Recht op aftrek, Organisatie evenementen, Terbeschikkingstelling materiaal · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 16 september 2025

Zoeken

Recht op aftrek, Organisatie evenementen, Terbeschikkingstelling materiaal

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-organisatie-evenementen-terbeschikkingstelling-hof-van-beroep-gent-2025-09-16-56a0

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
16 september 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

177 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 16.09.2025

WF 714-15-21/077043 Finaliti 54693463

[ Gemengd arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek - Organisatie evenementen – Terbeschikkingstelling materiaal – Terbeschikkingstelling van een concessie

Wettelijke bepalingen

Artikel 45 § 1 WBTW

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en voorgaande procedure

De betwisting heeft betrekking op de vraag of de belastingplichtige recht op aftrek van de btw heeft met betrekking tot kosten die verband houden met verschillende evenementen die op haar grondgebied georganiseerd worden en waarin zij in bepaalde mate tussenkomt. Enerzijds betreft het een aantal parkconcerten waarvoor de belastingplichtige een exclusieve concessie verleent aan een vzw. De vzw betaalt aan de appellant een eenmalige vergoeding van 10.000 euro exclusief btw (per jaar). De opbrengsten zijn voor de vzw. De appellant verbindt zich om dranghekkens, tafels, banken, toiletvoorzieningen, sfeerverlichting, het podium, EHBO-permanentie, ruimte voor opslag voor materiaal, ruimte voor de artiesten, gescheiden elektriciteitsvoorzieningen, fietsenstalling, ophaling van het vuilnis, watervoorziening, vier nabije parkeerplaatsen, internet in en naast het park voor de kassasystemen en openbare veiligheid te voorzien. De appellant betaalt aan de vzw ook nog een werkingstoelage van 3.991,25 euro. Anderzijds zijn er concerten die door de appellant zelf georganiseerd worden, waarbij zij een concessie verleent voor eten en drank. Het stadsbestuur neemt alle beslissingen over de invulling van het evenement en zorgt voor podia, klank- en lichtinstallaties. De concessiehouder is aan de appellant een vergoeding die volgens de bepalingen van het contract aan btw onderworpen is. De opbrengsten die voortvloeien uit de concessieovereenkomst zijn voor de concessiehouder en alle kosten in verband met de uitbating zijn voor zijn rekening.

Bij een controle werd de btw op de kosten die voor deze evenementen in aftrek werden genomen verworpen.

De rechter in eerste aanleg oordeelde dat de aftrek terecht werd verworpen aangezien de belastingplichtige in het kader van deze evenementen geen economische activiteit uitoefent.

Tegen dit vonnis heeft de belastingplichtige hoger beroep ingesteld.

2. Het arrest van het hof van beroep

Het hof oordeelde dat de handelingen die de appellant met betrekking tot de concerten stelt, voor hem geen ‘economische activiteit’ in de zin van artikel 4, §1, WBTW uitmaken. De handelingen die de appellant hier stelt met betrekking tot de inrichting van de betreffende concerten, zijn in essentie erop gericht om ‘ten algemene nutte’ het leven in de gemeente aantrekkelijk, aangenaam, vermakend, enz. te maken, in het bijzonder door de concerten gratis aan iedereen aan te bieden.

Verder heeft het hof ook bevestigd dat het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

Wat de boete betreft oordeelde het hof dat de betwisting van principiële aard is en daarom de vordering om de boete te ontheffen moet worden ingewilligd.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrest van het hof van beroep Gent dd. 16 september 2025

2024/AR/625

2024/AR/625 - In de zaak van:

X., ON …,

met zetel te …,

appellant,

hebbende als raadsman mr. MAUS Michel, advocaat te 8020 OOSTKAMP, Hertsbergsestraat 4

tegen

BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal-Centrumdirecteur KMO Kortrijk, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 762,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A en mr. BRICOUT Tine, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 15 april 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 16 oktober 2023 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/3245/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 17 juni 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2, De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellant is een stad die als btw-belastingplichtige geregistreerd is. Als overheid heeft hij activiteiten waarvoor zijn btw-belastingplicht niet toepasselijk is.

De betwisting gaat over het recht van aftrek voor de jaren 2015 en 2016 met betrekking tot kosten die verband houden met verschillende evenementen georganiseerd op zijn grondgebied waarin de appellant in bepaalde mate tussenkomt, zij het niet steeds op dezelfde manier.

Enerzijds zijn er een reeks zomerconcerten (in de betreffende periode "…" genoemd, hierna 'de parkconcerten'). Voor die parkconcerten, in de maanden juli en augustus, is de organisatie in handen van … die daartoe vanwege de appellant een exclusieve, niet overdraagbare concessie kreeg. Die concessie geeft … behalve het recht op het inrichten van de concerten, ook het recht om drank en eten te verkopen (catering). De organisatie van de concerten omvatten het boeken en plannen van de optredende artiesten en het voeren van publiciteit. De datums van de concerten zijn in de concessieovereenkomst op voorhand vastgelegd.

De vzw betaalt aan de appellant een eenmalige vergoeding van 10.000 euro exclusief btw (per jaar).

De opbrengsten zijn voor de vzw.

De appellant verbindt zich om dranghekkens, tafels, banken, toiletvoorzieningen, sfeerverlichting, het podium, ehbo-permanentie, ruimte voor opslag voor materiaal, ruimte voor de artiesten, gescheiden elektriciteitsvoorzieningen, fietsenstalling, ophaling van het vuilnis, watervoorziening, vier nabije parkeerplaatsen, Internet in en naast het park voor de kassasystemen en openbare veiligheid te voorzien.

De appellant betaalt aan de vzw ook nog een werkingstoelage van 3.991,25 euro.

Anderzijds zijn er tweedaagse concerten in de periode van …, in het jaar 2015 (zoals in 2013 en 2014) "B." genoemd, in 2016 "E." genoemd (telkens afgestemd op de concessiehouder). E. en B. zijn concerten die door de appellant zelf georganiseerd worden, waarbij hij een concessie verleent voor eten en drank (catering).

De concessiehouder wordt met zijn firmanaam in de promotiecampagne vermeld als medeorganisator van het evenement. De concessiehouder kan als enige sponsor promotie maken tijdens het evenement. De prijs van de dranken en het eten is in de overeenkomst door de appellant vastgelegd. Ook de uitbatingsuren zijn contractueel vastgelegd. De concessiehouder moet zorgen voor de accommodatie en voldoende personeel (voor de catering). Het stadsbestuur neemt alle beslissingen over de invulling van het evenement en zorgt voor podia, klank- en lichtinstallaties.

De concessiehouder is aan de appellant een vergoeding van 16.000,00 euro verschuldigd in 2015 en 17.500,00 euro in 2016 die volgens de bepalingen van het contract aan btw onderworpen is.

De opbrengsten die voortvloeien uit de concessieovereenkomst zijn voor de concessiehouder en alle kosten in verband met de uitbating zijn voor zijn rekening.

De appellant boekte de btw met betrekking tot die concerten zowel op de inkomende transacties als op de uitgaande transacties (kosten).

Op 1 december 2017 startte de geïntimeerde een btw-controle voor de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2016.

Als gevolg daarvan heeft de geïntimeerde op 3 oktober 2018 een regularisatieopgave opgesteld waarin onder meer de aftrek van de btw op de gemaakte kosten voor de organisatie van de concerten werd verworpen. De taxatiedienst meende dat de appellant met betrekking tot die concerten niet handelde als btw-belastingplichtige, in het bijzonder omdat er wat dat betreft geen sprake zou zijn van een 'economische activiteit'. Het doel van de evenementen zou bestaan uit het aanbieden van een festival dat gratis toegankelijk is voor het brede publiek. De taxatiedienst beschouwde het organiseren van festivals voor het brede publiek als een doel op zich, waardoor die handeling niet binnen de werkingssfeer van de btw zou vallen.

De appellant heeft op 17 oktober 2018 een gemotiveerd niet-akkoord overgemaakt aan de geïntimeerde.

Op 22 februari 2019 werd bovendien de tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst ingeroepen.

Aangezien de btw-administratie zich niet akkoord kon verklaren met de door de appellant ingeroepen argumenten en aangezien er geen minnelijk akkoord kon worden bereikt via de fiscale bemiddelingsdienst werd op 16 november 2020 een proces-verbaal opgemaakt.

Op 1 december 2020 stuurde de geïntimeerde aan de appellant een betaalbericht voor een bedrag van 57.357,73 euro. Het betreft een btw-schuld van 38.866,37 euro een boete van 3.880,00 euro en 14.611,36 euro interest gerekend vanaf 21 januari 2017.

Met een verzoekschrift van 2 december 2021 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 16 oktober 2023 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg

West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten

laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg; het verzet tegen het proces-verbaal van 16 november 2020 gegrond te verklaren en het betreffende proces-verbaal bijgevolg te vernietigen, minstens voor recht te zeggen dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn.

De terugbetaling te bevelen van alle sommen die op basis van dit proces-verbaal en het navolgende betaalbericht werden geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten. In ondergeschikte orde de belastingverhoging te vernietigen, minstens te reduceren tot een proportionele sanctie.

De kosten van zowel de procedure in Eerste Aanleg als deze voor het Hof van beroep ten taste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van de geïndexeerde

rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1022 Ger.W, als volgt begroot:

 RPV Eerste Aanleg:€3.750,00
 Bijdrage voor het begrotingsfonds Eerste Aanleg:€22,00
 RPV Hoger Beroep:€3.750,00
 Bijdrage voor het begrotingsfonds Hoger Beroep:€24,00

Totaal €7.546,00

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraag in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

Dienvolgens het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 16.10.2023 ( rolnummer 21/3245/A ), alsook het betwiste betaalbericht inzake BTW, gevestigd onder artikelnummer 500/2344/21387 integraal te bevestigen; Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van geïntimeerde in graad van hoger beroep begroot op een basisbedrag van 3.924,42 euro.

Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Het recht op aftrek — economische activiteit

De appellant is een overheid die belastingplichtige is in de zin van het tweede lid van artikel 6 WBTW, met name omdat ze werkzaamheden of handelingen stelt en de behandeling als niet belastingplichtige anders tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

De hoedanigheid van btw-belastingplichtige houdt nog niet in dat de betrokkene steeds voor alle handelingen in die hoedanigheid optreedt. Er zijn activiteiten die niet onder het btw-regime vallen; daarnaast zijn er ook vrijgestelde handelingen. Die laatste twee handelingen geven op zich geen recht op aftrek van voorbelasting.

De appellant roept in dat hij voor de handelingen die hij stelt met betrekking tot de hoger genoemde concerten als belastingplichtige moet worden behandeld zodat de btw die hij betaald heeft op ontvangen diensten of geleverde goederen die met die concerten verband houden, aftrekbaar is.

De geïntimeerde en de eerste rechter moeten in hun stelling worden gevolgd dat de handelingen die de appellant met betrekking tot de concerten stelt, voor hem geen 'economische activiteit' in de zin van artikel 4, §1, WBTW uitmaken. Die bepaling, die de definitie van 'belastingplichtige' vastlegt, luidt als volgt:

§ 1 Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke picots de economische activiteit wordt uitgeoefend.

De in het eerste lid bedoelde voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, sluit loontrekkenden en andere personen van de belastingheffing uit, voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.

Artikel 45 WBTW is het basisartikel voor het recht op aftrek; zijn eerste paragraaf luidt als volgt:

§ 1 Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van: 1° Belaste handelingen;

2° Handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° Handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° Handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° Diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

De appellant kan dus, ook al is hij belastingplichtige, geen recht van aftrek uitoefenen voor handelingen die niet 'belast' zijn. Daaronder vallen (ook) de handelingen die de belastingplichtige niet uitoefent in het kader van een economische activiteit zoals bedoeld in artikel 4 WBTW.

De tweede paragraaf van artikel 1 KB nr. 3 van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de btw, bepaalt (met onderstreping door het hof):

§2 Voor aftrek komt in qeen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Wanneer een goed of dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruikt uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

Gelet op de omschrijving in het eerste lid van artikel 4 §1 WBTW is het voor het bepalen of een activiteit een 'economische activiteit' is die belastingplicht met zich brengt:

 niet beslissend of met die activiteit winst gerealiseerd wordt;

 niet beslissend of die activiteiten de hoofdzakelijke activiteit van de betrokkene is; vermits ook aanvullende activiteiten voor de beoogde 'economische activiteit' in aanmerking komen, is het delicaat (en dus niet werkzaam) om de vraag of het om handelingen gaat die 'geregeld' gesteld worden, als beslissend te hanteren.

Terecht laat de geïntimeerde gelden dat uit artikel 9.1 Richtl. 2006/112/EG moet worden afgeleid dat het kenmerkend is voor een 'economische activiteit' dat ze erop gericht is om ermee `duurzame opbrengsten te verkrijgen'. Dat veronderstelt dat in concreto nagegaan wordt in welke omstandigheden een en ander plaatsvindt. In de zaak Enkler heeft het Hof van Justitie het volgende verduidelijkt onder randnummer 29:

Ofschoon voorts criteria verband houdend met de resultaten van de activiteit op zich niet geschikt zijn om te bepalen of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen, kunnen bij dat onderzoek de werkelijke duur van de verhuur van de zaak, de omvang van de cliënteel en het bedrag van de opbrengsten factoren dus die tot het geheel van de omstandigheden van het concrete geval behoren — tezamen met andere factoren in aanmerking worden genomen. (HvJ, 26 september 1996, zaak nr. C-230/94, Enkler vs Finanzambt Homburg, via www.curia.eu).

In dat verband heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat het een relevant beoordelingscriterium is na te gaan of de betrokkene middelen inzet die te vergelijken zijn met die welke een fabrikant, handelaar of dienstverrichter aanwendt, een relevant beoordelingscriterium (HvJ 9 juli 2015, Trgovina Prizma, C-331/14, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

In het concrete geval kan men de vraag of hier sprake is van een 'economische activiteit' niet los zien van het feit dat de appellant een gemeente en dus een overheid is, terwijl handelingen die ze 'als publieke overheid' stelt buiten de toepassingssfeer van de btw vallen. Het is in die zin dat de geïntimeerde in zijn circulaire nr. AOIF 24/2007 van 29 augustus 2007 onder randnummer het volgende stelt:

Zoals reeds gesteld, kan een publiekrechtelijk lichaam de volgende handelingen verrichten :

handelingen die buiten de toepassingssfeer van de BTW vallen (activiteiten verricht als publieke overheid en gratis verrichte handelingen), waarvoor het niet de hoedanigheid heeft van belastingplichtige;

handelingen die het de hoedanigheid van belastingplichtige toekennen maar die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het BTW-Wetboek;

belastbare handelingen (handelingen die leiden tot concurrentieverstoring van enige betekenis en handelingen beoogd door artikel 6, derde lid in de mate dat zij niet van onbeduidende omvang zijn).

Alleen laatstgenoemde belastbare handelingen verlenen recht op aftrek van de voorbelasting.

Hoewel hoger is vastgesteld dat het al dan niet beogen van winst geen beslissend criterium is, maakt de geïntimeerde in die circulaire terecht melding van het 'gratis' verrichten van handelingen als onderscheidend gegeven. Het gratis karakter van dienstverstrekkingen door overheden is immers inherent aan hun taak en functioneren als overheid. Dat wat een overheid doet zonder tegenprestatie moet immers geacht worden te zijn verricht tot algemeen nut en dus in wezen 'de gemeenschap', 'de bevolking' ten goede te komen. De activiteiten die een gemeente daartoe verricht, hebben op zich niet tot doel duurzame opbrengsten te verkrijgen; zij hebben het algemeen nut tot doel, wat verklaart waarom ze gratis worden aangeboden (vgl.m. HvJ 30 maart 2023, Gmina, C-616/21, punt 45, TFR 2023/9, nr. 641, p. 467-468,).

Het Hof van Justitie heeft reeds geoordeeld dat wanneer een gemeente slechts een Bering deel van de door haar gemaakte kosten terugkrijgt, terwijl het saldo wordt gefinancierd uit overheidsmiddelen, een dergelijk verschil tussen deze kosten en de als tegenprestatie voor de diensten ontvangen bedragen, aangeeft dat er geen sprake is van een vergoeding (zie in die zin arrest van 12 mei 2016, Gemeente Borsele en Staatssecretaris van Financiën, CE520/14, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit geldt des te meer wanneer de ontvangers van de dienst helemaal niets hoeven te betalen (punt 46 van het aangehaalde arrest van 30 maart 2023, Gmina, C-616/21).

Zelfs al is het inrichten en organiseren van muziekfestivals evengoed een activiteit die een economische activiteit kan zijn, met name omdat ze volgens alle principes van de vrije markt, volgens een (lucratief) verdienmodel, via publiciteit, afgestemd op vraag en aanbod, clientgericht, enz. gevoerd kan worden, toch zijn de handelingen die de appellant hier stelt

met betrekking tot de inrichting van de betreffende concerten, in essentie erop gericht om 'ten algemene nutte' het leven in de gemeente aantrekkelijk, aangenaam, vermakend, enz. te maken, in het bijzonder door de concerten gratis aan iedereen aan te bieden. Dat is niet alleen het geval voor de concerten waarvoor de appellant de inrichting zelf overlaat aan vzw Divers, maar evengoed voor de concerten naar aanleiding van Waregem Koerse die ze zelf inricht (zie het feitenrelaas).

De handelingen die de appellant met betrekking tot die concerten verricht, maken geen economische handeling uit waarvoor hij in de hoedanigheid van belastingplichtige optreedt.

De grief is dus ongegrond.

4.2. Het recht op aftrek - vertrouwensbeginsel

De appellant roept subsidiair in dat hem minstens op grond van het vertrouwensbeginsel het recht op aftrek van de btw voor de betreffende jaren moet verleend worden.

Hij wijst in dat verband naar de controle over de periode 2013-2014 waarbij de problematiek over de door de appellant toegekende concessies al aan bod kwam. Hij meent dat de geïntimeerde het btw-plichtig karakter van de concessieverleningen voor B. en E. enerzijds en de park-concerten anderzijds, erkend heeft in e-mails van 23 mei 2016 en 2 juni 2016 (zijn stukken 4.g en 4.h). In het bijzonder blijkt dat een medewerker van de appellant op 23 mei 2006 aan een controleagent van de geïntimeerde het volgende schreef:

Ze zei me ook dat er een probleem kon zijn mbt de 'parkconcerten'. Maar ook mbt die uitbatingen in … ('Parkconcerten' in concessie aan … en B. in concessie aan S.) worden er aan de respectievelijke concessionarissen facturen opgemaakt met BTW, BTW die bijgevolg door ons aan de BTW-administratie verschuldigd is. Met de e-mail van 2 juni 2016 maakte een (andere) medewerker van de appellant de concessieovereenkomsten over.

De appellant stelt dat hij, aangezien de geïntimeerde vervolgens geen enkele opmerking meer maakte, noch een naheffing verrichtte, er terecht van uitgegaan is dat hij binnen het kader van de organisatie van die concerten een recht op btw-aftrek had en, daarop vertrouwend, die aftrek ook voor de navolgende jaren heeft uitgeoefend.

De appellant kan in de gegeven omstandigheden nochtans niet inroepen dat hij werkelijk op basis van een duidelijke toezegging door de geïntimeerde het gewettigd vertrouwen zou hebben gehad dat hij het recht op aftrek van de btw voor de handelingen met betrekking tot de concerten kon genieten. Dat kan uit het betreffende 'stilzwijgen' waarop de appellant zich beroept, niet worden afgeleid in strijd met de hoger door het hof gedane vaststelling (hoofdstuk 4.1.) dat er in rechte door de appellant geen aanspraak kan gemaakt worden op het recht op aftrek.

Vergeefs beroept de appellant zich op het antwoord van de Minister van Financiën van 9 mei 2018 op de vraag van S. Verherstraeten (Vr. nr. 2055 Servais Verherstraeten, 30 januari 2018, Vr. en Antw. Kamer 2017-18, afl. 155, 441;

Niet alleen dateert die vraag van na de jaren waarvoor het recht op aftrek hier ter betwisting staat. De betreffende vraag had hoe dan ook betrekking op evenementen die niet door een overheid worden georganiseerd. De situatieschets voor de vraag was immers de volgende: Ons land kent veel dorpsfeesten en initiatieven om mensen samen te brengen en op een laagdrempelige manier bewoners van een stad of dorp te doen genieten van een plaatselijk evenement. Zo ook feesten die worden aangeboden aan vrijwilligers en buurtbewoners van een groots evenement dat jaarlijks plaatsvindt ter compensatie van de geleden overlast en als bedanking voor de geleverde inspanningen. Vaak worden die evenementen gratis aangeboden, buiten de verkoop van drank, eten en advertentieruimte natuurlijk. Organisatoren plannen dan optredens van artiesten, moeten een gehele logistieke organisatie op poten zetten en moeten de nodige infrastructuur huren om dergelijke initiatieven tot in de puntjes te regelen. Dat brengt natuurlijk grote kosten met zich mee, waaronder die van de btw. Een dergelijk evenement wordt door de organisatoren zelf als een eenheid van activiteit bezien, wat maakt dat zij ervan overtuigd zijn dat zij een 100 % aftrek van voorbelasting genieten voor het totaal van de betaalde btw.

De vragen waren de volgende:

1. Kan u verduidelijken of het inderdaad zo is dat men gratis evenementen, waarbij de verkoop van dranken, eten en advertentieruimte betalend is, als "om niet" beschouwt waardoor men eigenlijk gemengd btw-plichtig wordt en aldus slechts een beperkt recht op aftrek van voorbelasting heeft? 2. Is uw antwoord anders indien een dergelijk evenement betalend wordt, ook al betreft het slechts 1 euro inkom? Zo neen, waarom niet?

De vraag ging duidelijk niet over de organisatie van gratis evenementen door overheden.

Ook deze grief is ongegrond.

4.3. De boete 110%.)

De geïntimeerde heeft wegens inbreuk op het recht op aftrek een boete van 10% opgelegd, zijnde voor 3.880,00 euro.

De appellant stelt dat de belastingverhoging disproportioneel is, gelet op:

Het feit dat in een eerdere controle geen bezwaar werd gemaakt tegen de aftrek van de btw bij de organisatie van de evenementen.

De ontegensprekelijke goede trouw van de appellant bij de toepassing van het recht op aftrek alsook lopende de administratieve en gerechtelijke betwisting van dit recht op aftrek.

- Het principieel karakter van de onderliggende discussie met betrekking tot de al dan niet uitoefening van het recht op aftrek van de betaalde btw bij de organisatie van gratis evenementen, in het kader waarvan tevens belaste handelingen worden gesteld.

Het hof kan slechts vaststellen dat de betwisting principieel is.

Er wordt aangenomen dat een geschil een principieel karakter heeft wanneer het gaat om discussies waarvoor de rechtspraak de principes die de wettelijke regeling beheersen nog moet uitklaren. Zo zal bijvoorbeeld een discussie worden aangezien als een principekwestie indien de rechtspraak nog niet vastligt en tot zolang het Hof van Cassatie zich er niet over heeft uitgesproken. Daarin kan ook meespelen dat er onenigheid is in de rechtsleer over het betreffende principe. Het afzien van een sanctie (al dan niet met strafrechtelijk karakter) is dan de beste behoorlijke werkwijze omdat anders oordelen een drempel wordt opgetrokken die de belastingplichtige kan beletten de betwisting aan te gaan (en dus het antwoord op de rechtsvraag finaal te weten te komen).

Het hof heeft bij het maken van zijn beoordeling vastgesteld dat de bestaande standpunten over de betreffende rechtsvraag steeds veel nuanceringen bevatten en daarom steeds benadrukken dat het antwoord van het concrete geval zal afhangen. Hoewel een beoordeling in concreto niet steeds veronderstelt dat de rechtsvraag een principekwestie is (en wellicht meestal niet het geval zal zijn), blijkt dat hier precies wel de reden te zijn voor de toevlucht tot de concrete beoordeling. Een en ander houdt verband met het feit dat het begrip 'belastingplichtige' en 'economische activiteit' aan de ene kant niet beslist worden door het al dan niet bestaan van een winstoogmerk, maar aan de andere kant het aanbieden van gratis diensten zowel deel kunnen uitmaken van een winst beogend concept als daar helemaal vreemd aan zijn en het in dat laatste geval kan voortkomen uit het feit dat de dienstverstrekker als overheid optreedt (zie hoger). Uit het feit alleen dat de geïntimeerde de door het hof gemaakte analyse zelf niet klaar en duidelijk gemaakt heeft, benadrukt dat de betwisting hier een principieel karakter heeft.

De vordering om de boete te ontheffen moet worden ingewilligd.

Het hoger beroep is in die mate gegrond.

5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen worden de kosten van de beide instanties ten laste van de appellant gelegd voor negen tienden en ten laste van de geïntimeerde voor een tiende.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (16/10/2023 voor de eerste aanleg en vandaag voor het hoger beroep). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro.

5.2.1. De rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg

Omdat in eerste aanleg slechts een partij een advocaat heeft, moet de partij zonder advocaat (de geïntimeerde), rechtsplegingsvergoeding betalen. De geïntimeerde moet maar een tiende van het gekozen bedrag betalen.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.750,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is aan de appellant als rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg een bedrag verschuldigd van 375,00 euro.

5.2.2. De rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep

Wanneer, zoals hier, de kosten verdeeld worden, moet aan elk van de partijen een rechtsplegingsvergoeding toegekend worden, maar worden de verschuldigde bedragen met elkaar verrekend en is alleen het saldo verschuldigd.

De toe te passen bedragen moeten verdeeld worden volgens de hoger vermelde verdeelsleutel (negen tienden ten laste van de appellant; een tiende ten laste van de geïntimeerde).

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.924,42 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellant is aan de geïntimeerde per saldo als rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep een bedrag verschuldigd van (3.531,98 - 392,44 =) 3.139,53 euro.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

het hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond;

het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond;

 zegt voor recht dat de appellant de boete (10%, zijnde voor een bedrag van 3.880,00 euro) die werd opgelegd in het proces-verbaal van 16 november 2020 en opgeëist werd met het betaalbericht 500/2344/21387 van 1 december 2020, niet verschuldigd is;

 de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van wat al teveel zou zijn betaald, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;

het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van negen tienden en de geïntimeerde tot het betalen van een tiende van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

 aan de kant van de appellant:

bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 EUR

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.750,00 EUR

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.924,42 EUR

 aan de kant van de geïntimeerde:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.924,42 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 16 september 2025.

Aanwezig:

D.V., kamervoorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., griffier

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 714-15-21/077043 Finaliti 54693463

Aangehaalde teksten

8

Vergelijkbare beslissingen

8