Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 18.09.2025
WF 710-15-23/001690 - Finaliti 24830128/01
[ Gunstig vonnis ]
Belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek
Wettelijke bepalingen
Samenvatting
1. Feiten
In 1999 werd eiseres, de BV… , opgericht die een pand aankocht waar de zetel van de vennootschap is gevestigd en waar ook de familie van de zaakvoerder woont. Volgens eiseres was het de bedoeling om een nieuwe activiteit aan te vatten bestaande in de aanleg van zwembaden. Daartoe werd op het adres van de zetel van de vennootschap en van de woonplaats van de zaakvoerder en zijn familie een zwembad aangelegd.
Inzake btw werd in juni 2022 een controle uitgevoerd. Voor de punten waarover geen akkoord kon werden bereikt naar aanleiding van de regularisatieopgave d.d. 2 augustus 2022, werd een proces-verbaal d.d. 22 oktober 2022 opgesteld. Bij beslissing van 7 maart 2023 werd het bezwaar van eiseres afgewezen. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 17 mei 2023, maakte eiseres haar vordering aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
2. Het vonnis
De btw-betwisting betreft enerzijds verschuldigde btw die voortvloeit uit een verschil dat werd vastgesteld tussen de jaarrekening en de btw rekening-courant, en anderzijds btw die verschuldigd is ten gevolge van het ten onrechte uitoefenen van het recht op aftrek.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat in de boekhouding van eiseres, en meer bepaald in de balans op 30/09/2020, een btw-schuld is opgenomen, een schulderkenning vormt van eiseres zodat dit bedrag nog verschuldigd is. Het feit dat in de btw rekening-courant die door de administratie wordt bijgehouden op basis van de door eiseres ingediende btw-aangiftes en eventuele wijziging n.a.v. eerdere regularisaties, een btw-tegoed blijkt, doet hieraan geen afbreuk.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aantoont dat zij de intentie had om een economische activiteit te gaan uitoefenen bestaande in de verkoop of plaatsing van zwembaden. Het enige tastbare bewijs, dat nog in laatste instantie in bijlage bij de syntheseconclusie werd voorgelegd, zijnde een offerte aan een mogelijke klant, volstaat niet als bewijs. Het feit dat het zwembad zou kaderen in de kosteloze terbeschikkingstelling van het onroerend goed uit hoofde waarvan een voordeel van alle aard in de personenbelasting wordt aangerekend, toont juist aan dat het zwembad niet kadert in de economische activiteit van eiseres. De aftrek werd terecht verworpen.
Met betrekking tot de btw op de personenwagens, die vallen onder het toepassingsgebied van art. 45 §2 WBTW, had eiseres de aftrek van de btw tot de helft moeten beperken, ook al worden ze volledig voor de beroepswerkzaamheid gebruikt.
De btw m.b.t. de factuur van de tuinwerken, waarbij de verlegging van heffing werd toegepast, werd door eiseres niet aangegeven. Doordat dit niet werd aangegeven, is er geen recht op aftrek.
Ook m.b.t. het gebruik van roerende goederen die moeten beschouwd worden als bezoldiging (voordeel van alle aard), stelt de rechtbank vast dat deze kosten gebeurden met het oog op de kosteloze terbeschikkingstelling aan de zaakvoerder of diens gezin zodat niet aan de voorwaarden van art. 45 §1 WBTW is voldaan en de btw niet aftrekbaar is.
De verminderde btw-boetes van 10 en 20% werden overeenkomstig art. 70 WBTW terecht opgelegd.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
VLAANDEREN,
afdeling GENT
FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER
OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 SEPTEMBER 2025
Rolnr. 23/1332/A
In de zaak van:
X1, RRN …, gedomicilieerd te …,
X2, RRN …, gedomicilieerd te …,
X3, KBO …, met zetel te …,
eisende partijen, hebbende als raadsman mr. R.A., advocaat te …;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directie Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6/761, KBO 0308.357.159,
verwerende partij, voor wie optreden de heer S.S., de heer D.A., mevrouw W.C., allen attaché bij een fiscaal bestuur, de heer R.K., adviseur-generaal bij een fiscaal bestuur, en de heer S.G., adviseur bij een fiscaal bestuur;
beslist de rechtbank als volgt:
1. Rechtspleging
De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 19 juni 2025 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.
De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. Vorderingen van de partijen
2.1. Eisers vorderen in syntheseconclusie het volgende :
De vorderingen van de verzoekers ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens:
- De vernietiging / ontheffing van de aanslagen ingekohierd onder artikelnummers … (BTW), … (BTW), …
(VennB), … (PB), … (PB), …,
- FOD Fin te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.500,00 EUR P.M.
2.2. Verweerder vordert in syntheseconclusie het volgende
INZAKE DE BETWISTE AANSLAGEN PERSONENBELASTING,
De vordering van eisers in hoofdorde onontvankelijk te verklaren.
En in ondergeschikte orde ongegrond te verklaren: te zeggen (1) dat de aanslagen rechtsgeldig gevestigd zijn, (2) dat hun belastbare basis correct bepaald werden, en (3) dat de belastingverhoging correct werd vastgelegd op 50%.
De aanslagen te bevestigen.
Eisers tot de kosten te veroordelen.
INZAKE DE BETWISTE AANSLAG IN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING,
Het verzoekschrift in hoofdorde onontvankelijk te verklaren, en in ondergeschikte en uiterst ondergeschikte orde ongegrond te verklaren.
De aanslag te bevestigen.
Eiseres tot de kosten te veroordelen.
INZAKE DE BEVVISTE NAVORDERING VAN DE BTW,
Het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiseres tot de kosten te veroordelen.
3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden
3.1. De heer X1 houdt zich bezig met reparaties van machines en installatiewerken. In 1999 werd de X3 opgericht die een pand aankocht waar de zetel van de vennootschap is gevestigd en waar ook de familie van de zaakvoerder woont.
Volgens eisers was het de bedoeling om met een nieuwe zakenpartner een nieuwe activiteit aan te vatten bestaande in de aanleg van zwembaden. Daartoe werd, aldus nog eisers, op het adres van de zetel van de vennootschap en van de woonplaats van eerste eiser en tweede eiseres, een zwembad aangelegd. De heer X1 zou zich in het kader van de nieuwe activiteit bezighouden met de techniek.
3.2. In het jaar 2022 vond een grondige controle plaats die zowel betrekking had op de personenbelasting (aj. 2020 en 2021), de vennootschapsbelasting (aj. 2020), als op de BTW (voornl. periode 01.09.2019 tot 30.09.2020).
Nadat in de personenbelasting tijdige en geldige aangiftes werden ingediend en oorspronkelijke aanslagen hierop werden gevestigd, werd op 11 oktober 2022 een bericht van wijziging verstuurd. Hierin ging het vooral om voordelen verkregen van de vennootschap die in de personenbelasting belast moesten warden. Op 3 november 2022 verklaarden eisers zich tijdig niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen. Nadat de administratie bij schrijven van 8 november 2022 meldde bij haar standpunt te blijven, werden de betwiste aanslagen in de personenbelasting gevestigd op 14 december 2022. Op 4 januari 2023 werd een bezwaarschrift ingediend tegen de aldus voor de aanslagjaren 2020 en 2021 gevestigde aanslagen.
Nadat ook in de vennootschapsbelasting een tijdige aangifte werd ingediend voor aanslagjaar 2020 en nadat een oorspronkelijke aanslag werd gevestigd op basis van de gegevens van de aangifte, werd op 29 augustus 2022 een vraag om inlichtingen overgemaakt aan de vennootschap. Hierop werd geantwoord door eisers op 29 september 2022. Vervolgens werd op 11 oktober 2022 een bericht van wijziging verstuurd waarop evenwel, volgens de stukken van verweerder, niet werd geantwoord. Op 17 november 2022 werd een kennisgeving van aanslag van ambtswege gericht aan de X3. Na de kennisgeving van beslissing tot taxatie van 6 december 2022 werd op 12 januari 2023 de betwiste aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd. Blijkbaar werd geen bezwaar ingesteld tegen deze aanslag.
Inzake BTW werd in juni 2022 een controle uitgevoerd, op basis waarvan op 2 augustus 2022 een regularisatieopgave werd opgesteld. Hierop werd door eisers geantwoord op 30 september 2022 waarbij akkoord gegaan werd met een aantal punten. Op 31 oktober 2022 werd de regularisatieopgave gedeeltelijk voor akkoord getekend. Voor de punten waarover geen akkoord bestond, werd op 22 oktober 2022 een P.V. opgesteld. Daartegen werd op 20 december 2022 een bezwaar ingediend door eisers, hetgeen werd afgewezen bij beslissing van 7 maart 2023.
3.3. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 17 mei 2023, maakten eisers de vordering aanhangig bij deze rechtbank, gericht tegen voormelde aanslagen in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting en de vordering inzake BTW.
4. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid
4.1.1. Vordering inzake personenbelasting
Verweerder beroept zich op de onontvankelijkheid van de vordering van eisers voor wat de personenbelasting betreft.
In de personenbelasting werden de betwiste aanslagen gevestigd voor :
aanslagjaar 2020 op 14 december 2022, onder artikel 223.322.140, verzonden op 16 december 2022, voor een te betalen bedrag van 8.975,31 EUR, waaronder een belastingverhoging van 50 % of 2.688,83 EUR (stuk 10 eisers);
aanslagjaar 2021 op eveneens 14 december 2022, onder artikel 223.328.248, verzonden op 16 december 2022, voor een te betalen bedrag van 11.028,31 EUR, waaronder een belastingverhoging van 50 % of 3.410,35 EUR (stuk 11 eisers).
Merk op dat eisers in hun vordering ook nog melding maken van een artikel 217.228.583 doch daarvan wordt bij de stukken of in conclusies niets teruggevonden.
Bij e-mailbericht van 4 januari 2023 werd tegen de betrokken aanslagen een bezwaar ingediend (stuk A 11 verweerder), waarvan de ontvangst werd bevestigd door verweerder bij brief van 10 januari 2023 (stuk 14 eisers).
Het verzoekschrift waarmee de vordering tegen de betrokken aanslagen in de personenbelasting aanhangig werd gemaakt bij deze rechtbank, werd neergelegd ter griffie op 17 mei 2023 nog voordat er een beslissing werd genomen over het bezwaar.
Verweerder verwijst naar artikel 1385undecies Ger. W. dat stelt dat de vordering voor de rechtbank ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep wordt ingesteld zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal. De termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie werd gevestigd.
Gelet op het felt dat in casu het verplicht administratief beroep of het bezwaar werd ingediend op 4 januari 2023 en de vordering bij deze rechtbank reeds aanhangig werd gemaakt bij verzoekschrift van 17 mei 2023 en dus binnen een termijn van zes maanden, werd artikel 1385undecies Ger. W. geschonden en is de vordering van eisers voor wat betreft de betwisting van de aanslagen in de personenbelasting onontvankelijk.
Voor zoveel als nodig zij nog opgemerkt dat de vordering voor de rechtbank in hoofde van eisers ook niet als een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden beschouwd waarover de rechtbank kan oordelen. Alhoewel er nog geen uitspraak was over de grond van de zaak op het ogenblik van het instellen van de vordering, dient een dergelijk verzoek in principe in eerste instantie door eisers gericht te worden aan verweerder en is het pas, na de afwijzing van een dergelijk verzoek en het beroep hiertegen, dat de rechtbank over het verzoek tot ambtshalve ontheffing kan oordelen. Eisers tonen verder ook niet aan dat verweerder zelf voordien kennis had van feiten of elementen op basis waarvan hij ambtshalve een ontheffing had moeten verlenen.
4.1.2. Vordering inzake vennootschapsbelasting
Ook voor de betwisting van de aanslag die werd gevestigd in de vennootschapsbelasting, roept verweerder de onontvankelijkheid van de vordering van eisers in.
In de vennootschapsbelasting werd de betwiste aanslag voor aanslagjaar 2020 (balans 30.09.2020) gevestigd op 12 januari 2023, onder artikel …, verzonden op 25 januari 2023, voor een te betalen bedrag van 19.847,99 EUR. Daaronder een belastingverhoging van 10 % of 1.804,36 EUR (stuk 18 eisers en stuk B 8 verweerder).
Tegen de betrokken aanslag in de vennootschapsbelasting werd volgens verweerder door eisers geen bezwaar ingediend. Eisers leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat dit wel het geval zou zijn. Eisers antwoorden in hun syntheseconclusie niet op de door verweerder ingeroepen onontvankelijkheid.
Artikel 1385undecies Ger. W. bepaalt dat de vordering inzake geschillen over de toepassing van de belastingwet (art. 569, eerste lid, 32° Ger. W.) slechts toegelaten is indien voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep is ingesteld.
Gelet op het feit derhalve dat de vordering bij de rechtbank bij verzoekschrift van 17 mei 2023 aanhangig werd gemaakt tegen voormelde aanslag in de vennootschapsbelasting, zonder dat tegen de aanslag voorafgaandelijk bezwaar werd ingesteld, zijnde het krachtens de wet georganiseerd beroep, is de vordering van eisers voor wat de betwisting van de aanslag in de vennootschapsbelasting betreft niet toelaatbaar en dus onontvankelijk.
Ook voor de vennootschapsbelasting moet voor zoveel als nodig worden opgemerkt dat de vordering voor de rechtbank in hoofde van eisers niet als een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden beschouwd waarover de rechtbank kan oordelen. Alhoewel er nog geen uitspraak was over de grond van de zaak op het ogenblik van het instellen van de vordering, dient een dergelijk verzoek in principe in eerste instantie door eisers gericht te worden aan verweerder en is het pas, na de afwijzing van een dergelijk verzoek en het beroep hiertegen, dat de rechtbank over het verzoek tot ambtshalve ontheffing kan oordelen. Eisers tonen verder ook niet aan dat verweerder zelf voordien kennis had van feiten of elementen op basis waarvan hij ambtshalve een ontheffing had moeten verlenen.
4.1.3. Resterende vordering inzake BTW
Voor wat de vordering inzake BTW betreft, is er geen verplicht georganiseerd administratief beroep.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering inzake BTW kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering inzake BTW ontvankelijk.
4.2. Ten gronde
4.2.1. Algemeen — betwiste vorderingen
Inzake BTW stellen de eisers dat hun vordering voor de rechtbank gericht is tegen de vorderingen gekend onder de artikelnummers … en …, zijnde de vorderingen van verweerder zoals vermeld in de correctieopgave die betrekking heeft op de periode van 01.09.2019 tot 30 september 2020. De vorderingen inzake BTW hebben enkel betrekking op de vennootschap, derde eiseres.
Verweerder heeft het in zijn verweer over de vorderingen gevestigd onder de artikelen … en ... De vordering gekend onder dit laatste artikelnummer heeft blijkbaar betrekking op de regularisatie die gebeurde voor de periode van het 15te kwartaal van 2021 tot en met het 4de kwartaal van 2021. Ter zake werd een akkoord ondertekend (stuk C3 verweerder), terwijl verder het bedrag van de betrokken vordering werd betaald, zij het onder voorbehoud.
De vordering van eisers is volgens het verzoekschrift, de syntheseconclusie en de stukken van eisers, niet gericht tegen de vordering gekend onder artikel …, hetgeen Iogisch lijkt gelet op het feit er voor akkoord werd getekend en de vordering betaald werd.
De vordering van eisers is wel gericht tegen artikelnummer … waarop door verweerder in syntheseconclusie evenwel niet expliciet ingegaan wordt. Vastgesteld moet worden dat verweerder geen stukken bijbrengt waaruit de vorderingen en de artikelnummers blijken. Uit het door eisers bijgebrachte stuk 7 blijkt dat de vordering gekend onder artikelnummer … betrekking heeft op een P.V. dat werd betekend op 22 november 2022. Meer bepaald voor een bedrag van 80.963,93 EUR BTW in hoofdsom, boeten voor een bedrag van 14.180,00 EUR, meer de interesten. Uit stuk 13 van eisers blijkt dat de vordering gekend onder artikel … betrekking heeft op het gedeeltelijk akkoord met de correctieopgave, getekend op 31 oktober (2022) en meer bepaald op een bedrag van 19.438,97 EUR BTW in hoofdsom en een boete van 1.940,00 EUR. Uit stuk 12 van eisers, met de ontvangstmelding van het beroep dat werd ingediend op 20 december 2022 (verondersteld wordt stuk 8 eisers alhoewel niet gedateerd en niet vermeld tegen welke artikelnummers het gericht is — zie stuk C 4 verweerder), blijkt dat de administratie er wel degelijk van uitgaat dat er een beroep werd ingesteld tegen de vordering gekend onder de artikelnummers … en ... Verder wordt op de beslissing van verweerder van 7 maart 2023 over het bezwaar inzake BTW (stuk 20 eisers) dan weer enkel melding gemaakt van artikel … en de gecontroleerde periode "1/2019 —09/2020".
Gelet op de verwarring die door beide partijen aldus geschapen wordt over de betwiste vorderingen inzake BTW, zal de rechtbank uitgaan van de discussiepunten inzake BTW zoals opgeworpen door eisers in syntheseconclusie en waarvan door verweerder niet betwist wordt dat deze ook effectief door eisers betwist worden.
Het gaat daarbij om de hierna volgende betwistingen.
4.2.2. Verschuldigde BTW — verschil tussen jaarrekening en BTW rekening-courant
In de balans van de X3 per 30.09.2020 is een creditsaldo opgenomen van 47.182,60 EUR. De BTW-rekening courant zoals bijgehouden door verweerder vertoonde evenwel op 30.09.2020 een debetstand van 12.209,89 EUR. Bijgevolg een verschil van 59.392,49 EUR. De fiscus is van oordeel dat dit verschil overeenkomt met nog te betalen BTW.
Het gaat volgens eisers om hetzelfde verschil als dat van 30.09.2019 waaruit volgt dat de boekhouder dit ten onrechte heeft laten staan en dat het niet, aldus nog eisers, overeenstemt met de werkelijkheid. Gelet op het realiteitsbeginsel mag enkel de werkelijke BTW R/C in aanmerking worden genomen. Volgens eisers werden ten onrechte bepaalde bedragen geboekt op de R/C waardoor er uit de balans een overschatte schuld blijkt. In de procedure voor de rechtbank heeft de nieuwe boekhouder van eisers een reconstructie gemaakt waaruit, volgens eisers, blijkt dat er sprake is van een overschatting van 67.839,60 EUR, terwijl het correcte bedrag op een BTW debetstand/teruggave van 366,29 EUR moet worden vastgesteld. Volgens eisers werden ten onrechte betalingen in min geboekt van 55.500,00 EUR en ten onrechte ontvangsten geboekt ten bedrage van 12.289,60 EUR. Vervolgens komen eisers tot een saldo in het voordeel van de X3, dat, indien ook rekening wordt gehouden met de interesten, dan weer 8.082,39 EUR zou bedragen.
Verweerder merkt vooreerst op dat het feit dat in de jaarrekening of balans per 30.09.2020 een schuld blijkt opzichtens de BTW, een schulderkenning vormt in de zin van artikel 2248 BW. Met als gevolg dat verweerder hierop mag voortgaan. Bovendien volgt uit deze schulderkenning dat de verjaring hierdoor gestuit is. De schuld verjaart niet zolang deze opgenomen is in de balans (zie art. 83, § 1, lid 1 BTW-Wb. en Cass. 15 februari 2013, F.11.0020.N, www.juportal.be; Bergen 31 maart 2021, F.J.F. 2022/86).
Hangende de procedure werd door de nieuwe boekhouder van eisers een verklaring gegeven van het verschil tussen de opnames in balans van de schuld aan de BTW en de gegevens van de BTW rekening-courant die door verweerder werd bijgehouden. Na bestudering van de verantwoordingen die door eisers worden aangeleverd, en waarbij verweerder aanneemt dat inderdaad ten onrechte een bedrag van 55.550,00 EUR als schulden werd geboekt tijdens de boekjaren 2016 en 2017, stelt verweerder evenwel dat in dezelfde periode op het passief van de balansrekening ten onrechte een bedrag van in totaal 53.084,98 EUR aan BTW-schulden niet op het passief werd opgenomen. Het gevolg is dat over de periode van 01.10.2015 tot 30.09.2017 er hoogstens sprake is van een overwaardering van 2.465,20 EUR. Verder stelt verweerder dat uit het onderzoek dat verricht werd voor de opvolgende periode van 01.10.2017 tot 30.09.2019, blijkt dat er sprake is van een bedrag van schulden van 157.087,37 EUR dat op de creditzijde van de balansrekening opgenomen had moeten zijn, terwijl er slechts een bedrag van 85.750,61 EUR aan schulden werd opgenomen. Gevolg is dat er derhalve sprake is van een verschil van 71.336,76 EUR hetgeen meer is dan het door verweerder gevorderde bedrag van 59.392,49 EUR. Verweerder merkt verder op dat er nog een bedrag is van 43.050,57 EUR waarvan niet uitgesloten kan worden dat het gaat om een verkeerde boeking, maar waarvoor eisers geen verdere duidelijkheid brengen. Verweerder besluit dat indien met alle elementen rekening wordt gehouden, niet is aangetoond dat de vordering van 59.392,42 EUR onterecht is. Met als gevolg dat deze moet worden behouden.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat in de boekhouding van de X3, en meer bepaald in de balans op 30.09.2020, een schuld aan de BTW is opgenomen ten bedrage van 47.182,60 EUR, een schulderkenning vormt van eisers zodat dit bedrag nog verschuldigd is. Het feit dat in de BTW rekening-courant die door de administratie wordt bijgehouden op basis van de door de X3 ingediende BTW-aangiftes en eventuele wijzigingen n.a.v. eerdere regularisaties, een tegoed van 12.209,89 EUR blijkt, doet hieraan geen afbreuk. Het felt dat de betrokken schuld in de balans tot uitdrukking werd gebracht voor de boekjaren 2016 en 2017 betekent verder niet dat de vordering met betrekking tot deze schuld in het jaar 2022 verjaard zou zijn. Doordat de betrokken BTW-schuld in de balans van 30.09.2020 werd opgenomen, werd goedgekeurd door de algemene vergadering terwijl er geen verbetering plaatsvond, heeft tot gevolg dat de betrokken schuld opnieuw erkend werd en dat er derhalve nog geen sprake is van verjaring. Verweerder kon derhalve deze schuld nog invorderen einde 2022 op het ogenblik dat hij hiervoor een P.V. opstelde en de schuld werd ingevorderd.
Verweerder mag daarbij uitgaan van het bedrag zoals opgenomen in de goedgekeurde balans per 30.09.2020, eerder dan het bedrag dat volgt uit de eerder ingediende BTW-aangiftes op basis waarvan de BTW rekening-courant door verweerder werd opgesteld. Daarbij werd aan eisers de mogelijkheid verleend, ondanks het feit dat de balans werd goedgekeurd en niet verbeterd werd, om aan te tonen dat er vergissingen werden begaan in de boekhouding zodat de in de balans opgenomen BTW-schuld niet zou overeenstemmen met de werkelijkheid. Daarbij hebben eisers aangetoond dat ten onrechte een bedrag van in totaal 55.550,00 EUR in de jaren 2016 en 2017 werd opgenomen op de debetzijde in de boekhouding, hetgeen verweerder niet betwist. Verder werd aangetoond dat er in de jaren 2018 en 2019 ook ten onrechte twee teruggaves van de vennootschapsbelasting geboekt zijn op de creditzijde, zodat tot een totaal van foutieve boekingen wordt gekomen van 67.839,60 EUR. Met als gevolg dat er in plaats van een schuld aan BTW sprake is van een vordering in hoofde van eisers van 20.657,00 EUR. Rekening houdende met de niet geboekte interesten is er dan een verschil van 8.082,39 EUR met het tegoed van 12.209,89 EUR dat blijkt uit de BTW rekening-courant van verweerder.
Uit het onderzoek van verweerder volgt evenwel dat waar eisers het actief van de balansrekening BTW rekening courant in de boekhouding hebben nagekeken, zij hebben nagelaten om een volledig beeld te geven van de correcties die er aldus ook moesten gebeuren op het passief van de balansrekening BTW rekening courant. Hierdoor is er uiteindelijk maar een tegoed van 2.465,20 EUR, hetgeen door eisers niet wordt betwist.
Verder blijkt uit het onderzoek van verweerder dat voor de periode van 01.10.2017 tot 30.09.2019 in balansrekening een bedrag aan schulden is opgenomen van 157.087,37 EUR terwijl op de rekening-courant die door verweerder bijgehouden wordt slechts sprake is van 87.750,61 EUR aan schulden. Of opnieuw een verschil, rekening houdende met het tegoed van de vorige periode, van 71.336,76 EUR dat niet verklaard is. Alhoewel dit punt niet ter sprake kwam in de regularisatieopgave, kan dit verweer door verweerder gevoerd worden omdat het eveneens betrekking heeft op de periode tot 30.09.2019 waarvoor de vordering betwist wordt. Ook dit standpunt van verweerder wordt door eisers niet betwist en het wordt niet weerlegd. Dit bedrag van 71.336,76 EUR is zelfs nog hoger dan het bedrag van 59.392,49 EUR dat in de betwiste vordering is opgenomen. Van een bedrag van 43.050,57 EUR blijft er onduidelijkheid en stelt verweerder zelf dat het ook kan gaan om verkeerd geboekte betalingen. De X3 die evenwel ter zake de bewijslast heeft, levert niet het bewijs dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht.
Besluit is dan ook dat de vordering van verweerder voor het bedrag van 59.392,49 EUR verantwoord is.
4.2.3. Onterechte aftrek BTW wegens privé-karakter / andere doeleinden
De BTW die betaald werd met betrekking tot aanleg van het zwembad, onderhoud, elektrische verwarming, terrastegels, schilderwerken en zwembadbenodigdheden, wordt verworpen. Verder wordt de BTW met betrekking tot de aankoop van de GSM, elektro (Krefel) en Bose-apparatuur verworpen.
De kosten in verband met het zwembad hebben volgens eisers betrekking op een nieuwe commerciële activiteit die zij wilden uitbouwen. Het gaat om een demo-zwembad waarbij eisers zich zouden toeleggen op de technische aspecten. Het is niet omdat dit plan niet werkte, onder meer als gevolg van de covid-epidemie, dat de BTW niet aftrekbaar is. Het feit dat eisers kosteloos kunnen beschikken over het zwembad, doet hier volgens hen niets van af. Eisers worden op een voordeel van alle aard belast uit hoofde van de kosteloze terbeschikkingstelling. Daarbij is de X3 eigenares van de woning en het zwembad. Eisers verwijzen in dit verband naar de bezoldigingstheorie in de inkomstenbelastingen op basis waarvan het toegelaten zou zijn om voordelen aan de zaakvoerder/bedrijfsleider toe te kennen en waarbij deze kosten dan in hoofde van de vennootschap aftrekbaar zijn. Het is volgens eisers willekeurig dat verweerder wel aanvaardt dat de woning als een vergoeding wordt beschouwd uit hoofde van de kosteloze terbeschikkingstelling, maar niet het zwembad. De weigering van de aftrek van de BTW m.b.t. het zwembad of tuin, GSM en andere elektro is volgens eisers onterecht.
Volgens verweerder werd geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat er een voornemen was om zwembaden te verkopen of te plaatsen. Ook uit de omschrijving van de statutaire opdracht van de X3 blijkt niet dat deze actief is in de verkoop van zwembaden. Pas in syntheseconclusie wordt door eisers een niet-gedateerde offerte voorgelegd voor de plaatsing van een zwembad. Verweerder vraagt de factuur uit de debatten te weren. Verder is het niet bewezen dat de commerciële activiteit rond zwembaden te lijden had van de covid-pandemie. Het is ook niet zo dat indien het zwembad aan een derde verhuurd zou zijn, de BTW dan aftrekbaar zou zijn. Het gaat om een vrijgestelde handeling i.v.m. een onroerend goed zodat er dan geen recht op aftrek is. Ook het feit dat voor de inkomstenbelastingen de terbeschikkingstelling als een bezoldiging wordt beschouwd, doet daar niets van af. Het gaat om uitgaven die bestemd zijn voor privégebruik zodat de BTW daarop niet aftrekbaar is. Het gaat, aldus nog verweerder, niet om een uitgaande handeling in de zin van artikel 45 § 1 BTW-Wb. Het daadwerkelijk gebruik telt boven het oorspronkelijk voornemen. Indien het zwembad al een demo-model zou zijn, dan moest een pro rata beperking van de aftrek zijn doorgevoerd.
De rechtbank is vooreerst van oordeel dat de offerte van het zwembad zoals opgesteld door eisers (stuk 24 eisers) niet uit de stukken moet worden geweerd. Het stuk sluit aan bij de argumenten van eisers en verweerder heeft de mogelijkheid gehad om erop te reageren en heeft dit ook gedaan.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat derde eiseres, de X3, niet ten genoege aantoont dat zij de intentie had om een economische activiteit te gaan uitoefenen bestaande in de verkoop of plaatsing van zwembaden. Het enige tastbare bewijs dat nog in laatste instantie in bijlage bij de syntheseconclusie werd voorgelegd, zijnde een offerte aan een mogelijke klant, volstaat niet als bewijs. Niet aangetoond wordt wat er van de offerte is gekomen, welke handelingen de vennootschap heeft gesteld om de activiteit uit te bouwen, hoe de samenwerking met de nieuwe partner in elkaar zat, of er bezichtigingen waren, ... Het is dan ook niet aanvaardbaar dat het zwembad dat door de X3 werd geïnstalleerd op de plaats waar ook het gezin van de zaakvoerder/bedrijfsleider woont, als een demo-bad wordt beschouwd. Het feit dat het zwembad zou kaderen in de kosteloze terbeschikkingstelling van het onroerend goed uit hoofde waarvan een voordeel van alle aard in de personenbelasting wordt aangerekend, toont juist aan dat het zwembad niet kadert in de economische activiteit van de X3. Hetzelfde geldt voor de andere roerende goederen die door de X3 kosteloos ter beschikking worden gesteld van de zaakvoerder/bedrijfsleider en diens gezin.
De aftrek van de BTW met betrekking tot het zwembad en de andere door de zaakvoerder/bedrijfsleider of diens gezin privé gebruikte goederen, werd terecht verworpen in hoofde van de X3.
4.2.4. Aftrek van BTW in verband met autovoertuigen
Eisers zijn van oordeel dat de BTW m.b.t. de autovoertuigen voor 100 % in aftrek moeten worden aanvaard omdat deze voor 100 % door de vennootschap werden gebruikt. Er was geen kosteloze terbeschikkingstelling van een voertuig van de vennootschap aan de zaakvoerder/bedrijfsleider of diens echtgenote. De echtgenote heeft een bedrijfswagen van haar werkgever die ook privé mocht worden gebruikt.
Verweerder verwijst naar de beperkingen die in artikel 45 § 2 BTW-Wb. werden ingevoerd met betrekking tot de aftrek van BTW op personenwagens. Deze beperking is van toepassing op personenwagens ook al worden ze uitsluitend voor BTW-activiteiten van de belastingplichtige gebruikt. Eisers hadden derhalve de BTW op de personenwagens, die beide vallen onder het toepassingsgebied van artikel 45 § 2 BTW-Wb. moeten beperken, ook al worden ze niet privé gebruikt.
Gelet op het feit dat het gaat om voertuigen die niet vallen onder de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 45 § 2, tweede lid BTW-Wb., oordeelt de rechtbank dat de BTW slechts voor de helft aftrekbaar is ook al wordt het voertuig volledig voor de beroepswerkzaamheid gebruikt. De X3 toont het tegendeel niet aan.
De BTW m.b.t. twee voertuigen werd dan ook terecht beperkt tot de helft.
4.2.5. Verschuldigde BTW in verband met factuur medecontractant
Eisers zijn van oordeel dat de BTW met betrekking tot de tuin deels aftrekbaar is omdat de tuin moet worden beschouwd als een kosteloze terbeschikkingstelling door de vennootschap.
Verweerder verwijst naar de regeling van de medecontractant zoals bepaald in artikel 51 BTW-Wb. Verder verwijst verweerder naar artikel 45 § 1 van het BTW-Wb. De BTW m.b.t. de factuur van de tuinwerken, waarbij de verlegging van heffing werd toegepast, werd door de X3 niet aangegeven. Doordat dit niet werd aangegeven, is er geen recht op aftrek. De BTW op de factuur kon in aftrek gebracht worden indien het tuinonderhoud werd gebruikt voor uitgaande handelingen bedoeld in artikel 45 § 1 BTW-Wb. De kosteloze terbeschikkingstelling valt daar niet onder.
Gelet op de kosteloze terbeschikkingstelling voor prive-doeleinden van de zaakvoerder/bedrijfsleiders en diens gezin, oordeelt de rechtbank dat de aftrek van de BTW met betrekking tot de factuur voor de tuinwerken terecht werd verworpen.
4.2.6. BTW in verband met prive-gebruik van roerende bedrijfsgoederen
Nogmaals stellen eisers dat de BTW m.b.t. het gebruik van roerende goederen die moeten beschouwd worden als bezoldiging (voordeel van alle aard), in aftrek moet worden aanvaard.
Verweerder herhaalt, verwijzende naar artikel 45 § 1 BTW-Wb. en 19 § 1 BTW-Wb., dat de BTW die verschuldigd is op de goederen die kosteloos ter beschikking worden gesteld en waarvoor een voordeel van alle aard wordt aangerekend, geen handeling is die het recht op aftrek van de BTW opent. De betrokken kosten hebben aldus verweerder een privé-bestemming. In de mate dat er een voordeel van alle aard voor werd aangerekend, is niet aangetoond dat de BTW over deze voordelen van alle aard werd afgedragen.
Ook voor deze kosten staat het vast dat deze gebeurden met het oog op de kosteloze terbeschikkingstelling aan de zaakvoerder/bedrijfsleider of diens gezin zodat niet aan de voorwaarden van artikel 45 § 1 BTW-Wb. is voldaan met als gevolg dat de betrokken BTW niet aftrekbaar is.
4.2.7. BTW-boetes
Eisers stellen dat in de mate dat hun bezwaren gegrond verklaard worden, ook de BTW-boetes dienovereenkomstig herberekend moeten worden. Zij verwijzen daarbij ook naar hun vorige boekhouder die fouten maakte, zeker voor wat de rekening-courant betreft en die niet meer bereikbaar was.
Verweerder stelt dat de boetes behouden moeten worden in de mate dat verschuldigde BTW behouden blijft.
Gelet op het voorgaande waaruit blijkt dat de vordering van verweerder terecht is, zijn ook de opgelegde boetes die werden opgelegd en gemotiveerd overeenkomstig artikel 70 BTW-Wb. en verminderd overeenkomstig het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot respectievelijk 10 en 20 %, terecht opgelegd.
5. Gerechtskosten
Eisers worden in het ongelijk gesteld zodat zij de gerechtskosten moeten dragen, waaronder hun eigen gerechtskosten. Verweerder is niet vertegenwoordigd door een advocaat zodat geen rechtsplegingsvergoeding aan verweerder verschuldigd is.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;
verklaart de vordering van eisers gericht tegen de aanslagen in de personenbelasting gevestigd voor de aanslagjaren 2020 en 2021 onder respectievelijk artikel … en artikel …, onontvankelijk;
verklaart de vordering van eisers gericht tegen de aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd voor aanslagjaar 2020 onder artikel …, onontvankelijk;
verklaart de vordering van eisers gericht tegen de vorderingen inzake BTW gekend onder artikelnummers … en …, ontvankelijk doch ongegrond;
veroordeelt eisers tot betaling van de kosten van het geding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 18 september 2025, waar aanwezig waren :
P.L., rechter, voorzitter van deze kamer,
T.D., griffier.
Nota van de FOD Financiën
Referentie WF
WF 710-15-23/001690 - Finaliti 24830128/01
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.