Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 30 mei 2011 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 30 mei 2011

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 30 mei 2011Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2011-05-30-3a11

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
30 mei 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

48 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 30.05.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op dertig mei tweeduizend en elf in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :

L. B., rechter,

N. V., griffier,

Inzake AR nr. 10/1840/A

BVBA C., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester K.-W. A., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, in de persoon van de heer rekenplichtige van het Ontvangkantoor te Turnhout, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

verwerende partij,

verschijnende bij meester F. G. A. D. R., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 maart 2010,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 26 mei 2010,

- de conclusies en stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/91 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 mei 2011.


Eiseres stond voor de BTW geregistreerd voor activiteit van adviesbureau voor bedrijfsbeheer en adviesbureau voor bedrijfsvoering, als hoofdactiviteit.

Een bevoegd ambtenaar deed in juli 2008 BTW-controle de periode van 1 januari 2005 tot (en met) 30 september 2008.

Als uitgaande handelingen werden vastgesteld : gebruik voertuig DAF in november-december 2004 en nog eens in het eerste kwartaal 2005, verder verkoop ervan.

De aftrek van BTW werd velworpen bij gebrek aan (werkelijke) "exploitatie om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen", bij te dezen de vermelde twee keer ter beschikking stelling.

De navordering behelst rechten, tot 10 % (aldus 1/20) herleide boete, intrest op de rechten met ingang van 21 oktober 2008.

Bij blijvende onenigheid werd op 4 december 2008 proces-verbaal opgesteld.

Ontvanger BTW Turnhout vaardigde op 11 december 2008 dwangbevel uit.

Afschrift van het proces-verbaal is ook nog aan het dwangbevel gehecht.

Het dwangbevel vordert ook intrest op de boete en vervolgingkosten.

Het werd op 11 december 2008 uitvoerbaar verklaard en ter kennis gegeven met aangetekende brief van 15 december 2008.

Raadsman voor eiseres legde, op 15 maart 2010, ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neer in betwisting van de fiscale navordering.

Afschrift van het dwangbevel met bijlage is aan het geding inleidend verzoekschrift gehecht.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Verhuring en verkoop van het voertuig DAF passen niet als nevenactiviteit in de activiteit van eiseres die enkel economische (vrijgestelde) activiteit van beheer van een financieel vermogen voerde.

Dezelfde verhuring en verkoop was geenszins een duurzame economische activiteit.

Uit niets blijkt overigens dat ze gericht was op een der handelingen van art. 45 Wetboek BTW.

Er is per slotsom te dezen geen recht op aftrek ontstaan.

Partijen namen ongelijk standpunt in ter zake de rechtsplegingvergoeding.

Ze wordt hoe dan ook wettelijk berekend tegen 110 %.

OM DEZE-REDENEN,

Beschikkend gedeelte

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de rechtsvordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 1.210,00 (duizend tweehonderdentien) Euro bij wijze van geïndexeerde rechtsplegingvergoeding.

N. V. L. B.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8