Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen d.d. 06.10.2021
WF 707-15-20/044352
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek - emolumenten
Wettelijke bepalingen
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
Het geschil gaat over het recht op aftrek van de btw over emolumenten die werden aangerekend aan de belastingplichtige door diens bestuurder. De administratie is van mening dat de btw hierover ten onrechte in aftrek werd genomen. Aangezien hierover geen akkoord kon worden bereikt werd er een proces-verbaal opgesteld.
Hiertegen legde de belastingplichtige een verzoekschrift op tegenspraak neer bij de rechtbank van eerste aanleg.
2. Het vonnis in eerste aanleg
De belastingplichtige stelt dat de emolumenten enerzijds een vergoeding zijn voor de gewone taak van haar bestuurder en anderzijds voor taken buiten het bestuurdersmandaat en in het bijzonder de rol van haar bestuurder binnen een vastgoedproject.
De administratie is enerzijds van mening dat de belastingplichtige er niet in slaagt de echtheid van de aangerekende prestaties aan te tonen. Anderzijds stelt de administratie dat de belastingplichtige ook niet bewijst dat de aangerekende vergoedingen aangewend zijn voor of bestemd zijn voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek genereren.
De rechter stelt vast dat er geen overeenkomst tussen de belastingplichtige en haar bestuurder wordt voorgelegd. Daarnaast is de factuur niet gedetailleerd en bevat deze eveneens geen vermelding waarom de emolumenten werden toegekend. Er wordt eveneens geen toelichting gegeven in welke mate de factuur betrekking heeft op bestuurdersvergoedingen en in welke mate de factuur betrekking heeft op het vastgoedproject.
Verder is het volgens de rechtbank ook onduidelijk in welke hoedanigheid de vaste vertegenwoordiger van de bestuurder is tussengekomen in het vastgoedproject.
De rechter is van mening dat de overige stukken die werden bijgebracht door de belastingplichtige op geen enkele manier de beweerde prestaties van de bestuurder bewijzen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de belastingplichtige faalt om de werkelijkheid van de prestaties aan te tonen en dat de aftrek van de btw terecht werd verworpen.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4, 06-10-2021
Vonnis van 06/10/2021
Rol: 20/2308/A
Inzake:
Hoofdzaak
C. B. NV
met zetel te ..., KBO: 045...90
eiseres
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. V. B. M. advocaat met kantoor te ..., (…@... .be)
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO : 0308.357.159
verweerder
vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,
vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën, (kmo….@minfin.fed.be)
Gelet op de stukken in het dossier van de rechtspleging waaronder: Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 mei 2020;
De beschikking verleend overeenkomstig artikel 747§1 van het Gerechtelijk Wetboek op 11 september 2020;
- de syntheseconclusie namens eiseres, neergelegd ter griffie op 31 mei 2021;
- de syntheseconclusie namens verweerder, neergelegd ter griffie op 28 juni 2021;
- de stukken van partijen
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en conclusies, ter zitting van 8 september 2021.
1. Procedurele voorgaanden en vorderingen van partijen
De betwisting heeft betrekking op het btw innings-en invorderingsregister met schuldnummer 500...50.
Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd en in 2018 vond een fiscale controle plaats over de boekjaren 2015 en 2016. De btw-administratie stelt dat eiseres de btw over de emolumenten aangerekend door Nv L. P. V. ten onrechte in aftrek heeft genomen. Eiseres verklaart zich niet akkoord met deze zienswijze. Op 30 oktober 2019 wordt een proces verbaal opgesteld en op 10 december 2019 wordt de btw-vordering ingeschreven in het innings- en invorderingsregister.
De volgende bedragen worden van eiseres gevorderd: 29.400,00 euro btw
2.940,00 euro boete
te vermeerderen met interesten.
In het fiscaal verzoekschrift neergelegd namens eiseres ter griffie op 19 mei 2020 betwist zij de btw-vordering.
Eiseres verzoekt de rechtbank het innings- en invorderingsregister met nummer 201....L. P. V. van nul en generlei waarde te verklaren en eiseres te ontslaan van de gevorderde sommen met schuldnummer 500...50, in ondergeschikte orde de geldboete kwijt te schelden minstens substantieel te verminderen, in nog meer ondergeschikte orde uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete te verlenen en in uiterst ondergeschikte orde uitstel van betaling van de verschuldigde sommen te verlenen. Eiseres verzoekt tevens de terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke interesten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding. Ter terechtzitting vordert eiseres de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
De Belgische Staat verzoekt de rechtbank om de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.
2. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiseres ontvankelijk is.
3. Beoordeling
Btw in hoofdsom
De betwisting tussen partijen betreft de al dan niet aftrekbaarheid van de btw op de factuur uitgereikt door Nv L. P. V., bestuurder van eiseres, voor de periode juni 2016 tot en met december 2016 (stuk 5 van eiseres). De factuur bevat de volgende omschrijving: Emolumenten: 20.000 € x 7 maanden, 140.000 € + 29.400 € BTW.
Eiseres verwijst naar de benoeming van Nv L. P. V. als bestuurder, met vaste vertegenwoordiger Dhr. J. B., van eiseres op 16 juni 2014 en dit voor een periode van zes jaar (stuk 2 van eiseres). Eiseres stelt dat deze vergoedingen kaderen enerzijds in de gewone taak als bestuurder (bestuurdersvergoeding) en anderzijds voor taken buiten het bestuurdersmandaat en in het bijzonder de bijzondere rol van Nv L. P. V. binnen het vastgoedproject 'B. A.' te K.-H. . Volgens eiseres is het dankzij Nv L. P. V. dat eiseres een success fee heeft ontvangen van B. C. .
Volgens verweerder toont eiseres het bewijs van de echtheid van de door Nv L. P. V. aangerekende prestaties niet aan en toont eiseres niet aan dat de aangerekende vergoedingen aangewend zijn voor / bestemd zijn voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek genereren.
Artikel 45 W.BTW bepaalt de voorwaarden die vervuld dienen te zijn om het recht op aftrek uit te oefenen en de bewijslast ligt steeds bij de belastingplichtige.
Eiseres dient aan te tonen dat de kosten waarvan zij de aftrek vraagt, beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties (vergelijk Cass. 18 januari 2013, F.12.0025.N; Cass. 15 oktober 2015, F.14.0161.N).
Te dezen ligt geen overeenkomst tussen eiseres en Nv L. P. V. voor, is de factuur niet gedetailleerd en bevat zij geen vermelding waarom de emolumenten werden toegekend. Eiseres kan aldus geen enkele toelichting geven in welke mate de factuur betrekking heeft op bestuurdersvergoedingen en in welke mate de factuur betrekking heeft op het vastgoedproject.
Uit stuk 2 van eiseres blijkt dat Nv L. P. V., met als vast vertegenwoordiger dhr. J. B., en dhr. J. B. werden aangeduid als bestuurder, dhr. J. B. is tevens gedelegeerd bestuurder van eiseres. In welke hoedanigheid dhr. B. optrad in het kader van het vastgoedproject is volstrekt onduidelijk, als gedelegeerd bestuurder van eiseres, als vaste vertegenwoordiger van Nv L. P. V. binnen eiseres, als bestuurder van Nv L. P. V. (zie conclusie verweerder p. 3), als zaakvoerder van Bvba A. (Bvba V. M. - eigenaar van de grond van het project zie de kaderovereenkomst stuk 8 van eiseres), als zaakvoerder van Bvba B. C. (stuk 3 van eiseres),...
De stukken 9 en 10 van eiseres hebben betrekking op dhr. B. en tonen geenszins de werkelijkheid aan van beweerde prestaties door Nv L. P. V. . Stuk 7 van eiseres brengt evenmin duidelijkheid en dateert bovendien van 2021.
Stuk 8 van eiseres betreft de kaderovereenkomst d.d. 16 juli 2015 met verwijzing naar een project te K.-H. . Verder ligt er geen enkel stuk voor dat aantoont welke handelingen Nv L. P. V. effectief heeft gedaan voor eiseres in het kader van dit project, nochtans een groot vastgoedproject waarbij Nv L. P. V., volgens eiseres, diverse prestaties zou hebben geleverd, maar zonder dat daarvan enig concreet bewijs voorligt (zie stuk 8 van verweerder).
De rechtbank oordeelt dat eiseres faalt in haar bewijslast om de werkelijkheid van de prestaties aan te tonen en de belastingadministratie heeft de btw op de betwiste factuur terecht als aftrekbare btw verworpen.
Btw-boete
De btw-administratie heeft een boete van 10% opgelegd. Dat er sprake is van een vermeende buitensporige last voor eiseres, betreft een loutere bewering van de zijde van eiseres en wordt door niets onderbouwd.
De nalatigheidsinteresten zijn van toepassing wegens laattijdige betaling en worden niet beschouwd als een bestraffing (vergelijk Antwerpen, 30 juni 2020, stuk 13 van verweerder).
Wat betreft de aftrek van btw, betreft het een beoordeling over het al dan niet voldoen aan de bewijslast bij toepassing van artikel 45 W.BTW. Er is aan de betwisting dan ook geen principieel karakter verbonden.
Er ligt dan ook geen reden voor om, de alreeds tevoren herleide boete, nog verder te herleiden. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.
Tenslotte geeft eiseres niet de minste, laat staan valabele of onderbouwde, reden op waarom haar uitstel van boete zou kunnen worden toegekend.
Betreffende het verzoek tot uitstel van betaling
Evenmin wordt enige concrete reden gegeven waarom aan eiseres uitstel van betaling van de door haar verschuldigde sommen zou kunnen worden toegekend.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Dit vonnis werd uitgesproken op zes oktober tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.