Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 30.06.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
AR 2006/17211/A
- Fiscale zaken
- BTW op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
BVBA G., met zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. L. K. loco Mr. L. V., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de e.a. Inspecteur van het Ontvangkantoor Brussel 5, met kantoren te 1000 Brussel, Cantersteen nr. 47,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. M. M. loco Mr. A. D., advocaat te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 6/06/2008, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :
Gelet op :
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 8/02/2006;
- de conclusies van verweerster, neergelegd ter griffie op 23/08/2006;
- de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie op 24/09/2007;
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 6/06/2008, waarna twee bundels met de stavingstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.
Eiseres is BTW-plichtige. Zij is geregistreerd onder het BTW nummer BE… sedert 1/1/1971 voor haar economische activiteit van kleinhandel in kledingaccessoires en is gehouden tot het indienen van maandelijkse BTW-aangiften.
Eiseres liet na van aangiften in te dienen voor de maanden november en december 2002 en januari 2003 ten gevolge waarvan o.m. een bijzondere rekening werd opgemaakt.
Na een aanmaning d.d. 18/10/2004 werden de aangiften voor de maanden november 2002 en december 2002 ingediend. Eiseres bleef evenwel in gebreke de aangiften m.b.t. januari 2003 t.e.m. oktober 2004 in te dienen. Dit zou evenwel gebeuren op 25 mei 2005.
Volgens een dwangbevel uitgevaardigd op 9 januari 2006, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 januari 2006 en betekend aan eiseres d.m.v. gerechtsdeurwaarders exploot d.d. 24/01/2006 en een dwangbevel uitgevaardigd op 9/01/2006, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12/01/2006 en betekend aan eiseres betekend d.m.v. gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 24/01/2006 zou eiseres volgende bedragen aan verweerster verschuldigd zijn :
- BTW : € 108.055,97
- Geldboete : € 21.610,00
- Interesten : pm
- BTW : € 94.245,84
- Geldboete : € 188.840,00
- Interesten : pm
Deze bedragen worden gevorderd n.a.v. een op 1 juli 2005 voor akkoord ondertekende regularisatieopgave van 23 mei 2005 (periode 1/01/2003 - 31/12/2003) en een op 1 juli 2005 voor akkoord ondertekende regularisatieopgave van 7 juni 2005 (periode 1/01/2004 - 31/12/2004).
3. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering strekt ertoe de dwangbevelen van 9 januari 2006 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van geldboeten niet verschuldigd zijn voor zover zij meer bedragen dan respectievelijk 5.409,74 € en 7.788,20 €, te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding en verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van geldboeten die reeds door eiseres werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde geldboeten, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten.
Tot slot beoogt zij de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
3. BEOORDELING
3.I. Ontvankelijkheid
De vordering van eiseres werd ingesteld bij verzoekschrift (art. 1385decies en undecies Ger. W.) neergelegd ter griffie op 8/02/2006.
Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eiser niet.
Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering van eiseres ontvankelijk verklaard.
3.II. Gegrondheid
Het geschil betreft een discussie over de berekening van de administratieve geldboeten inzake BTW.
Eiseres meent dat de administratieve boeten ten onrechte werden berekend op de belasting verschuldigd op de door haar gerealiseerde omzet, zonder rekening te houden met haar recht op aftrek van de belasting die zij betaald heeft aan haar leveranciers.
Artikel 70, § 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : W.BTW) luidt als volgt :
"§ 1. Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. (...)"
Tabel G, afdeling 1, V van het Koninklijk besluit nummer 41 bepaalt :
"... Belastbare handelingen zijn niet, slechts gedeeltelijk, of zijn laattijdig opgenomen in de daartoe bestemde aangifte; (...). Het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controleperiode van één jaar is : (...) meer dan 1.250 EUR : 20 pct. van de verschuldigde belasting."
Krachtens artikel 2, 1° van het Koninklijk besluit nummer 3 d.d. 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 17 en 22 W.BTW, dit is op het ogenblik waarop de dienst voltooid is, tenzij de prijs voordien reeds geheel of gedeeltelijk werd gefactureerd of geïnd, of indien contractueel was bepaald dat de prijs geheel of gedeeltelijk op een vroeger tijdstip moest worden betaald.
Het recht op aftrek en de verplichting belasting te betalen ontstaan derhalve gelijktijdig, zodat de belastingplichtige nooit meer verschuldigd is dan het verschil tussen de belasting berekend op de eigen omzet en de aftrekbare voorbelasting. Een inbreuk op de verplichting tijdig de belasting te betalen in de zin van artikel 70, § 1 W.BTW kan derhalve enkel op dit verschil betrekking hebben. Hetzelfde geldt voor de term "verschuldigde belasting", gebruikt in tabel G, afdeling 1, V van het voormeld Koninklijk besluit nummer 41 (vgl. Brussel, 25 juni 2003, F.J.F., 2004/120).
De vordering van eiseres is bijgevolg gegrond.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
De waarde van de vordering situeert zich tussen € 20.000,01 en € 40.000.
Partijen verklaarden ter zitting het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te vorderen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,
Vernietigt de dwangbevelen van 9 januari 2006 en zegt voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van geldboeten niet verschuldigd zijn voor zover zij meer bedragen dan respectievelijk € 5.409,74 en € 7.788,20,
Veroordeelt verweerster tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van geldboeten die reeds door eiseres werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde geldboeten, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten,
Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op € 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 30 juni 2008.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer P. H., rechter
De heer M. L., rechter
De Heer J. V. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I. D. P. H. M. L. J. V. B.
1. DEVILLERS
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.