Strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 30 november 2004

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-brugge-2004-11-30-0eab

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
30 november 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

82 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 30.11.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR. nr.03/2183/A :

van

de N.V. G., met maatschappelijke zetel te …, … (voorheen met zetel te …, …, KBO - nr. … (ingeschreven in het handelsregister te Brugge

eiseres,

vertegenwoordigd door meesters R. T. en C. B., advocaten te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het Ontvangkantoor te Brugge wiens burelen gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr. 4.

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 2 november 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van17 november 1992 met verzet tegen het dwangbevel dat op 27 oktober 1992 is uitgevaardigd;

2. de conclusie voor verweerder van 15 december 1994;

3. de conclusie voor verweerder van 16 oktober 2003;

4. de conclusie voor eiseres van 2 maart 2004 en

5. de conclusie voor verweerder van 27 april 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is BTW-plichtige geregistreerd als verkoper van uurwerken, juwelen en siervoorwerpen.

Op 7 augustus 1991 heeft de Administratie van Douane en Accijnzen, in het bijzijn van een hoofdcontroleur van de BTW, toegewezen aan de B.B.I., een visitatie gedaan bij eiseres en haar gedelegeerd bestuurder. Er werden diverse documenten in beslag genomen waarvan die controleur voor de BTW inzage heeft genomen.

Op 30 januari 1992 werd aan de gedelegeerd bestuurder van eiseres een vraag om inlichtingen verstuurd.

De advocaat van eiseres liet per brief van 26 februari 1992 weten dat op die vraag om inlichtingen geen antwoord zou gegeven worden omdat zij van oordeel was dat de visitatie met machtsafwending was gebeurd, terwijl een antwoord op de vraag om inlichting die onregelmatigheid niet zou kunnen dekken.

Op 5 mei 1992 heeft de betreffende hoofdcontroleur van die feiten een proces-verbaal opgemaakt en daarin een administratieve geldboete van … frank (… euro) verschuldigd verklaard.

Gebaseerd op dat proces-verbaal heeft de BTW-ontvanger van Brugge op 19 oktober 1992 ten nadele van eiseres een dwangbevel uitgevaardigd met R.C.I.V.nr. … voor een bedrag van … frank. Het dwangbevel werd aan eiseres betekend op 30 oktober 1992.

Met een dagvaarding van 17 november 1992 stelde eiseres haar huidige vordering in.

Bij arrest van 26 juni 1997 heeft het Hof van Beroep te Gent de strafrechtelijke veroordeling van de gedelegeerd bestuurder van eiseres bevestigd, onder andere wegens het nagelaten te hebben te antwoorden op de hoger vermelde vraag om inlichtingen van 30 januari 1992. Eiseres werd burgerrechtelijk aansprakelijk verklaard voor de veroordeling tot de kosten en de geldboeten die aan haar gedelegeerd bestuurder werden opgelegd.

Een cassatieberoep tegen dat arrest werd verworpen.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank de kwijtschelding, minstens een vermindering zou verlenen van de opgelegde boete.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Vertrekkend van het arrest van het Hof van Cassatie van 25 mei 1999, maakt eiseres een analyse waaruit ze afleidt dat de opgelegde boete van … frank (… euro) een strafrechtelijk karakter heeft. Zij maakt daartoe de volgende overwegingen :

(1) De administratieve sanctie zoals door de wet voorzien, viseert alle belastingplichtigen en niet enkel een groep met een particulier statuut;

(2) De opgelegde boete is een sanctie voor het overtreden van een specifieke regel, namelijk deze opgesomd in artikel 70 W.BTW .

(3) De opgelegde boete dient niet als schadevergoeding; door niet te antwoorden op de vraag om inlichtingen werd geen schade veroorzaakt vermits zelfs bij het geven van een antwoord, een onderzoek moest worden ingesteld, wat tot het takenpakket van de fiscale administratie behoort.

(4) De boete heeft tot doel de belastingplichtigen aan te zetten tot het verlenen van hun medewerking bij het onderzoek van de BTW-administratie en hen te straffen indien ze dat niet doen; met verwijzing naar het arrest van het Arbitragehof van 21 februari 1999, stelt eiseres dat de BTW geldboete (steeds) hoofdzakelijk een repressief karakter heeft

(5) Oe opgelegde sanctie is zwaar genoeg om een strafkarakter te hebben. Volgens eiseres moet het criterium dat de sanctie 'zeer zwaar' moet zijn om aan de administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter te geven, gerelativeerd worden. Het strafrechtelijk karakter vloeit in wezen al voldoende voort uit het feit dat de sanctie werd opgelegd naar aanleiding van een overtreding.

Op basis van de vaststelling dat de opgelegde geldboete een strafrechtelijk karakter heeft, concludeert eiseres dat, nu eiseres al burgerlijk verantwoordelijk verklaard is voor de strafrechtelijke boete die haar gedelegeerd bestuurder opgelegd kreeg, er geen tweede keer een boete kan worden opgelegd. Dat 'non bis in idem-beginsel' leidt zij af uit artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 I.V.B.P.R.

In dezelfde lijn stelt eiseres dat haar geen strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd omdat in 1992 nog gold dat naar Belgisch positief recht alleen natuurlijke personen strafrechtelijk konden veroordeeld worden. Ook op grond daarvan vraagt zij kwijtschelding van de geldboete.

Zelfs wanneer de rechtbank zou van oordeel zijn dat de opgelegde boete geen strafrechtelijk karakter heeft, dan nog vraagt zij de kwijtschelding en subsidiair de vermindering van de geldboete. Zij roept daartoe in dat de rechtbank sinds de wetten van 15 en 23 maart 1999 over de volle rechtsmacht beschikken om de wettigheid, de opportuniteit en hoogte van fiscale administratieve geldboeten te oordelen.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder benadrukt dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 25 mei 1999 slechts gesteld heeft dat fiscale geldboeten een strafrechtelijk karakter kunnen hebben. Hij betwist dat hier aan de voorwaarden voldaan is om de betreffende geldboete als strafrechtelijk te beschouwen, in het bijzonder omdat de opgelegde boete niet zwaar zou zijn.

Met betrekking tot de volle rechtsmacht waarmee de rechtbank over de boete zou kunnen oordelen, stelt verweerder dat ook daartoe eerst zou moeten vastgesteld worden dat die boete een strafrechtelijk karakter heeft. Zelfs dan nog zou de rechtbank slechts de wettelijkheid van de sanctie kunnen onderzoeken. Loutere redenen van opportuniteit of billijkheid zouden niet tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboeten kunnen aanleiding geven.

Verder stelt verweerder dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft dat artikel 14 I.V.B.P.R. niet belet dat tegelijk een strafrechtelijke sanctie en aan administratieve sanctie die ook een strafrechtelijk karakter heeft, worden opgelegd.

In elk geval acht verweerder de opgelegde boete evenredig met de begane overtreding.

2.3. Beoordeling

Anders dan wat eiseres vooropstelt, is de zwaarte van de sanctie wel op zich een determinerende factor om vast te stellen of een administratieve geldboete al dan niet een strafrechtelijk karakter heeft. Immers heeft een administratieve geldboete in de regel geen zuiver strafrechtelijk karakter. In de definiëring die het Hof van Cassatie gemaakt heeft van de administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter (Cass. 25 mei 1999), ligt besloten dat die geldboete op zich - naast het essentiële doel te bestraffen en herhaling te voorkomen - beoogt een vergoeding te vormen voor de schade die aan de Administratie werd toegebracht door het begaan van de gesanctioneerde overtreding.

Het is onvermijdelijk dat de zwaarte van de boete zal determinerend zijn om, in functie van de aangebrachte schade, na te gaan of de sanctie hetzij in essentie beoogt te straffen om herhaling te vermijden, hetzij hoofdzakelijk beoogt de toegebrachte schade te compenseren. De rechtbank ziet niet in op welke manier anders kan achterhaald worden wat het wezenlijk karakter is van de concreet opgelegde administratieve boete. Het bedrag moet dan ook zo hoog zijn dat de sanctie als 'zeer zwaar' moet worden gecatalogeerd. Er kan dus niet in het algemeen gesteld worden dat een fiscale geldboete steeds in essentie een repressief karakter heeft.

In tegenstelling met wat eiseres voorhoudt, heeft het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen door eiseres wel degelijk schade veroorzaakt aan de administratie. Uiteraard zou ook ingeval eiseres op de vraag om inlichtingen zou geantwoord hebben, evenzeer een onderzoek gevoerd zijn. Toch zou in dat geval het onderzoek veel gerichter, dus economischer en sneller kunnen gevoerd zijn. De weigering om te antwoorden, heeft van verweerder dan ook bijkomende middelen gevergd. In die omstandigheden is een boete voor een bedrag van … frank (… euro) in 1992 in geen geval hoog te noemen en zal het bedrag nauwelijks of niet volstaan hebben om de door de overtreding van eiseres ontstane schade te vergoeden. Meteen staat vast dat de aan eiseres opgelegde administratieve boete niet essentieel tot doel had te bestraffen.

In die omstandigheden beroept eiseres zich dan ook ten onrechte op het non bis in idem-beginsel zoals door haar afgeleid uit artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 I.V.B.P.R.

Om dezelfde reden kan er geen schending zijn van de toen geldende regel dat een vennootschap niet strafrechtelijk kon worden veroordeeld.

De rechtbank heeft wel de mogelijkheid om met volle rechtsmacht de wettigheid, opportuniteit en de hoogte van een fiscale boete te toetsen, zelfs als ze geen strafrechterlijk karakter heeft (Gedr.St. van de Senaat, zitting 1998-1999, nr. 966/11, p. 213, waar het amendement nr. 10, dat de verduidelijking voorzag om aan de rechtbanken de bevoegdheid te geven omtrent de opportuniteit van een fiscale administratieve sanctie te oordelen, werd ingetrokken, nadat de Minister gesteld had dat deze bevoegdheid reeds besloten was in de omschrijving 'geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet' waardoor de toevoeging overbodig werd geacht).

In de concrete omstandigheden van het geval, is de rechtbank evenwel van oordeel dat er geen enkele reden bestaat om de opgelegde boete te verminderen. In de lijn van wat hoger al werd aangegeven, heeft de weigering van eiseres om te antwoorden op de vraag om inlichtingen bijkomende kosten voor de Administratie veroorzaakt. De omvang van die bijkomende kosten zal in 1991-1992 minstens het bedrag van … frank (nu … euro) hebben bereikt.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : … euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op dertig november tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.