Strafbepaling, administratieve geldboete, strafrechtelijke sanctie · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 23 januari 2002

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, strafrechtelijke sanctieBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-strafrechtelijke-hof-van-beroep-gent-2002-01-23-d62a

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
23 januari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

164 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.01.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

1998/AR/540 - In de zaak van :

B. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. C. B., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de BTW­Ontvanger te 9230 WETTEREN. Gentsesteenweg 93,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. V. P., advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies in openbare terechtzitting.

De stukken werden ingezien, o.a. het vonnis van 9 februari 1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, waartegen het hoger beroep tijdig is en regelmatig naar de vorm.

De bestreden beslissing wijst het verzet van appellante tegen het dwangbevel van 4 april 1995, haar betekend op 4 mei 1995 af als ongegrond.

Voornaamste gegevens :

In 1992 heeft appellante een twaalftal facturen geboekt, opgemaakt door de firma S., waarvan nadien is gebleken dat zij fictief waren, althans deels.

Bij vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen (niet overgelegd, behoudens de bladzijden 260, 277 en 289) werd D. B. M., echtgenote van de zaakvoerder van appellante, strafrechtelijk veroordeeld voor de feiten D/I.52, G/52 en H/52) waarvan de juiste omschrijving echter niet wordt medegedeeld.

B. R., zaakvoerder van appellante werd vrijgesproken

D. B. M. oefent geen mandaat uit in de vennootschap. Zij houdt zich wel bezig met de administratie en de boekhouding. In welke hoedanigheid zij strafrechtelijk werd vervolgd blijkt niet uit de overgelegde stukken.

In conclusies (neergelegd op 5.10.2000) werpt appellante uitdrukkelijk op dat D. B. M. door de strafrechter niet als strafrechtelijk verantwoordelijke werd aangezien, zodat moet worden geoordeeld of haar daden toerekenbaar zijn aan appellante.

Wat de feiten betreft is er sprake van fictieve facturen, betaald per cheque, die blijkbaar deels werden terugbetaald. Volgens de genaamde S. werd in het totaal voor een bedrag van … EUR fictief aan appellante gefactureerd. Het is duidelijk dat appellante teneinde … EUR Btw te kunnen aftrekken, geen uitgave zal doen van … EUR, hetgeen voor haar hoe dan ook verlieslatend zou zijn, ondanks het bijkomend beoogd fiscaal voordeel voortvloeiende uit de uitgave.

Volgens geïntimeerde werd reeds in het vonnis van 14 oktober 1994 beslist dat van he t rechtsbeginsel 'non bis in idem' geen sprake is (folio 221), zulks o.m. op grond van de overweging dat de invordering van de Btw niet gericht is tegen de beklaagden, maar tegen de vennootschappen. Een administratieve geldboete kan aan iedere belastingplichtige worden opgelegd, dus ook aan een rechtspersoon of groepering, terwijl zij daarentegen geen strafrechtelijke beklaagde kunnen zijn.

Op 13 september 1994 werd een controle-onderzoek uitgevoerd, waarvan proces-verbaal werd opgesteld en betekend op 17 oktober 1994.

Daarin werd vastgesteld dat appellante aan de BTW een bedrag van … EUR verschuldigd was, te vermeerderen met … EUR geldboete overeenkomstig artikel 70, § 1, 70, § 1bis en 70, § 2 W.BTW.

Voorheen was reeds een rectificatie met de directe belastingen tussengekomen (11 januari 1994). Daarin gaat appellante akkoord om de Btw op fictieve facturen "te regelen met de Btw­administratie".

Appellante heeft in de aangifte van de Btw voor de maand juli 1994 een bedrag van … EUR geregulariseerd, bedrag dat werd toegerekend op de van rechtswege verschuldigde interest (… EUR) en voor het saldo op de geldboete (- … EUR).

Zij heeft in de aangifte voor de maand oktober bijkomend een bedrag van … EUR geregulariseerd.

Het bestreden dwangbevel handelt echter niet over deze bijkomende regularisatie.

Het verwijst wel naar een schuldvergelijking op een tegoed op 31 januari 1995 van … EUR. Dit bedrag werd toegerekend tot beloop van … EUR op interest en tot beloop van … EUR op de geldboete.

Het dwangbevel strekt derhalve tot betaling van … EUR Btw en … EUR geldboete, vermeerderd met interest van 0,80 %/m vanaf 21 februari 1995.

Volgens een navolgend bericht van 6 februari 1996 is nadien een herberekening van de geldboete gebeurd op grond van het feit dat voor bepaalde facturen "in tussengekomen vonnissen (?)" beslist werd dat de facturen in werkelijkheid betrekking hadden op "gedeeltelijk reële, gedeeltelijk fictieve prestaties".

Uit een bijgevoegd 'herberekeningsblad' moet blijken dat de geldboete verminderd wordt tot … EUR.

Strikt genomen dienen de regularisaties en de schuldvergelijking op de herberekende schuld toegepast te worden. Of dit is gebeurd kan niet worden nagegaan, ofschoon de administratie wel mededeelt dat zij haar raadsman hiervan in kennis stelt.

De voormelde herberekening gebeurt immers hangende huidige procedure.

Tegelijkertijd wordt in het bericht van 6 februari 1996 melding gemaakt van bijkomend drie (fictieve) facturen, niet opgenomen in het aanvankelijk pv van 17 oktober 1994 en is sprake van een op te maken nieuw proces-verbaal.

Dit is inderdaad gebeurd op 5 februari 1996 (drie facturen : Btw … EUR en geldboete van … EUR).

Van een nieuw dwangbevel blijkt echter niet, ook niet van een bijkomende regularisatie vanwege appellante.

Bespreking :

Afgezien van de vraag of het besproken dwangbevel van 4 april 1995 nog actueel is, gelet op de herberekening van de boete en het bijkomend proces-verbaal van 5 februari 1996 (zie verder), dient hoe dan ook betreffende de juridische betwisting omtrent de door de administratie toegepaste fiscale geldboete door het Hof beslist te worden.

Naargelang een fiscale geldboete al dan niet rechtsgeldig wordt toegepast zal immers de schuld van appellante verschillen.

I. Hoewel appellante haar verweermiddelen voor de eerste rechter aangevoerd herneemt en deze als integraal hernomen beschouwt, zou op het eerste gezicht uit haar conclusie van 5 oktober 2000 dienen te worden afgeleid dat zij niet langer het beginsel "non bis in idem" handhaaft.

Zij werpt immers op dat enerzijds D. B. M. door de strafrechter niet als strafrechtelijk aansprakelijke voor de vennootschap werd aangezien, terwijl zij evenmin te beschouwen is als feitelijke bestuurder van de vennootschap.

Daaruit concludeert zij dat zij "op geen enkele wijze gehouden kan zijn voor de gevolgen van de malversaties van D. B. M.". Dit houdt feitelijk in dat wanneer een fiscale geldboete op appellante zou worden toegepast, deze niet meer zou kunnen voorhouden dat zij reeds voor dezelfde feiten door de strafrechter werd veroordeeld.

Door geen van de partijen wordt het vonnis van 14 oktober 1994 overgelegd.

Op grond van de stukken aan het Hof voorgelegd is het onmogelijk de correctheid van dit verweer van appellante te onderzoeken.

Appellante gaat evenwel minstens uit van een onjuist vertrekpunt. De vraag of D. B. M. haar zaakvoerder of feitelijke bestuurder is, doet weinig ter zake.

Immers in beginsel, wanneer een rechtspersoon een misdrijf pleegt, rust de strafrechtelijke verantwoordelijkheid op de natuurlijke personen, organen of aangestelden, door wiens toedoen de rechtspersoon heeft gehandeld (Cass., 17 februari 1998, Arr. Cass., 1998, 97 - Cass., 18 februari 1997, Arr. Cass., 1997, 94 - Cass., 12 september 1995, Arr. Cass., 773).

Vermits D. B. M. met toestemming en medeweten van de zaakvoerder, trouwens haar echtgenoot, de administratie en boekhouding deed, is zij bijgevolg te beschouwen als de aangestelde, mandataris van appellante.

Appellante liet immers toe dat D. B. M. in haar naam en voor haar rekening (rechts)handelingen verrichtte en optrad tegenover derden.

D. B. M. was minstens en alleszins de natuurlijke persoon door wiens toedoen appellante handelde.

De strafrechter diende bovendien niet specifiek te oordelen over de hoedanigheid van strafrechtelijk verantwoordelijke voor appellante in hoofde van D. B. M.. Niets laat trouwens toe aan te nemen dat een betwisting in die zin aan zijn oordeel werd onderworpen.

Appellante werd niet als civielrechtelijk aansprakelijke in de zaak voor de strafrechter betrokken, hetgeen echter op zich geen voorwaarde van vervolgbaarheid of strafbaarheid van de natuurlijke persoon uitmaakt.

Zoals reeds aangehaald kan het Hof niet nagaan welke feiten precies aan D. B. M. werden ten laste gelegd.

Niets laat toe aan te nemen dat zij vervolgd werd op grond van de artikelen 73 en 73bis W.BTW en niet louter op grond van valsheid in geschriften, het gebruik van de valse stukken en oplichting. Zijzelf was immers niet de belastingplichtige. Het feit dat in het vonnis van de strafrechter sprake is van een "fiscale" geldboete doet daaraan niets af. Artikel 73bis W.BTW spreekt enkel van een "geldboete". Blijkbaar betreft het hier een juridisch niet gefundeerde toevoeging van de strafrechter. Het opleggen van de "fiscale geldboete" behoort immers tot de uitsluitende bevoegdheid van de administratie, niet van de rechter. Wanneer de strafrechter een veroordeling tot een fiscale geldboete uitspreekt, is deze veroordeling onwettelijk (Cass., 15 april 1980, Arr. Cass., 1980, 1012).

De bemerking van appellante dat de strafrechter D. B. M. niet als haar strafrechtelijk verantwoordelijke beschouwde, zou tot slot bijkomend erop wijzen dat zij niet op grond van een inbreuk op artikel 73 en 73bis W.BTW werd vervolgd.

De vaststelling dat in hoofde van een natuurlijk persoon bepaalde feiten een strafbare gedraging van gemeen recht (valsheid in geschriften en gebruik van deze valse stukken) opleveren, verhindert niet dat in hoofde van een rechtspersoon diezelfde feiten een fiscaal misdrijf kunnen uitmaken.

Tot slot dient te worden gewezen op het algemeen rechtsbeginsel dat niemand in strafzaken voor dezelfde feiten een tweede maal kan worden vervolgd en berecht.

Dit behoort tot de regels van een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6 EVRM en artikel 14,7° IVBPR.

Deze bepalingen verhinderen echter niet dat de wetgever sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk, de ene onderworpen aan het nationaal strafrechtstelsel, de andere onderworpen aan het stelsel van administratieve sancties.

Van enige effectieve cumul van sancties blijkt vooralsnog niet uit de stukken.

Alvorens derhalve omtrent het verweer gesteund op het beginsel "non bis in idem" te beslissen komt het onontbeerlijk voor dat het . vonnis van 14 oktober 1994 zou worden overgelegd.

Appellante mag wel opwerpen dat de overwegingen door de strafrechter aan dit rechtsbeginsel gewijd haar niet tegenstelbaar zijn.

Zij was geen partij voor de strafrechter zodat de overwegingen inzake het beginsel "non bis in idem" niet tegen haar zijn gericht, of kunnen gericht zijn.

Er waren veel beklaagden, zodat de overwegingen van de strafrechter blijkbaar het verweer van bepaalde beklaagden ontmoet, natuurlijke personen die tezelfdertijd belastingplichtigen waren.

Geïntimeerde werpt derhalve onjuist op dat omtrent dit beginsel reeds een definitieve beslissing is tussengekomen.

Appellante leidt uit de onjuiste inschatting van de hoedanigheid van de persoon van D. B. M., door wiens toedoen zijzelf ten opzichte van de administratie handelde, verkeerdelijk af dat de onregelmatigheden ('malversaties') begaan door voornoemde haar niet toerekenbaar zijn, meer bepaald dat waar ingevolge haar strafrechtelijke veroordeling weliswaar vast staat dat D. B. M. handelde met bedrieglijk opzet, dit, mede gelet op de vrijspraak van haar zaakvoerder, niet insluit dat zijzelf eveneens handelde met bedrieglijk opzet.

Vermits zij handelde door toedoen van D. B. M. zijn deze verrichtingen wel degelijk aan appellante toe te rekenen.

De vrijspraak van haar zaakvoeder doet daaraan niets af en houdt alleen in dat hijzelf als natuurlijke persoon geen strafrechtelijk beteugelbare handelingen pleegde.

De strafrechter nam aan dat hij niet op de hoogte was van de frauduleuze praktijken van zijn echtgenote, meer niet.

De strafrechter diende niet te onderzoeken of hij op de hoogte kon of had moeten zijn voor zover hij zijn mandaat van zaakvoerder degelijk uitvoerde.

Deze nalatigheid, verzuim of tekortkoming in de uitoefening van zijn beheer was niet alleen niet het voorwerp van de tenlasteleggingen, maar maakt op zich ook geen strafbare gedraging uit.

Bovendien en vooral is de toerekening niet te onderzoeken ten overstaan van de zaakvoerder, maar ten overstaan van appellante als rechtspersoon.

Van kwijtschelding van de fiscale geldboete ingevolge afwezigheid van bedrieglijk opzet kan bijgevolg geen sprake zijn.

II. Appellante werpt op dat de fiscale geldboete nietig is.

A. Omtrent de nietigheid op grond van schending van het KB nr. 41 en de wet Cerexhe :

Appellante houdt voor dat zij op eigen initiatief de onregelmatigheden heeft rechtgezet bij de aangiften voor de maand juli 1994 (in augustus 1994) en voor de maand oktober (in november 1994).

Zij deed wel maandelijkse aangiften zoals blijkt uit deze voormelde aangiften. Haar bewering dat zij kwartaalaangiften deed is kennelijk onjuist.

Artikel 3 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat "volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie".

Alhier wordt niet betwist dat door de Btw-administratie een proces­verbaal werd opgesteld op 17 oktober 1994, d.i. alleszins voor de rechtzetting in november 1994 (aangifte maand oktober).

Voordien was er reeds een tussenkomst van de administratie van de directe belastingen (akkoord van 11 januari 1994) en houdt geïntimeerde voor dat het controlebezoek van september 1994 reeds was aangekondigd begin juli 1994, d.i. vooraleer een eerste gedeeltelijke rechtzetting gebeurd in augustus 1994 (aangifte maand juli).

De tussenkomst van eender welke fiscale administratie (“een”) volstaat.

Dergelijke tussenkomst was er reeds einde 1993 (akkoord van 11 januari 1994) en dan ging appellante reeds uitdrukkelijk akkoord om de toestand inzake Btw recht te zetten.

Zij heeft dit pas gedeeltelijk gedaan nadat zij verwittigd werd van een nakende bijkomende controle vanwege de Btw-administratie. De bijkomende rechtzetting voor het saldo gebeurde pas na die controle. Vermits zij geen kwartaalindiener van aangiften is, roept zij bijgevolg dit gegeven ten onrechte in als verklaring voor het tijdstip van de tweede rechtzetting.

Appellante kan bijgevolg geen aanspraak maken op kwijtschelding van de fiscale geldboete, ook niet deels.

Omtrent de toerekenbaarheid van het frauduleus opzet van D. B. M. aan appellante werd reeds hiervoor beslist.

In het proces-verbaal van 17 oktober 1994 wordt verwezen naar de verklaringen van P. S. inzake het fictief zijn van de facturen en de erkenning door de administratieve verantwoordelijke voor appellante dat zulks inderdaad het geval is, waardoor de BTW op die facturen ten onrechte in mindering werd gebracht bij de aangiften.

Dit volstaat als motivering van het vereist opzet om belastingen te ontduiken.

Appellante kan derhalve artikel 1 van het voormeld KB nr. 41 niet te haren gunste inroepen.

Appellante werpt op dat de opgelegde fiscale geldboete niet afdoend wordt gemotiveerd.

Zij geeft zelf toe dat in het proces-verbaal van 17 oktober 1994 gewezen wordt naar “de aard en de omvang van de vastgestelde overtredingen” waarvan duidelijk blijkt dat zij “werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken”.

Voorafgaand wordt ook de lijst met data, factuurnummer, leverancier , omschrijving, maatstaf en Btw-bedrag opgegeven.

Geïntimeerde duidt bijgevolg welk aan op welke feitelijke en juridische gronden de beslissing voor het toepassen van de fiscale geldboete steunt.

In het dwangbevel moet geen verdere motivering worden gegeven, vermits dit verwijst naar het proces-verbaal.

Dit afdoen als een louter “parafraseren” van de wettekst is niet ernstig.

B. Omtrent de toepassing van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBRP :

Artikel 6 EVRM noch art. 14 IVBPR verzetten zich tegen een stelsel waarbij aan het bestuur de vervolging en sanctionering van inbreuken op de fiscale reglementering wordt toevertrouwd, mits de belastingplichtige de opgelegde sanctie kan laten controleren door een rechterlijke instantie die alle garanties biedt welke in die bepalingen zijn omschreven.

De rechter moet alle elementen in feite en in rechte kunnen beoordelen en nagaan of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt en niet indruist tegen algemene rechtsbeginselen, en of zij niet strijdig is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur (Cass., 5 februari 1999, T.F.R., 1999, 375).

Het Arbitragehof oordeelde in dezelfde zin, met dien verstande dat onder de algemene rechtsbeginselen die het bestuur in acht moet nemen ook de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel ressorteert.

Bijgevolg oordeelt het Arbitragehof dat indien de wetgever van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, niets van datgene dat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag kunnen ontsnappen.

Dat een administratieve sanctie inzake belasting een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR staat niet langer ter discussie (Cass., 25 mei 1999, F.J.F., 1999, 323).

In casu (art. 70, § 1, § 1bis en § 2) is de sanctie zonder onderscheid op elke belastingplichtige van toepassing, geldt zij zeer algemeen voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, voor elkeen die onrechtmatige aftrek van belasting heeft genoten en telkens wanneer een factuur onjuiste vermeldingen bevat.

Aangenomen moet worden dat zij, in sommige gevallen (zie verder), niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade beoogt, maar terzelfdertijd preventief en repressief bedoeld is.

Zij bedraagt in beginsel het dubbele van de ontdoken belasting (zie echter het KB nr. 41).

Het antwoord Op de vraag of zij als zeer zwaar te beschouwen is hangt in feite bijkomend af van de aard en de omvang van de begane overtredingen.

Op te merken is dat bij KB nr. 41 van 30 januari 1987 tabellen worden opgegeven voor het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

In artikel 1, laatste alinea wordt bepaald dat de in de tabellen A tot J opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan onmogelijk te maken.

Concreet gezien onderstreept deze beperking van de toepassing van het KB nr. 41 het karakter van strafsanctie van de fiscale geldboete wanneer bij de belastingplichtige een bedrieglijk opzet op het oogmerk om te schaden aanwezig is.

Enkel dan bedraagt de fiscale geldboete het dubbele van de ontdoken belasting.

De strafrechtelijke aspecten geven in die gevallen duidelijk de doorslag.

Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie ontbreekt.

Aanleiding tot het stellen van de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof weergegeven in het dictum van de conclusies van appellante van 5 oktober 2000 ontbreekt eveneens.

Artikel 70 W.BTW handelt over de fiscale geldboete, zegge een administratieve sanctie art. 73 W.BTW handelt over de strafrechtelijke sancties.

Het betreft sancties van totaal uiteenlopende aard, die voor vergelijking niet in aanmerking kunnen komen, zodat het feit dat op de strafrechtelijke sancties alle bepalingen van het eerste boek van het strafwetboek, artikel 85 inbegrepen, niet als discriminerend kan worden ingeroepen m.b.t. de administratieve sancties.

Omtrent het beginsel van non bis in idem voor rechtspersonen (zie supra) dient de berechting eveneens te worden opgeschort totdat het vonnis van 14 oktober 1994 wordt overgelegd.

C. Omtrent het vermoeden van onschuld :

Appellante houdt voor dat de fictieve facturen werden aangewend om vennootschapsbelasting te ontduiken, niet met de bedoeling om de Btw te ontduiken.

Geïntimeerde werpt terecht op dat dit niet wegneemt dat ook de frauduleuze bedoeling om de Btw te ontduiken daarbij aanwezig was.

Het bedrieglijk opzet, ook indien dit in hoofdzaak het ontduiken van vennootschapsbelasting beoogde, was in dezelfde mate aanwezig m.b.t de Btw-verrichtingen.

Appellante beweert ten onrechte dat zij daaromtrent niet de bedoeling had om deze belasting te ontduiken.

D. Omtrent de redelijke termijn :

Getoetst aan de drie criteria door haar vooropgesteld (complexiteit van de zaak - gedrag van de verdachte – gedrag van de overheid) toont appellante geenszins aan dat de redelijke termijn werd, wordt overschreden.

De bewering dat elke vertraging van de rechtsgang aan geïntimeerde is te wijten wordt niet gestoofd.

E. Schending van de artikelen 10 en 11 van de grondwet:

Het Arbitragehof heeft bij arrest van 24 februari 1999 (T.F.R.1999, 385) beslist dat wanneer artikel 70 W.BTW juncto artikel 84 zo wordt geïnterpreteerd dat het de rechtbank verbiedt om op een administratieve beslissing, waarbij een boete met overwegend repressief karakter wordt opgelegd, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen, wordt aan een categorie van personen op discriminerende wijze het recht ontzegd op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep dat zowel door het algemeen rechtsbeginsel als door art. 6 EVRM wordt gewaarborgd. Het Hof oordeelt dat deze categorie van personen alsdan niet de mogelijkheid heeft een beroep in te stellen dat hem toelaat door een rechter te laten nagaan of de administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of ze de wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen die de administratie moet in acht nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt.

Er is geen discriminatie in de interpretatie dat de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig wordt gemaakt, een bevoegdheid van volle rechtsmacht uitoefent die hem toelaat al wat onder de beoordeling van de administratie valt m.b.t. de fiscale geldboete, te controleren.

In een arrest van 7 december 1999 (RW 2000-2001, 157) herhaalde het Hof dit.

Er is discriminatie wanneer de rechter geen volledige toetsingsmacht heeft "t.a.v. alles wat onder de beoordeling van da administratie valt bij het opleggen van de geldboete".

Het Hof neemt in beginsel aan dat het de wetgever vrij staat aan de administratie de taak toe te vertrouwen om schendingen van bvb de Btw-wetgeving te vervolgen en te bestraffen. De wetgever mag ook bijzonder zware straffen opleggen in sectoren waarin de omvang en de frequentie van de fraude het algemeen belang aantasten.

Wanneer aan de ambtenaren de zorg wordt overgelaten om binnen de door de wet gestelde perken het bedrag van de geldboeten vast te stellen in verhouding tot de vastgestelde wetschending, moet evenwel aan de rechter dezelfde bevoegdheid worden toegekend (volle rechtsmacht).

Toepassing gemaakt van dit beginsel is ter zake van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. De administratie beschikt, ingeval van bedrieglijk opzet of van oogmerk om te schaden in hoofde van de belastingplichtige, ook niet over de mogelijkheid om de omvang van de sanctie te moduleren.

Dat de rechter diezelfde bevoegdheid niet heeft levert derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel op.

F. Omtrent de schending van het Europees rechtelijk evenredigheidsbeginsel :

Het is juist dat het Hof van Cassatie in het door appellante geciteerd arrest van 5 februari 1999 overweegt dat de Lid-Staten hun bevoegdheid moeten uitoefenen met inachtneming van het gemeenschapsrecht en bijgevolg van het evenredigheidsbeginsel, hetgeen inhoudt dat de sancties het kader van hetgeen noodzakelijk is voor de beoogde doelstellingen niet mogen overschrijden.

Het Hof overweegt tezelfdertijd, m.b.t. de fiscale geldboete, dat de fraude tegen de EG-begroting niet anders wordt gesanctioneerd dan die welke de rechten van de nationale schatkist in gevaar brengt, tevens dat de fiscale geldboete, berekend volgens het bedrag van de door de Btw-belastingplichtige verschuldigde Btw, op zichzelf kennelijk niet onevenredig is· met enig door het Verdrag gesteld doel, maar integendeel het nodige afschrikkend effect heeft en controles door de EG-overheid vereenvoudigt, zonder de interne markt nadelig te beïnvloeden.

Het abstract bedrag van de fiscale geldboete is niet bepalend, wel de aard en de omvang van de inbreuken.

Het betreft een sector waarin de omvang en de frequentie van de fraude het algemeen belang ernstig aantasten.

Het Europees evenredigheidsbeginsel wordt niet geschonden.

III. Appellante heeft in haar verzetsakte opgeworpen dat het dwangbevel geen rekening houdt met haar rechtzetting van … EUR (aangifte voor de maand oktober 1994, ingediend in november 1994).

Het bestreden vonnis handelt daarover niet.

Geïntimeerde heeft opgeworpen dat de verrekening niet mogelijk was vermits het proces-verbaal dagtekende van 17 oktober 1994, maar verklaart niet waarom dan in het dwangbevel wel rekening kan gehouden worden met een tegoed "met datum van uitwerking 31.1.1995 op de rekening courant bij de Btw-ontvangsten" groot … EUR.

De heropening der debatten dringt zich derhalve op, enerzijds om de meest gerede partij toe te laten het correctioneel vonnis van 14 oktober 1994 bij haar dossier te voegen, anderzijds om partijen toe te laten standpunt te nemen over de actualiteit van het dwangbevel van 4 april 1995, gelet op de herberekening van de boete (aangetekend schrijven van de BBl-lnspectie van 6 februari 1996 met aangehecht berekeningsblad : stuk 6 dossier appellante) en gelet op het niet in aanmerking nemen van de rechtzetting van … EUR in november 1994.

De incidentie van deze rechtzetting (hetgeen ook invloed heeft op de interest) en de vermindering van de fiscale boete zouden op zichzelf op het eerste gezicht moeten leiden tot minstens de gedeeltelijke gegrondheid van het verzet.

Beschikkend gedeelte

Op die gronden,

Het Hof, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Alvorens erover te beslissen heropent de debatten teneinde partijen toe te laten hun dossier te vervolledigen met het vonnis van 14 oktober 1994 waarvan hierboven sprake en standpunt te nemen omtrent de onder rubriek III van onderhavig arrest gestelde vragen.

Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

Verwijst de zaak naar de terechtzitting van 6 maart 2002 om 15u30.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ZEVENENTWINTIGSTE KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van DRIEENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

L. M., Plaatsverv. Raadsheer, Wn Kamervoorzitter,

J. B. P. en C. L., Plaatsvervangende Raadsheren,

J. D., Griffier.

J. D. C. L. J. B. P. L. M.

Voor eensluidend afschrift afgeleverd ingevolge art. 775 Ger. W.

Aan :

- B. B.V.B.A.

- Meester C. B.

- BELGISCHE STAAT/MINISTERIE VAN FINANCIEN

- Meester V. P.

De griffier,

J. D.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 41 art. 31 voorkomen