Recht op aftrek, Onroerend goed, Privégebruik -Visitatierecht, Bewijslast · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 22/2686/A 10 juni 2024

Zoeken

Recht op aftrek, Onroerend goed, Privégebruik -Visitatierecht, BewijslastBelasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Onroerend goed – Privégebruik –Visitatierecht – Bewijslast

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onroerend-goed-privegebruik-rechtbank-brugge-2024-06-10-d109

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Rolnummer
22/2686/A
Datum
10 juni 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

73 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 10.06.2024 (22/2686/A)

FIN 55343737-01

[ Gunstig vonnis ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Onroerend goed – Privégebruik –Visitatierecht – ¬ Bewijslast

Wettelijke bepalingen

Artikelen 45, § 1, 63, 70 § 1bis WBTW

Samenvatting van het vonnis

Eiseres in hoger beroep is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteiten van hoofdkantoren, de ontwikkeling van residentiële bouwprojecten alsook de bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed.

De administratie heeft een fiscale controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2019.

Eiseres in hoger beroep huurt sinds januari 2018, voor een periode van 10 jaar, een casco woning van haar bedrijfsleider en diens echtgenote. In dat onroerend goed heeft zij haar maatschappelijke zetel gevestigd. Er is betwisting ontstaan omtrent de aftrek van btw over de kosten met betrekking tot het onroerend goed.

Er werden twee processen-verbaal van regularisatie opgesteld waarbij de in aftrek gebrachte btw werd verworpen en waarbij een proportionele geldboete van 10% alsook nalatigheidsinteresten werden opgelegd.

Op 28 juni 2022 heeft eiseres in hoger beroep de administratie verzocht haar btw-situatie te herzien. Bij beslissing van 5 augustus 2022 heeft de administratie dit verzoek afgewezen.

Op 8 september 2022 heeft eiseres in hoger beroep de zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Op 21 oktober 2024 heeft eiseres in hoger beroep verzet aangetekend tegen dit vonnis.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 10.06.2024 (22/2686/A)

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 22/2686/A

cie1 (KBO: ...), met maatschappelijke zetel te ..., ...,

eisende partij,

voor wie optreedt meester HUBER WILLY, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 215 (ref.:

21.12755 - wh@revns-advocaten.com).

tegen :

de BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN (KBO: ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK 762, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt mevrouw J.D., attaché, (ref.: ...).

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding d.d. 8 september 2022.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in de openbare terechtzitting van 13 mei 2024.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer ..., voor de activiteit van hoofdkantoren. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 7 september 2020 wordt bij eiseres een controle gestart in het kader van de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2018 en 2019. Met een bericht van wijziging wordt gemeld dat voor de betreffende aanslagjaren niet voldoende is aangetoond dat het gehuurde onroerend goed gelegen te ..., ... beroepsmatig wordt gebruikt.

Op 17 december 2020 wordt een proces-verbaal opgemaakt inzake BTW betreffende de periode 1januari 2017 tot 31 december 2017. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres wegens het onterecht aftrekken van BTW verschuldigd is als BTW 112.855,42 EUR, als geldboete 11.280 EUR en intresten op het BTW-bedrag. M.b.t. de periode 1 januari 2018 tot 30 juni 2019 wordt op 21 oktober 2021 een regularisatieopgave opgesteld wegens onterecht aftrekken van BTW en verschuldigd is ais BTW 15.832,30 EUR, als geldboete 1.580 EUR en intresten op het BTW-bedrag. Eiseres verklaarde zich wat betreft de regularisatieopgave akkoord met het BTW-bedrag van 2.086,15 EUR. Op 8 november 2021 wordt een proces-verbaal opgesteld betreffende de periode 1 januari 2018 tot 30 juni 2019 wegens het onterecht aftrekken van BTW is verschuldigd als BTW 13.690,76 EUR, als geldboete 1.360 EUR en intresten op het BTW-bedrag.

Op 19 januari 2021 wordt een bezwaarschrift ingediend door eiseres voor de periode 1 januari 2017 tot 31 december 2017. Bij beslissing d.d. 13 juli 2021 wordt het bezwaar afgewezen.

Op 8 september 2022 gaat eiseres over tot dagvaarding.

2.Eiseres vraagt dat:

de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

voor recht wordt gezegd dat eiseres geen bedragen verschuldigd is voor de periode 1 januari 2017 tot 30 juni 2019 die meer bedragen dan 16.363,28 EUR als BTW, 1.840 EUR als geldboete en nalatigheidsintresten op het BTW-bedrag vanaf 21 juli 2019;

ondergeschikt en alvorens recht te doen bevolen wordt wat eiseres heeft gevorderd onder randnummer 28 van haar syntheseconclusie d.d. 8 januari 2024 (zijnde een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 7.500 EUR);

verweerders worden veroordeeld tot terugbetaling van de onterecht betaalde bedragen, te vermeerderen met moratoriumintresten vanaf 28 juni 2022;

verweerders worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding.

3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen (meer) aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Recht op aftrek

Conform artikel 45 §1,1° WBTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.

De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 WBTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.

Eiseres huurt een ongemeubelde woning gelegen te ..., .... De verhuurders zijn J.H. (zaakvoerder van eiseres) en K.S.. Volgens eiseres wordt het onroerend goed door haar volledig beroepsmatig gebruikt als kantoorruimte.

Op 7 september 2020 is er een controle ter plaatse geweest in het kader van de vennootschapsbelasting. De ambtenaar heeft de vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal van 11 september 2020. Hij heeft vastgesteld dat het onroerend goed is ingericht als luxueuze gezinswoning. Het is bemeubeld met tafels, stoelen, bijzettafels, salontafel, zetels, canapé, poef en tapijten. Er is een terras met zwembad, een uitgestrekt grasveld met buitensauna en een tuin. Er lagen kinderspullen in de zithoek en de keuken was rommelig. Er was een bewoonde slaapkamer (beslapen bed) met badkamer, kasten vol met kledij en een badkamer met allerhande badkamerspullen. Er werd meegedeeld dat de dochter van de zaakvoerder sedert juli 2020 tijdelijk haar intrek had genomen in enkele lokalen. De wasmachine stak vol met was.

Deze vaststellingen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel (zie artikel 340 WIB 1992). Het is op basis van deze vaststellingen dat inzake BTW de aftrek werd geweigerd.

Tijdens de BTW-controle, de behandeling van het bezwaar inzake BTW en de gerechtelijke procedure laat eiseres na een afdoende tegenbewijs te leveren ondanks herhaalde aanmaningen daartoe. Eiseres legt geen bewijs voor waaruit blijkt dat het betreffende onroerend goed wordt gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.

Eiseres verwijst enkel naar de akkoorden die op 28 februari en 4 mei 2022 werden afgesloten inzake de vennootschapsbelasting aanslagjaren 2018 en 2019.

Het akkoord betreffende aanslagjaar 2018 voegt 56.455,30 EUR toe aan de reserves als 'niet aanvaarde kosten onroerend goed Steenovendreef' en aan de verworpen uitgaven wordt toegevoegd restaurantkosten t.b.v. 3.394,21 EUR en receptiekosten t.b.v. 10.000 EUR x 50%. Uit het akkoord blijkt dat er besprekingen zijn geweest en er plaatsbezoeken zijn geweest op 4 en 17 februari 2022. Verder is genoteerd 'Partijen hebben zich laten inspireren door het gegeven dat, telkens in meer of mindere mate, kon vastgesteld worden dat — dan voor welbepaalde door reclamante gedragen onkosten (gashaard, badkamer, keuken, ...) betreft- deze ofwel eerder als kosten van onthaal en/of receptie dienden te worden gecatalogeerd ofwel (gelet op de bepaalde graad van afwerking) een eerder exuberant karakter hebben (en derhalve te verhalen zijn jegens haar zaakvoerder(s))'. Eiseres verbindt zich er toe om jaarlijks een bedrag van 10.000 EUR als receptiekost te beschouwen. Genoteerd werd 'Bij wijze van regeling omtrent voorliggend administratief contentieux heeft reclamante, in samenspraak met haar zaakvoerder(s), geoordeeld om (dan voor wat het eerder exuberante karakter van bepaalde investeringsfacturen betreft) verder nog een bedrag ad. 56.455,30 te verhalen op haar zaakvoerder(s))'.

Het akkoord betreffende aanslagjaar 2019 voegt 4.183,98 EUR toe aan de reserves als 'kosten i.v.m. zwembad' en aan de verworpen uitgaven wordt toegevoegd een niet aanvaarde kost publiciteit (500 EUR), een niet aanvaarde kost relatiegeschenken (2.376,07 EUR) en een niet aanvaarde receptiekost (10.000 EUR x 50%).

Uit deze akkoorden kan niet afgeleid worden dat het onroerend goed gelegen te ..., ... gebruikt wordt voor het verrichten van belastbare diensten conform artikel 45 §1, 1° WBTW. De belastbare handelingen in de zin van artikel 45 §1, 1° WBTW betreffen in hoofde van eiseres aangerekende bestuurdersvergoedingen, commissies en erelonen. Op basis van welke vaststellingen (die de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 11 september 2020 weerleggen) de akkoorden inzake vennootschapsbelasting zijn gesteund, is de rechtbank onbekend. De bewoordingen van de akkoorden zijn vaag en bevatten veel terughoudendheid (`partijen hebben zich laten inspireren', 'in meer of mindere mate', 'eerder als kosten van onthaal en/of receptie', `een eerder exuberant karakter', ' bij wijze van regeling omtrent voorliggend administratief contentieux').

De bepalingen wat betreft de aftrek van BTW, zijn niet identiek met de bepalingen wat betreft aftrek van beroepskosten inzake vennootschapsbelasting. Het is dan ook niet nuttig om de ambtenaar die het bezwaarschrift inzake de vennootschapsbelasting heeft behandeld, te verhoren.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.

Verweerders worden niet bijgestaan door een advocaat en hebben derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerders begroot op 00,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG TIEN JUNI TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG waar zitting hadden:

Lucienne De Peuter, rechter;

Jorina Teerlinçk, griffier.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 456 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8