Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 28 juni 2004 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 28 juni 2004

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 28 juni 2004Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2004-06-28-fc55

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
28 juni 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

35 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 28.06.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en gesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig juni tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 02/3608/A

B. NV, met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester H. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij Meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het tussenvonnis van de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 14 januari 2004,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 juni 2004.


Waar verweerder terecht opwerpt dat eiseres de bewijslast draagt van het vervuld zijn van de voorwaarden tot verrekening van voorbelasting, belet zulks geenszins dat verweerder van zijn kant het bewijs moet leveren van aanwezigheid van de - immers door hem als een positief feit geformuleerde - exceptie van het bestaan van een door eiseres toegestane onroerende verhuur, temeer zulke onroerende verhuur als nochtans normaal kaderend in een economische activiteit slechts bij wijze van wettelijke uitzondering buiten de BTW-sfeer wordt gehouden.

Verweerder wijst het opmaken van een - evenwel niet ondertekend - ontwerp van handelshuur tussen eiseres en NV T. aan als indicatief, terwijl verder voor hem loutere huur van roerende goederen (te dezen de automatische ontspanningstoestellen) aan NV T. vanuit economisch oogpunt als zeer ongeloofwaardig dient over te komen.

Verweerder betwist niet dat het gebruik van de tot de uitbating van de toestellen ingerichte ruimte, samen met het genot van infrastructuur, naam en goodwill, noodzakelijk onderdeel vormt van de uitbating door NV T., en evenmin dat die uitbating in een - weliswaar op zich bij uitsluiting aan deze NV T. ter beschikking gestelde - ruimte dient te geschieden voor de huurtijd van de toestellen.

De terbeschikkingstelling van de te exploiteren toestellen vormt aldus de hoofdzaak van de terbeschikkingstelling, waarbij verweerder niet hard maakt dat een deel van de huurprijs moet worden afgesplitst als in werkelijkheid betrekking hebbend op het onroerend goed, en waarbij wordt vastgesteld dat de opstelling van de toestellen geschiedt in een opgelegde ruimte met uitsluiting van bepaaldelijk enig ander recht door NV T. dan de uitbating der toestellen.

Waar verweerder nergens opwerpt dat het contract tussen eiseres en NV T. geveinsd zou zijn, dient dat contract, waarvan hij met name niet aanvoert dat de partijen er niet alle gevolgen van zouden hebben aanvaard, door hem als feit te worden aanvaard en hij toont aldus niet aan dat eiseres tegen betaling van huur voor een overeengekomen tijdsduur bepaaldelijk het recht aan NV T. verleent om gebruik te maken van haar onroerend goed als dusdanig.

Nu eiseres de, in het proces-verbaal weergegeven, aan haar geleverde goederen en verleende diensten gebruikt voor het verrichten van met BTW belaste economische handelingen, zijnde verhuur door haar aan NV T. van automatische ontspanningstoestellen, is het bewezen dat de voorwaarden van verrekening voorbelasting van artikel 45 Wetboek BTW zijn vervuld.

Bij dit alles loopt er geen betwisting ter zake de toelaatbaarheid van de vordering, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en gegrond, verklaart de fiscale vordering, uitgedrukt in dwangbevel van 15 januari 2002 Reg.127/4018 van de rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor Antwerpen van 18 januari 2002, onwettig en verbiedt er de uitvoering van voor elke gevorderde som in zowel hoofdsom, boete, intrest als kosten,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van elke uit hoofde van dat dwangbevel door inhouding of op andere wijze betaalde som,

Veroordeelt verweerder tot de kosten, deze aan beide zijden begroot, en door de rechtbank in hoofde van eiseres vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8