Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 27 september 2010

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-bewijs-controlemaatregel-rechtbank-gent-2010-09-27-51c9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
27 september 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

89 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 27.09.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 SEPTEMBER 2010

Rolnummer 08/356/A

In de zaak van :

NV J. L., met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …,

eiseres

voor wie optreedt mr. L. V., advocaat te …, …,

tegen :

BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde. St. Rochusstraat 63 en de Administratie van de Invordering, sector BTW. in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst. Graanmarkt 1,

verweerder,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 28 juni 2010 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidend verzoekschrift op tegenspraak van 29 januari 2008 en de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

2. DE VORDERING

Eiseres verhaalt zich tegen het haar bij deurwaardersexploot van 17 december 2007 door verweerder betekende dwangbevel, op grond van bijgevoegd proces-verbaal van 5 december 2007, tot betaling van de som van … EUR als belasting over de toegevoegde waarde, de som van … EUR als geldboete op grond van artikel 70, § 2 van het BTW-wetboek en de som van … EUR als verlopen interesten op grond van artikel 91, § 1 van het BTW-wetboek.

Eiseres vordert de rechtbank in het bijzonder het bedoelde dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboete en interesten niet verschuldigd zijn.

Verder vordert zij de rechtbank verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die reeds werden betaald of ingehouden ter delging van de beweerde schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten.

Tot slot vordert eiseres de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding. met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiseres, een zustervennootschap van de NV M. G., gevestigd op hetzelfde maatschappelijke adres en met eenzelfde activiteit, voert een handel in lederwaren en relatiegeschenken.

Voor de verdeling van haar producten in Wallonië en Frankrijk sloot de NV M. G. een schriftelijke commissieovereenkomst met de genaamde P. W.. Deze laatste zou conform de hierin bepaalde afspraken tevens hebben samengewerkt met eiseres. doch zonder dat daartoe een afzonderlijke overeenkomst werd ondertekend.

Nog volgens eiseres zou P. W. aanvankelijk zijn diensten hebben gefactureerd onder de handelsbenaming "P&W A.". Later zou betrokkene een arbeidsovereenkomst hebben afgesloten met de firma P., waarvan de activiteiten vervolgens zouden zijn overgenomen door de firma G. CO. Sinds hij bij deze vennootschappen in dienst was. zou de facturatie via deze entiteiten zijn verlopen.

Naar aanleiding van de inzage in het strafdossier lastens J.-M. S. (zaakvoerder van P. en G. CO) wegens uitreiking van valse facturen, voerde verweerder op 7 november 2006 een controle uit op de maatschappelijke zetel van eiseres met als voorwerp de naleving van de BTW-reglementering voor de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2005. De controle werd later verder gezet op 23 november 2006 en 25 april 2007.

Bij brief van 23 oktober 2007 vroeg de raadsman van eiseres om inzage in het strafdossier lastens de heer S., minstens de mededeling van de bevoegde rechtbank en het notitienummer. In dit schrijven werd tevens voorgehouden dat de door P. W. uitgeschreven facturen aan effectief verrichte prestaties beantwoorden en dus in geen geval deel uitmaakten van het circuit van fictieve facturen dat blijkens het bedoelde strafdossier zou bestaan binnen de firma’s P. en G. CO.

De coördinaten van het strafdossier werden daarop aan de raadsman van eiseres meegedeeld bij brief van 29 oktober 2007.

De raadsman van eiseres schreef vervolgens bij brief van 31 oktober 2007 rechtstreeks de procureur-generaal te Luik aan. met verzoek inzage in het dossier te verlenen.

Omdat dit verzoek per 7 december 2007 nog niet werd ingewilligd. richtte de raadsman van eiseres zich toen andermaal tot verweerder.

Verweerder liet vervolgens bij e-mailbericht van 11 december 2007 weten dat eiseres laten zou worden uitgenodigd om inzage te nemen van de stukken. Een formele uitnodiging volgde bij aangetekende brief van 20 februari 2008.

Een medewerker van de raadsman van eiseres bood zich vervolgens op 28 februari 2002 aan bij verweerder om het dossier in te zien en kopie te nemen van de stukken waarover hij nog niet beschikte. De raadsman van eiseres bleek voordien immers reeds rechtstreeks inzage te hebben kunnen nemen van het strafdossier.

De controle mondde finaal uit in de betekening van een dwangbevel lastens eiseres bij deurwaardersexploot van 17 december 2007, op grond van bijgevoegd proces-verbaal van 5 december 2007, tot betaling van de som van … EUR als belasting over de toegevoegde waarde, de som van … EUR als geldboete op grond van artikel 70, § 2 van het BTW-wetboek en de som van … EUR als verlopen interesten op grond van artikel 91, § 1 van het BTW-wetboek.

Op 29 januari 2008 heeft eiseres vervolgens huidig inleidend verzoekschrift ingediend waarbij het geschil aan de rechtbank werd voorgelegd.

4. BEOORDELING

4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiseres ontvankelijk.

4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak

- Voor wat betreft de tussenkomst van een territoriaal onbevoegde administratie

4.2.1. Eiseres benadrukt dat haar maatschappelijke zetel voor 11 augustus 2003 gevestigd was te …, gemeente waarvoor het controlecentrum van Dendermonde territoriaal onbevoegd zou zijn. De controle uitgevoerd voor 11 augustus 2003 diende in de visie van eiseres dus te worden verricht door het controlecentrum Halle.

Eiseres vervolgt dat de navordering, voor zover gebaseerd op controle verricht in de periode van 1 januari 2000 tot 11 augustus 2003. moet worden vernietigd.

4.2.2. Verweerder vestigt van zijn kant de aandacht op de tekst van artikel 61, § 1 W.BTW, waarin de wetgever zelf voorziet dat de controleagent zich ter plaatse bij de belastingplichtige moet begeven om inzage te nemen in de boeken en stukken. Bijgevolg zou de vestigingsplaats op het ogenblik van de controle bepalend zijn, welke zich in dit geval situeert te Lebbeke.

4.2.3. Conform de beslissing betreffende de territoriale bevoegdheid van sommige diensten van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit dd. 31 oktober 2007 (BS 24 december 2007) is het controlecentrum van Halle territoriaal bevoegd voor de gemeente Dilbeek, terwijl het controlecentrum van Dendermonde bevoegd is voor de gemeente Lebbeke.

De maatschappelijke zetel van eiseres werd op 11 augustus 2003 overgebracht van Dilbeek naar Lebbeke.

De controle op de maatschappelijke zetel van eiseres vond plaats op respectievelijk 7 november 2006, 23 november 2006 en 25 april 2007.

Artikel 61, § 1 W.BTW bepaalt dat eenieder gehouden is de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Met de uitdrukking 'zonder verplaatsing' in art. 61, par. 1 W.BTW beoogt de wetgever het overleggen van boeken en stukken bij de belastingplichtige zonder dat de fiscale ambtenaren zouden genoodzaakt zijn, om voorlegging van de boeken en stukken te bekomen, zich te begeven op alle plaatsen - andere dan de woonplaats van de belanghebbende of de hoofdzetel van de vereniging - waar de belastingplichtige ze, naar eigen willekeur in bewaring heeft gegeven (Luik 7 oktober 1993, BTW-Revue 1996 (weergave), 131; JLMB 1994, 529, noot AFSCHRIFT, T).

Nu eiseres bij de uitvoering van de controle haar maatschappelijke zetel binnen het ambtsgebied van het controlecentrum Dendermonde had, tevens de plaats waar zij verplicht haar boeken diende te bewaren, moet worden besloten dat dit centrum over de vereiste territoriale bevoegdheid beschikte.

Het feit op zich dat de controle deels handelingen viseerde die de verplaatsing van de maatschappelijke zetel in de tijd voorafgingen, doet hieraan geen afbreuk. Geen enkele wetsbepaling verplicht de administratie ertoe haar onderzoek op die manier te "fragmentariseren", in functie van de periode waarbinnen de betreden inbreuk zou zijn begaan. Los van de afwezigheid van enige wettelijke grondslag daartoe is dergelijke werkwijze ook nodeloos ingewikkeld, tijdrovend en vanuit kostenbesparende overwegingen totaal onverantwoord.

- Voor wat betreft de verjaring van de BTW ingevorderd voor de jaren 2000-2003

4.2.4. In de visie van eiseres kon geen rechtsgeldige toepassing worden gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn (artikel 81bis, § 1, 3e lid W.BTW). noch van de vijfjarige verjaringstermijn ingeval van een overtreding begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Zodra de administratie onderzoeksdaden stelt zou de uitzonderlijke verjaringstermijn van 7 jaar alvast niet meer kunnen worden toegepast. Precies omdat het om een uitzonderlijke termijn gaat, moet men volgens eiseres uitgaan van een restrictieve interpretatie van de bedoelde bepaling. Bijgevolg kan de administratie zich hier enkel op beroepen voor zover een rechtsvordering aantoont of bewijskrachtige gegevens aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast, aldus eiseres. Het feit op zich dat verweerder het nodig heeft geacht om nog bijkomende controle uit te voeren. weerlegt volgens eiseres dat dit het geval zou zijn.

Aan de 7-jarige verjaringstermijn is naar het oordeel van eiseres bovendien geen onderzoekstermijn gekoppeld.

Volledigheidshalve stelt eiseres dat ook de vijfjarige verjaringstermijn geen toepassing vinden, bij gebrek aan een voorafgaande, schriftelijke en nauwkeurige kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking. Verweerder zou verder geen enkel bewijs leveren dat eiseres handelde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

4.2.5. Verweerder stelt hier tegenover dat de verjaringstermijn van zeven jaar van rechtswege van toepassing is wanneer uit bewijskrachtige gegevens blijkt dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast. De strafrechtelijke veroordeling van de heer S. bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen bij vonnis van 26 april 2006 zou daartoe ruimschoots volstaan.

Anders dan het geval is inzake directe belastingen, wordt inzake BTW geen onderzoekstermijn vastgesteld, aldus eiseres. Verweerder meent dat haar ambtenaren dus ten allen tijde inzage mogen nemen van de boeken, facturen en andere stukken die hen toelaten de juiste heffing van de belastingen na te gaan. De door eiseres aangehaalde rechtspraak in het kader van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 kan bijgevolg niet mutatis mutandis worden toegepast, aldus verweerder. Van een beweerd misbruik van de zevenjarige termijn kan naar het oordeel van verweerder dus geen sprake zijn.

Op grond van een uitvoerige schets van de procedure van aangifte van BTW betoogt verweerder tevens dat een verificatie een conditio sine qua non is om een navordering inzake BTW mogelijk te maken. Indien men artikel 81bis, § 1, lid 3 W.BTW in die zin interpreteert dat een controle niet langer mogelijk is, meent verweerder dat zulks een aantasting van de bewijsvoering inhoudt, waarvoor geen wettelijke grondslag voorhanden is.

De opmerkingen inzake de vijfjarige verjaringstermijn doen volgens verweerder niet ter zake nu in dit geval uitsluitend toepassing werd gemaakt van artikel 81bis, § 1, 3e lid W.BTW.

4.2.6. Verweerder is formeel dat ten aanzien van eiseres toepassing werd gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn, voorzien in artikel 81bis, § 1, 3e lid W.BTW. Een onderzoek van de vijfjarige verjaringstermijn is niet aan de orde, zodat de rechtbank zich beperkt tot het onderzoek naar de toepassing van artikel 81bis, § 1, 3e lid W.BTW.

Conform dit artikel is de verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten pas verkregen na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

Zoals eiseres terecht opmerkt, is deze aanslagtermijn van zeven jaar vergelijkbaar met de termijn die, wat de inkomstenbelastingen betreft, voorzien is in artikel 358, § 1, 4° WIB 1992. Het was trouwens de bedoeling van de wetswijziging om de verjaringstermijnen inzake BTW af te stemmen op deze die van toepassing zijn voor de directe belastingen.

De verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, derde lid W.BTW verleent aan de administratie slechts de mogelijkheid om de belasting te vestigen. Het is de administratie als dusdanig dan ook niet toegelaten om gedurende deze uitzonderlijke verjaringstermijn onderzoekshandelingen te stellen (M. MAUS, De Fiscale Controle, Die Keure, 2005, nr. 1067). De toepassing van artikel 81bis, § 1, lid 3, 3° W.BTW veronderstelt immers het bestaan van bewijskrachtige gegevens, waarvan de BTW-administratie kennis heeft gekregen, hetgeen inhoudt dat deze informatie, desgevallend ná deze in verband te hebben gebracht met andere gegevens waarover de BTW-administratie reeds beschikte, zonder enige vorm van aanvullend onderzoek aantoont welke belastbare handelingen niet werden aangegeven of nog, welke onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.

Hierbij dient trouwens te worden opgemerkt dat artikel 81bis W.BTW werd ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en tijdens de bespreking van dit wetsontwerp door de vertegenwoordiger van de minister uitdrukkelijk werd gesteld dat "de onderzoeksbevoegdheid niet voor zeven jaar geldt doch uitsluitend voor vijf” (ParI. St. Senaat, 1998-99, 1-966/11, 40).

De rechtbank deelt de zienswijze niet dat het uitsluiten van verder onderzoek het artikel 81bis uitholt tot een "lege doos", die elke navordering de facto onmogelijk maakt. De wetgever heeft deze bepaling precies ingebouwd voor deze gevallen waarin de beschikbare gegevens geen verder onderzoek behoeven; het wegvallen van de onderzoeksbevoegdheid kan in dergelijk scenario dus niet als een handicap kan worden ervaren.

4.2.7. Verweerder betwist niet dat het lastens eiseres opgestelde proces-verbaal en bijhorend dwangbevel het resultaat zijn van een op drie afzonderlijke tijdstippen uitgevoerde controle op de maatschappelijke zetel van eiseres, bedoeld om de gegevens verkregen uit de inzage van het strafdossier te toetsen aan de boeken van eiseres.

Verweerder heeft aldus haar onderzoeksbevoegdheid aangewend ten aanzien van eiseres, hoewel de toegepaste verjaringstermijn hem niet toelaat dergelijke onderzoeksdaden te verrichten.

Het staat vast dat de gegevens van het strafdossier lastens de heer S. op zich niet kunnen volstaan als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 81bis, § 1, lid 3, 3° W.BTW, aangezien verweerder - ná hiervan kennis te hebben gekregen - bijkomend onderzoek noodzakelijk achtte om aan te tonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven.

Derhalve zijn de op 7 en 23 november 2006 en de op 25 april 2007 verrichte controles nietig, evenals de correctieopgave die er het gevolg van is. De navordering, waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in de jaren 2000-2003 was ruim verjaard in 2007, een situatie welke verweerder niet kan remediëren door zich te beroepen op artikel 81bis, § 1, 3° W.BTW.

Eiseres heeft tevens recht op terugbetaling van alle sommen die werden betaald of ingehouden tot voldoening van het bedrag dat ingevolge de nietige controle bij dwangbevel werd opgeëist.

Krachtens artikel 91, § 4 W.BTW zijn moratoire interesten over in te vorderen of terug te geven sommen die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.

- Voor wat betreft de kosten van het geding

4.2.8. Verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij. in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de belasting, voorwerp van het bestreden dwangbevel en de vordering van eiseres tot vernietiging hiervan, in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg … EUR.

Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Verklaart het bij deurwaardersexploot van 17 december 2007 door verweerder aan eiseres betekende dwangbevel, op grond van bijgevoegd proces-verbaal van 5 december 2007, tot betaling van de som van … EUR als belasting over de toegevoegde waarde, de som van … EUR als geldboete op grond van artikel 70, § 2 W.BTW en de som van … EUR als verlopen interesten op grond van artikel 91, § 1 W.BTW. nietig.

Beveelt dienvolgens de terugbetaling door verweerder aan eiseres van de op basis van bovenvermeld bevel ingehouden of gevorderde bedragen, te vermeerderen met de moratoire interesten, conform artikel 91, § 4 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van eiseres : de basisrechtsplegingsvergoeding : … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op zevenentwintig september tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :

mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. D. C.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 912 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8