Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge dd. 16.03.2026
WF 708-15-23/022384 - Finaliti 2867814201
[ Gunstig vonnis ]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Bewijslast
Wettelijke bepalingen
Artikelen 45, § 1 en 70 §1bis WBTW
Samenvatting van het vonnis
1. Feiten
Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de uitbating van een brasserie.
Naar aanleiding van een btw-controle voor de jaren 2017 en 2018 heeft de administratie inbreuken
vastgesteld op de btw-wetgeving inzake het recht op aftrek. Volgens de administratie heeft eiseres onterecht btw afgetrokken van vier inkomende facturen, opgesteld door een verbonden vennootschap van eiseres.
Er volgde een btw-navordering ten bedrage 22.050,00 EUR aan verschuldigde btw, een proportionele geldboete ten belope van 10%, meer intresten.
De btw-schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister dat op 2 maart 2023 uitvoerbaar werd verklaard.
Eiseres diende een administratief bezwaarschrift in. Bij administratieve beslissing van 24 oktober 2023 werd dit bezwaar integraal afgewezen. Eiseres stelde fiscaal verhaal in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 januari 2024.
2. Het vonnis
Conform artikel 45, §1, 1° WBTW heeft een btw-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.
De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45, §1 WBTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.
Volgens de rechtbank volstaat het enkele bezit van facturen niet om het recht op aftrek aan te tonen. Evenmin toont het bestaan van deze facturen afdoende aan dat de vermelde diensten daadwerkelijk werden uitgevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen enkel bewijs levert dat de op de facturen vermelde prestaties werkelijk werden verricht. De prestaties zijn niet gedetailleerd. De beweerde bewijzen werden zeer laattijdig bezorgd en herhaaldelijk aangepast. De rechtbank heeft de grootste twijfel betreffende de echtheid van de door eiseres bijgebrachte stukken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet afdoende bewijst dat de voorwaarden voor aftrek voldaan zijn. Bijgevolg oordeelt de rechtbank dat de btw ten onrechte werd afgetrokken. Volgens de rechtbank beantwoordt de opgelegde proportionele geldboete aan een juiste toepassing van de relevante wettelijke bepalingen op de vastgestelde feiten. De rechtbank oordeelt dat het opleggen van een boete in deze zaak verantwoord is en niet onevenredig is aan de vastgestelde inbreuk. De rechtbank ziet geen enkele reden om een kwijtschelding van de boete of uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen. De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Vonnis rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge dd. 16.03.2026 - 24/136/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak : 24/ 136/A
Hoofdzaak :
cie1 (KBO: ...), maatschappelijke zetel te ... ..., ...,
eisende partij,
hebbende ais raadslieden meester LAMOTE STIJN en meester VANDORPE SARAH, beiden advocaat
te 8501 KORTRIJK, Waterhoennest 67
tegen :
de BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN (KBO: ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum I<MO Brugge, met kantoor te 8200 Brugge, Koning Albert 1-laan 1-5, bus 3,
verwerende partij,
voor wie optreedt mevrouw K.V., adviseur (ref.: ...).
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 10 januari 2024.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord op de zitting van 16 februari 2026.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer ..., voor de activiteit van cafés en bars. Zij baat de brasserie cie1 gelegen te Nieuwpoort uit. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Na een controle bij eiseres, wordt op 17 januari 2023 een proces-verbaal opgesteld. Volgens de administratie heeft eiseres onterecht BTW afgetrokken en is zij verschuldigd als BTW 22.050 EUR, een proportionele geldboete van 10% en intresten op het BTW-bedrag. Op 27 februari 2023 wordt op basis van dit proces-verbaal de schuld met nummer 500266212533 opgenomen een innings- en invorderingsregister, welk uitvoerbaar wordt verklaard op 2 maart 2023.
Door eiseres wordt bezwaar ingediend op 17 april 2023. Dit bezwaar wordt afgewezen met beslissing d.d. 24 oktober 2023.
Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 januari 2024.
2.Eiseres vraagt dat:
de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
het proces-verbaal d.d. 17 januari 2023 en het innings- en invorderingsregister (schuldnummer 500266212533) uitvoerbaar verklaard op 2 maart 2023 worden vernietigd;
verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van de het vernietigde innings- en invorderingsregister werden geïnd, te vermeerderen met de moratoriumintresten;
verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand.
3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Recht op aftrek van de BTW
Conform artikel 45 §1,1° W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.
De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 W.BTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.
Om het recht van aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige tevens in bezit zijn van de wettelijk vereiste documenten (zoals o.a. facturen uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53 §2 en 53octies W.BTW).
De betwisting betreft 4 facturen opgesteld door de cie2 voor een bedrag van in totaal 105.000 EUR (BTW 22.050 EUR). De prestaties waarvoor gefactureerd wordt, worden omschreven met 'hulp en organisatie cie1'.
Het enkele bezit van facturen, bewijst niet afdoende het recht op aftrek. Het bestaan van de facturen bewijst niet afdoende dat de vermelde diensten werkelijk zijn uitgevoerd.
Uit de stukken blijkt het volgende.
B.B. en D.V.D. zijn de zaakvoerders van eiseres. De zaakvoerders van de cie2 waren tot 1 januari 2018 B.B., D.V.D. en J.E.. Vanaf 1 januari 2018 worden B.B. en D.V.D. vervangen door eiseres, met als vaste vertegenwoordiger D.V.D.. Eiseres en de cie2 zijn dus verbonden vennootschappen. De vennootschappen hebben hun maatschappelijke zetel op hetzelfde adres.
Eiseres en cie2 hebben een managementovereenkomst afgesloten met als datum 1 januari 2017. In deze overeenkomst is opgenomen dat de cie2 managementprestaties zal verrichten voor eiseres. De prestaties zullen worden verricht door J.E.. De cie2 zal maandelijks standpunten, beslissingen, verslagen, enz. rapporteren aan eiseres. De vergoeding is variabel.
De overeenkomst op zich bewijst geen geleverde prestaties. Maandelijkse beslissingen, verslagen, enz. aan eiseres, worden niet neergelegd.
Timesheets werden door eiseres pas bezorgd aan verweerder meer dan 5 maanden na de controle en meer dan 4 jaar na datum van de beweerde prestaties. De timesheets zijn vaag. Welke prestatie wordt geleverd wordt niet altijd vermeld. In 2017 en 2018 worden dezelfde uren gepresteerd. J.E. baat een pralinewinkel uit, maar volgens de timesheets zou hij elke dag nog 8 tot 10 presteren voor eiseres.
De betwiste 4 facturen die betrekking hebben op 2017 en 2018 werden ingeboekt op 1 januari 2019. De BTW op de facturen werd betaald aan de cie2. De maatstaf van heffing werd niet betaald maar in rekening-courant geboekt.
Pas op 5 september 2022 wordt een voorbeeldfactuur bezorgd aan verweerder. Deze factuur heeft als datum 1 januari 2019 en heeft geen factuurnummer. De periode van de geleverde diensten wordt niet vermeld. Op 7 oktober 2022 worden 4 facturen bezorgd aan verweerder. De facturen hebben geen factuurnummer. De periode van de geleverde diensten wordt niet vermeld. Op 17 oktober 2022 (na de correctieopgave) worden 4 nieuwe facturen bezorgd aan verweerder. De facturen hebben als datum 1 juli 2017, 1 januari 2018, 1 juli 2018 en 1 januari 2019. De factuurnummers beginnen steeds met 2019.
Op 28 november 2024 worden tijdens de gerechtelijke procedure jaarverslagen van eiseres neergelegd. De stukken hebben geen datum. Alhoewel de stukken de prestaties zouden bewijzen volgens eiseres, werden deze niet voorgelegd tijdens de controle of de bezwaarfase.
Door eiseres wordt tijdens de gerechtelijke procedure een verklaring van J.E. neergelegd.
Deze verklaring is van de zaakvoerder van de cie2 welke de prestaties beweerdelijk heeft verricht en waarvan eiseres ook zaakvoerder is. De rechtbank kan geen rekening houden met deze verklaring, gezien J.E. geen onafhankelijke partij is.
Eiseres legt geen enkel bewijs voor dat de op de facturen vermelde prestaties werkelijk werden verricht. De prestaties zijn niet gedetailleerd. Beweerde bewijzen werden zeer laattijdig bezorgd en herhaaldelijk aangepast. De rechtbank heeft de grootste twijfel betreffende echtheid van de door eiseres bijgebrachte stukken.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres niet afdoende bewijst dat de voorwaarden voor aftrek voldaan zijn. Zij bewijst niet dat de op de facturen vermelde diensten ook werkelijk werden geleverd aan eiseres.
2. Geldboete
Een geldboete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Uit niets blijkt dat eiseres eerst kwijtschelding of vermindering van de geldboete heeft gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Uit de dossier blijkt dat eiseres niet afdoende bewijst dat diensten die worden vermeld op de facturen van de cie2 ook werkelijk werden gepresteerd. De BTW werd ten onrechte afgetrokken.
De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.
De rechtbank ziet geen enkele reden om een kwijtschelding of uitstel te verlenen.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, dient zij in te staan voor de kosten van het geding.
Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-
Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag zestien maart tweeduizend zesentwintig waar zitting hadden:
Lucienne De Peuter, rechter
Jorina Teerlinck, griffier
Nota van de FOD Financiën
Referentie WF
WF 708-15-23/022384 - Finaliti 2867814201
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.