Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 01.03.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 5be kamer – terechtzitting van 01-03-2005
BELASTINGEN
Nr. 2002/AR/1571
in de zaak van :
B. D. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent, onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. F. A. loco mr. M. M., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 2, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 9000 GENT, Martelaarslaan 23,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. M., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19 februari 2001 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent, teneinde de geïntimeerde "... zich te zien en horen zeggen voor recht dat de administratieve geldboeten die de gedaagde (d.i. de geïntimeerde) in de periode 1998-2000 aan verzoekster (d.i. de appellante) heeft opgelegd wegens laattijdige vereffening van de verschuldigde BTW rechtens nietig zijn“ en ”gedaagde (d.i. de geïntimeerde) zich te zien en te horen veroordelen om aan verzoekster (d.i. de appellante) te betalen de som van … BEF (thans … EUR) meer de intresten en de kosten, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … BEF (thans … EUR)".
Bij vonnis van 18.4.2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 9.7.2002 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De appellante vordert dat het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan. Bij uitbreiding van vordering voegt de appellante aan haar oorspronkelijke vordering een bedrag van … BEF (thans … EUR) toe, boete die zij stelt te hebben betaald voor de periode 30.11.2000 tot 28.2.2001. De appellante vordert thans dat zou gezegd worden voor recht dat de opgelegde sancties nietig zijn, tevens de geïntimeerde zou worden veroordeeld om aan de appellante te betalen de som van … BEF (thans … EUR), meer de kosten.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de eisen van de appellante.
2. Volgens het feitenrelaas van de appellante liggen volgende feiten aan de basis van haar vordering :
• de appellante is sinds 1992 als vennootschap actief in de transportsector, met als specialisatie de distributie van geneesmiddelen en als dusdanig als BTW- plichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE …;
• zij kreeg in het begin van 1998 te maken met ernstige doch tijdelijke liquiditeitsproblemen die het gevolg waren van de vaste prijsafspraken die zij met haar klanten had afgesloten en de plotse stijging van variabele kosten (o.m. brandstof) waarmee de transportsector te kampen kreeg;
• zij kon door de vaste prijsafspraken geen prijsaanpassing doorvoeren en kreeg aldus hierdoor te kampen met financiële tekorten; toen daaropvolgend de banken weigerden een uitbreiding van de kredieten toe te staan kwam zij in financiële moeilijkheden; deze moeilijkheden hadden eveneens tot gevolg dat zij sinds begin 1998 haar BTW-verplichtingen niet meer kon nakomen;
• de appellante was aldus niet bij machte om de BTW verschuldigd voor het eerste kwartaal van 1998 te voldoen, terwijl de geïntimeerde hierop op grond van de bepalingen van artikel 70 BTW-wetboek haar een administratieve boete oplegde van 10 % van de verschuldigde BTW;
• teneinde die achterstal zo snel als mogelijk te regulariseren heeft zij hierop de BTW-tegoeden die zij had ontvangen in het tweede kwartaal van 1998 niet aangewend om de BTW van het tweede kwartaal te betalen maar wel ter voldoening van de achterstal van het eerste kwartaal van 1998;
• aldus ontstond hierdoor een nieuwe achterstal voor het tweede kwartaal van 1998 en werd door de geïntimeerde opnieuw een administratieve boete opgelegd van 10 % van de verschuldigde BTW;
• de appellante bleef opnieuw dezelfde werkwijze hanteren en met de BTW-tegoeden van het derde kwartaal van 1998 werden de achterstallen van het tweede kwartaal van 1998 betaald; de appellante zet uiteen dat zij gedurende meer dan twee jaar dezelfde werkwijze bleef aanhouden en aldus steeds de oudste schuld eerst wou vereffend zien, en dat aldus steevast met de ontvangen BTW gedurende een kwartaal de BTW verschuldigd voor een vorig kwartaal werd vereffend;
• in de praktijk betekende dit dat appellante door deze werkwijze te hanteren steeds achterop liep op de feiten en steeds bedacht werd met een administratieve boete van 10 % van de verschuldigde BTW;
• aldus heeft zij in de periode 1998-2000 aan de geïntimeerde een totaal bedrag van … BEF (… EUR) aan fiscale geldboeten betaald; tevens werd aan appellante door geïntimeerde opnieuw, ditmaal voor de periode 30.11.2000 tot 28.02.2001, een boete opgelegd van … BEF (… EUR), zodat het totaal aan opgelegde boetes op … BEF (… EUR) is komen te liggen;
• ondertussen hebben de ambtenaren van geïntimeerde uiteindelijk aan appellante duidelijk gemaakt dat zij er beter aan deed de BTW tijdig te betalen en voor de nog openstaande kwartalen een afbetalingsregeling voor te stellen zodat de appellante aldus de stelselmatige boeten zou vermijden;
• de appellante houdt voor dat zij aldus de indruk kreeg dat zij bij de neus werd genomen door geïntimeerde omwille van het feit dat de ambtenaren van de geïntimeerde haar pas na twee jaar uiteindelijk de nodige informatie hebben bezorgd, dat de appellante van mening was dat het beter was eerst de oudste schuld te vereffenen zodat het achterstal zo klein mogelijk bleef, wat naar BTW-normen een slechte strategie bleek te zijn;
• daarom besliste zij de terugbetaling te vorderen van de vereffende BTW-boetes en richtte zij op 22 februari 2000 een verzoek tot kwijtschelding en terugbetaling van de geldboeten aan geïntimeerde, verzoek dat evenwel werd geweigerd bij beslissing van 13 juni 2000.
De appellante is van oordeel dat de geïntimeerde bij het opleggen van de boete zowel de beginselen van behoorlijk bestuur schond als de artikelen 6, 7 EVRM en 14 BUPO-verdrag, als artikel 2 Strafwetboek.
3. De appellante meent dat de geïntimeerde zijn zorgvuldigheidsverplichting en zijn informatieverplichting heeft miskend. Meer bepaald doordat de geïntimeerde pas nadat de appellante gedurende meer dan twee jaar bleef handelen op de uiteengezette wijze, dat de geïntimeerde heeft gewezen op het feit dat zij de administratieve boeten kon vermijden door de verschuldigde BTW voor het lopende kwartaal te betalen en een afbetalingsregeling voor de achterstallen te bedingen.
Van de bestuurders van een naamloze vennootschap die deelneemt aan het handelsverkeer, zoals de appellante, mag verwacht worden dat zij weten dat inbreuk op fiscale verplichtingen tot gevolg kan hebben dat een fiscale boete wordt opgelegd. Evenzeer dienen zij te weten dat bij herhaling van deze inbreuk telkens een boete kan worden opgelegd (en dergelijke boete zelfs dikwijls in omvang zal stijgen naarmate de inbreuk herhaald wordt).
In het door de appellante toegepaste en hoger aangehaalde systeem van betaling van achterstallen, was het ontstaan van de schuld die thans betwist wordt derhalve voor de appellante te verwachten en kan zij niet voorhouden misleid te zijn geweest. De appellante was in staat om, wanneer zij achterstallige BTW-schulden voldeed, met kennis van zaken een verantwoorde beleidsbeslissing te nemen en te beslissen welke schuld zij eerst wou voldoen. Hierbij kon zij de voor- en de nadelen van het door haar gekozen betalingssysteem en het risico van het opgelegd krijgen van boeten inschatten.
Enige tekortkoming aan de beginselen van behoorlijk bestuur in hoofde van de geïntimeerde kan in dit verband niet worden ontwaard. Niets legt aan de geïntimeerde op om, wanneer zoals te dezen de appellante manifest moet beschikken over de nuttige informatie om haar beleidsbeslissing te nemen, zich in dit beleid te mengen.
4. De appellante voert aan dat de geïntimeerde bij het opleggen van de bestreden boetes het beginsel "nullum crimen, nulla poena sine lege" zoals vervat in artikel 7 EVRM heeft miskend.
Volgens de appellante zijn de sancties vervat in artikel 70 BTW-wetboek strafrechtelijk van aard en kan zij zich op de strafrechtelijke rechtsbescherming van het EVRM beroepen. In het bijzonder beroept de appellante zich op artikel 7 EVRM dat (althans in artikel 7.1) stelt dat niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, en tevens bepaalt dat evenmin een zwaardere straf zal worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing is.
De appellante haalt aan dat de ten laste gelegde feiten dateren van de periode 1998-1999, dit terwijl de Wet tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen pas op 4 mei 1999 werd gestemd in het parlement. Aangezien deze wet pas op 22 juni 1999 in het Belgisch Staatsblad is verschenen betekent dit dat rechtspersonen pas sinds 2 juli 1999 strafbaar kunnen worden gesteld, aldus de appellante.
Uit deze vaststellingen moet volgens de appellante worden afgeleid dat zij, handelsvennootschap zijnde, niet kon worden gestraft door de administratie voor de overtredingen begaan in de periode 01.01.1998 - 02.07.1999.
Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel en de non retroactiviteit van de strafwet verzetten zich tegen het feit dat een persoon zou worden gestraft voor vermeende feiten die zich hebben voorgedaan in een tijdspanne waarvoor nog geen wettelijk strafrechtelijk kader voorhanden was, aldus de appellante.
De appellante kan in die stelling niet gevolgd worden.
Artikel 70 BTW-wetboek voorzag reeds ten tijde van de door de appellante begane inbreuken in het opleggen van een geldboete voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen. Deze bepaling voorziet niet in een uitzondering voor de rechtspersonen die aan deze verplichting niet voldeden, zodat krachtens artikel 70 BTW-wetboek aan de appellante als rechtspersoon evenzeer een geldboete kan worden opgelegd. De wet van 4.5.1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen heeft hieraan geen wijzigingen gebracht. Noch de artikelen 6 en 7 EVRM (Verdrag van 4.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) noch artikel 14 BUPO (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten) noch artikel 2 Strafwetboek (onder voorbehoud van de toepasselijkheid van deze bepaling) werden geschonden.
De opgelegde boeten zijn bovendien in redelijkheid verantwoord.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.
Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, als volgt begroot :
• aan de zijde van de appellante : op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op EEN MAART TWEEDUIZEND EN VIJF.
Aanwezig de Heren :
G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,
M. V., griffier.
M. V. G. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.