ongegrond", en veroordeelde appellant tot de kosten.

Appellant gaat hiertegen in beroep.

1.6.

De vordering van appellant, zoals laatst geformuleerd in beroepsbesluiten, luidt meer bepaald als volgt :

“…

Het hoger beroep tegen het vonnis van de 4 F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 21 juni 2004, AR 01/5392/A, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Derhalve het dwangbevel RCIV …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Mevrouw I. V., e.a. Inspecteur BTW-controle Antwerpen 12 dd. 13 maart 2001, en betekend op 3 april 2001 door gerechtsdeurwaarder L. V., van nul en generlei waarde te verklaren wat betreft de opgelegde proportionele boete en concluant te ontslaan van alle in dit dwangbevel van hem gevorderde proportionele boetes.

Derhalve geïntimeerde te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en/of toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, W.BTW.

In ondergeschikte orde

Voormeld dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete wordt nagevorderd.

In uiterst ondergeschikte orde

Voormeld dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete van méér dan 10 % van de BTW wordt nagevorderd.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding ... "

2. Bespreking

2.1.

Appellant argumenteert dat de administratie door de litigieuze taxatie vermoedens op vermoedens stapelt.

Appellant stelt dat zijn boekhouding ten onrechte werd verworpen.

Appellant stelt vervolgens dat overmatig belang (en bewijskracht) wordt gehecht aan verklaringen en/of vermeldingen in bescheiden van derden.

De herberekening van de omzet werd bovendien op een willekeurige manier gedaan.

De opgelegde boete heeft een strafrechtelijk karakter, werd niet gemotiveerd en is in strijd met het vermoeden van onschuld. Zij moet minstens worden kwijtgescholden of herleid.

2.2. de bewijsvoering door de administratie

2.2.1.

Het is niet ter discussie dat er bij de N.V. H. E.. H. een fraudecircuit bestond, met fictieve koperskaarten.

Het PV van 26 mei 2000 ten laste van voormelde vennootschap luidt o.m. als volgt :

“…

De ondergetekende, F. L., (.. .) verklaart :

(…)

- dat uit het nazicht van het klantenbestand blijkt dat talrijke klanten niet als BTW-belastingplichtige geregistreerd zijn. Bij verder onderzoek van deze klanten blijkt overigens dat tal van namen en/of adressen fictief zijn. (...)

- dat bij een aangekondigd bezoek in de vestiging van de firma H. te … op 11 februari 1999 voornoemde BBI-ambtenaren ontvangen werden door de heren D. C. en M., voornoemd, en de heer A. V., zaakvoerder vestiging Brugge.

- vernomen te hebben dat enkel kopers in bezit van een door de firma uitgereikte koperskaart toegang krijgen tot de verkoopruimte van de firma H. vestiging …. De koperskaart heeft een streepjescode op de keerzijde. De streepjescode wordt afgelezen door een scanner aan de ingangsdeur. Vervolgens wordt de deur automatisch geopend.

- uit het verder onderzoek, namelijk bij afnemers belastingplichtigen, vastgesteld te hebben dat sommigen onder hen in bezit waren van meerdere koperskaarten namelijk :

o één koperskaart op naam van de koper-BTW­plichtige;

o tweede of meerdere koperskaarten op fictieve namen en/of adressen of eventueel familieleden.

Hogergenoemde omzet kan bijgevolg minstens gedeeltelijk gerealiseerd zijn bij kopers-BTW-plichtigen die gebruik maakten van hun supplementaire koperskaart(en).

Er blijkt dat de tweede en volgende koperskaart(en) op de keerzijde geen streepjescode dragen.

Bijgevolg zouden koperskaarten uitgereikt worden die geen toegang verlenen tot de verkoopruimte.

Het uitreiken door de firma H. van koperskaarten, zonder streepjescode, toont aan dat de firma minstens op de hoogte moest zijn van de toegepaste praktijken, namelijk het laten kopen op een fictieve naam.

Een onderzocht geval toont aan dat een fictieve koperskaart aangemaakt werd enige dagen voor de creatiedatum van de effectieve koperskaart, terwijl beide kaarten samen werden gebruikt voor een aankoop op laatstgenoemd tijdstip. Dit bewijst dat fictieve koperskaarten in voorraad gehouden werden.

- dat de gegevens die op informatiedrager werden ontvangen, door de heer C. D., voornoemd, volgens zijn verklaring, op volgende wijze werden verwerkt en bewerkt :

a) de verkoopgegevens 1996,1997 en 1998 van de vestigingen …, … en … werden in tekstformaat bezorgd. Deze gegevens waren per maand opgemaakt (zie CD map "Originele gegevens''). Alle data werden vervolgens ingelezen in een Excel 7.0 werkmap, dit per maand. De 12 maanden werden per kalenderjaar samengevoegd in 1 bestand (zie CD map “Bewerkte gegevens”, map "Excel”). Vervolgens werden de jaren 1996, 1997 en 1998 per vestiging ingelezen in Access 7.0 (zie CD map “Bewerkte gegevens”, map "Access '').

b) het klantenbestand (volledige klantenlijst van de NV H.) werd in tekstformaat bezorgd (zie CD map “Originele gegevens''). De data werd ingelezen in een Excel 7.0 werkmap. Vervolgens werd deze data gesplitst in een klantenbestand per vestiging (zie CD map "Bewerkte gegevens", map "Excel '') Deze mappen werden geïmporteerd in Access 7.0 (zie CD map "Bewerkte gegevens", map "Access ').

c) de verwerking van de bovenstaande gegevens gebeurde voornamelijk met het databaseprogramma Access 7.0 met behulp van de hierna beschreven queries. Alle opzoekingen gebeurden aan de hand van de klantnummers.

1) query "klant Y": geeft een lijst van alle aankopen van een klant­belastingplichtige

2) query "klant X" : geeft een lijst van alle aankopen verricht juist voor de klant-belastingplichtige van query "klant Y"

3) query "klant Z" : geeft een lijst van alle aankopen verricht juist na de klant-belastingplichtige van query "klant Y"

4) query "samenvoeging van klant XYZ": geeft een gedetailleerde lijst waarin alle bovenstaande gegevens opgenomen zijn : dus: alle aankopen van een klant-belastingplichtige met alle aankopen van derden juist ervoor en erna.

5) query "aantal van klantnaam" : voor alle duidelijkheid werd deze query ontworpen om de samen aankoop van een klant­belastingplichtige met een derde aan te tonen : geeft een lijst waarop het aantal maal staat dat een derde aankoopt samen met een klant-belastingplichtige.

Op deze manier werd voor elke klant-belastingplichtige nagegaan of er een verband kon gelegd worden met derden-klanten.

6) query "verband BP-derden" : geeft alle aankopen van de klant­belastingplichtige met alle aankopen van zijn gevonden derden­verband.

…”

2.2.2.

Het PV dd. 16 februari 2001 ten laste van appellant luidt o.m. als volgt :

“…

Ik ondergetekende, W. D. R., ( ... ) verklaar :

- een controle te hebben verricht over de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde in hoofde van

Dhr. S. B.

… - … BTW nr. : …

I. Vaststellingen

A. Algemeen

Door B. D., (...), F. L. (...) en C. D., (...), allen ambtenaren ter beschikking gesteld bij de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, 3° Inspectie van Brugge, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Hoefijzerlaan nr. 17E te 8000 Brugge, werd op 21 oktober 1998 een nazicht uitgevoerd bij de N.V. H., groothandel algemene voeding, …, te …, BTW-nr. BE ….

Ter gelegenheid van dit nazicht is gebleken dat de toegang tot bovengenoemd bedrijf in al haar vestigingen geregeld is bij middel van een aankooppas. De aangekochte goederen worden onmiddellijk gefactureerd aan de op de pas vermelde identiteit.

Bij verder onderzoek bij de N.V. H. werden onder andere navolgende bijkomende vaststellingen gedaan :

- er wordt niet verkocht aan particulieren;

- uit het klantenbestand blijkt nochtans dat talrijke klanten niet als BTW-belastingplichtige geregistreerd zijn. Bij verder onderzoek van deze klanten blijkt dat tal van namen en/of adressen fictief zijn;

- de effectieve toegang tot de vestiging te Brugge wordt geregeld door een aankooppas voorzien van een streepjescode. Die code wordt gelezen door een scanner aan de ingangsdeur om deze te openen;

- sommige afnemers-belastingplichtigen ,varen in het bezit van meerdere koperskaarten :

1) één officiële kaart op de juiste identiteit;

2) een tweede of meerdere koperskaarten op fictieve namen en/of adressen of op naam van familieleden;

- de tweede en volgende kaarten droegen geen streepjescode. Die kaarten gaven dus volgens het hierboven beschreven systeem geen toegang tot de desbetreffende verkoopruimte.

Ter gelegenheid van de afhandeling van het nazicht bij de N V H. op 20 april 2000, werden de door hen gekende verbanden tussen de diverse .officiële koperskaarten en deze op naam van fictieve personen meegedeeld. Daaronder bevond zich eveneens het hieronder beschreven verband.

De hierboven vermelde vaststellingen en feiten zijn vervat in twee processen-verbaal op 26 mei 2000 opgemaakt door F. L., hierboven vernoemd.

B. Specifieke vaststellingen m.b.t. bovenvermelde belastingplichtige

Door de NV H. ,werd het verband toegegeven tussen de tussen de effectieve koperskaart (nr. …) op naam van S. B. en de fictieve koperskaart (nr. …) op naam van B. K., … te …. Het verband tussen deze twee kaarten blijkt uit de vaststelling dat voor een aantal facturen (zie bijlage 1) die vanaf de creatiedatum van de kaart op naam van B. K., namelijk 15/9/1997, werden uitgereikt er in verschillende gevallen juist ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van S. B..

Uit het nazicht van enkele door mij opgevraagde facturen is gebleken dat de aangekochte goederen op naam van B. K. behoren tot het soort goederen die in de winkel van S. B. worden aangeboden. Er bleek eveneens dat het tijdstip waarop de facturen aan S. B. en op naam van B. K. werden uitgereikt telkens een verschil vertoont van hooguit enkele minuten.

Uit schriftelijke inlichtingen ingewonnen bi de Stad Antwerpen blijkt dat er op het adres :

… te …, nooit iemand met de naam B. K. heeft gewoond.

Deze vaststellingen versterken het bewijs dat de twee kaarten door één en dezelfde persoon werden gebruikt.

…”

2.2.3.

De hoger vermelde "specifieke vaststellingen" in het PV dd. 16 februari 2001 zijn geen loutere beweringen van de verbaliserende ambtenaar, zoals appellant ten onrechte stelt, maar wel degelijk vaststellingen die de ambtenaar zelf heeft gedaan en door hem ook duidelijk als dusdanig worden neergeschreven.

Deze vaststellingen hebben dan ook de bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel.

Het zijn vaststaande gegevens waaruit de bijkomend verschuldigde belasting rechtsgeldig kan worden afgeleid.

Gelet op wat voorafgaat is de argumentatie van appellant omtrent de verwerping van zijn boekhouding niet relevant.

De taxatie van appellant volgt niet louter uit de verklaringen en bescheiden uitgaande van derden. Deze gegevens sluiten immers naadloos aan op de eigen bevindingen van de verbaliserende ambtenaren zodat ook de argumentatie van appellant terzake niet dienstig is.

Ten onrechte argumenteert appellant dat de herberekening van omzet arbitrair is, omdat er geen bewijs is van bestellingen op naam van K. B.. Dit bewijs wordt wél geleverd, meerbepaald door het hoger aangehaalde PV dd. 16 februari 2001.

2.3. de opgelegde boete

2.3.1.

Ten onrechte stelt appellant dat de litigieuze boete niet werd gemotiveerd.

Samen met het litigieuze dwangbevel werd het proces-verbaal van 16 februari 2001 betekend, waarin de boete wel degelijk werd gemotiveerd.

2.3.2.

Appellant stelt dat de boete een strafrechtelijk karakter heeft.

Ten onrechte stelt appellant evenwel nog dat de litigieuze boete in strijd is met het vermoeden van onschuld. Volgens appellant is er in het proces-verbaal waarop de navordering van de geldboete gebaseerd is, duidelijk sprake van een manifeste omkering van de bewijslast, wanneer geïntimeerde uitgaat van het gebrek aan goede trouw.

Dit is niet zo.

Uit het voormelde litigieuze PV blijkt nu juist het bewijs van het gebrek aan goede trouw van appellant.

2.3.3.

Appellant stelt, zoals gezegd, dat de boete een strafrechtelijk karakter heeft en vraagt dat zij zou worden kwijtgescholden of herleid.

2.3.3.1.

De rechter, aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van het art. 70 van het BTW-wetboek te toetsen, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter in staat stellen na te gaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding, zodat het aan de rechter behoort te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de overtreding, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijksoortige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

2.3.3.2.

In casu is de opgelegde geldboete in overeenstemming met de gepleegde inbreuk.

Er bestaat dan ook geen aanleiding om deze te herleiden of kwijt te schelden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave in de aanvullende conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VIJFENTWINTIG APRIL TWEEDUIZENDENZES,

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter

S. B.

en M. V. d. B., Raadsheren

A. V. L., Griffier

A.V. L. M. V. D. B.

S. B. R. T.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8