Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 19.02.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 00/287/A Rep.nr.2001/2123
de BVBA U., (H.R. Oostende nr. …), uitbaatster van verschillende vestigingen van grootwarenhuizen, met zetel te …, ….
eiseres,
voor wie optreedt Meester J. S., advocaat te …
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :
a) de heer e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren te 8800 ROESELARE, Ronde Komstraat 30,
b) de heer e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te TORHOUT 2, met kantoren te 8820 TORHOUT, Burg 28.
c) de heer Directeur van het AOlF-controlecentrum BRUGGE, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerders, hierna genoemd “verweerder”
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat te …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaardingen houdende verzet de dato 14, 21 en 25 januari 2000.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 29 januari 2001.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge de activiteit van uitbating van verschillende grootwarenhuizen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 6 oktober 1998 werd door een ambtenaar van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, en een ambtenaar van de administratie der directe belastingen een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 maart 1995 tot 28 februari 1997.
Op 16 november. 1999 werd door voornoemde ambtenaren een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 13 januari 2000 betaalde eiseres het volledig verschuldigde bedrag.
2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond wordt verklaard. Dienvolgens vordert zij dat de terugbetaling wordt bevolen van de door eiseres in uitvoering van het haar per 25 november 1999 ter kennis gebracht betalingsbericht, per 10 januari 2000 ten onrechte betaalde rechten, boeten en intresten, in totaal … BF, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente vanaf heden. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … BF en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op … BF rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de herziening van de aftrek
3.1.1. Uit het proces-verbaal de dato 16 november 1999 blijkt dat de fiscale raadgever van eiseres, ter gelegenheid van het toezicht aan de ambtenaren heeft verklaard dat de kwestieuze vestiging op 31 december 1996 werd gesloten en dat het de bedoeling was om dit gebouw hetzij te verhuren, hetzij te verkopen.
Dit wordt bevestigd door de uitvoerige briefwisseling (zie pagina 5 van het procesverbaal de dato 16.11.1999 - stuk 13 van verweerder) die aan verweerder werd voorgelegd. Uit deze briefwisseling blijkt duidelijk dat reeds vanaf begin 1996 gepoogd werd het verlieslatend filiaal te Kortrijk over te laten doch dat deze poging tot overname eind november 1996 definitief spaak liep en dat het vanaf dat ogenblik vaststond dat het de bedoeling was om het gebouw, na de sluiting van de winkel, hetzij te verhuren, hetzij te verkopen.
De GIB-group heeft bij schrijven de dato 30 november 1998 aan verweerder gemeld dat de winkel op 30 november 1996 effectief werd gesloten.
Verder staat in het proces-verbaal van de algemene vergadering van 27 juni 1996 het volgende geacteerd: "Gezien ook het laatste boekjaar met een belangrijk verlies werd afgesloten stellen wij voor om de activiteit in de vestiging te Kortrijk definitief stop te zetten en dit ten laatste op 31 december 1996. Wij zullen pogen om een overnemer voor het actief te vinden. Gezien de algemene malaise in de distributie zal dit echter niet gemakkelijk zijn. Indien wij geen overnemer vinden, vragen wij uw akkoord om tot sluiting van de vestiging over te gaan". Dit voorstel werd door de algemene vergadering, bij eenparigheid van stemmen aanvaard.
Pas nadat verweerder de fiscale gevolgen van de genomen beslissingen ter kennis van eiseres heeft gebracht, heeft eiseres bij schrijven van 21 oktober 1999 beweerd date, uitgekeken werd naar een uitbating door de BVBA U. van een nieuwe handelsactiviteit in het pand. De rechtbank stelt vast dat deze bewering ten tijde van de controle nooit word geuit, dat niet gestaafd wordt met bewijskrachtige stukken en dat zij duidelijk wordt tegengesproken door de hiervoor beschreven vaststellingen en ingewonnen inlichtingen.
Volgens verweerder blijkt uit de bovenstaande vaststellingen dat door eiseres, voorafgaand aan de sluiting van de winkel, diverse ernstige pogingen tot overname (hetzij met verhuur of verkoop van het pand) gedaan zijn, waardoor bij de sluiting van de winkel de bestemming van het gebouw, namelijk voor handelingen die geen recht op aftrek verlenen, vaststond. In die omstandigheden had de oorspronkelijk uitgeoefende aftrek zijn bestaansreden verloren op 30 november 1996. Het tijdstip waarop de oorzaak van de herziening van de oorspronkelijk verrichte aftrek zich voorgedaan heeft dient volgens verweerder te worden bepaald op 30 november 1996.
3.1.2. Eiseres stelt dat krachtens artikel 10, eerste lid, 1° van het KB nr. 3 enkel het objectief, duidelijk aanwijsbaar gebruik voor handelingen die geen recht op aftrek verlenen, een herziening van de eertijds verrichte aftrek van voorbelasting met zich mee kan brengen. Het recht van aftrek van voorbelasting gaat bijgevolg niet verloren van zodra een belastingplichtige een niet belastbare handeling overweegt of wanneer het opstarten van andere belastbare activiteiten geenszins uitgesloten is. De aftrek van voorbelasting moet volgens eiseres worden behouden zolang goederen of diensten niet expliciet voor een niet-belastbare handeling worden gebruikt.
Volgens eiseres maakt enkel do effectieve verhuur van het onroerend goed met ingang van 1 november 1998 een effectief, objectief aanwijsbaar gebruik uit voor een handeling die geen recht op aftrek verleent.
3.1.3. Verweerder stelt daarentegen dat volgens de rechtspraak het recht op aftrek onlosmakelijk verbonden is aan de bestemming en dat bij de toekenning van de hoedanigheid van belastingplichtige, met het daarmede gepaard gaande recht op aftrek van voorbelasting, geen andere criteria kunnen gehanteerd worden dan bij de herziening van de uitgeoefende aftrek.
3.1.4. In casu blijkt de bestemmingswijziging duidelijk uit de gevoerde briefwisseling met betrekking tot de verhuur en uit de besluiten van de algemene vergadering over de bestemming van het gebouw. Deze onbetwistbare bestemmingswijziging die gepaard ging met de effectieve sluiting van de winkel vormen een ernstige wijziging van de aanvankelijke omstandigheden die de aftrek van de belasting hebben toegelaten.
Het is duidelijk dat de oorspronkelijke aftrek hierdoor haar bestaansreden had verloren.
Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 13 februari 1986 geoordeeld dat artikel 10, eerste lid, 1° van het KB nr. 3 (oud) moet geïnterpreteerd worden in functie van het geheel van de wettelijke bepalingen die het mechanisme van de BTW, beheersen en moet samengelezen worden met de tekst van de artikelen 1, § 2, 5 en 8 van hetzelfde KB. Hieruit blijkt, volgens het Hof, de wil van de wetgever om de herziening te verbinden aan de wijziging van de oorspronkelijke situatie die de aftrek toeliet in die zin dat deze herziening zich opdringt telkens wanneer de aanvankelijk verrichte aftrek zonder bestaansreden is geworden door dergelijke wijziging.
Verweerder heeft dan ook terecht de datum van effectieve sluiting van de vestiging als oorzaak van herziening in aanmerking genomen.
3.2. nopens de wijziging van de activiteit
3.2.1. Artikel 2 van het KB nr. 10 de dato 29 december 1992 stelt het volgende : "Elke belastingplichtige, gehouden tot het indienen van de in artikel 1 bedoelde aangifte, die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel verplaatst, die een wijziging aanbrengt in de benaming of de juridische vorm waaronder hij zijn economische activiteit uitoefent, die een administratieve zetel, een bedrijfszetel of een bedrijfsinrichting opricht, verplaatst of afschaft, die zijn economische activiteit geheel of gedeeltelijk wijzigt, moet daarvan binnen vijftien dagen aangifte doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert".
3.2.2. De rechtbank stelt vast dat de winkel op 30 november 1996 effectief werd gesloten. Het is bijgevolg duidelijk dat de economische activiteit van eiseres hierdoor gedeeltelijk is gewijzigd. Overeenkomstig artikel 2 diende zij binnen de 15 dagen daarvan aangifte te doen.
3.2.3. Aangezien eiseres zich niet gehouden heeft aan voormelde verplichting, werd de verminderde administratieve boete van … BF dan ook terecht opgelegd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … BF, uit hoofde van de rechtsplegingsvergoeding.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op negentien februari tweeduizend en één.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N .L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.