Recht op aftrek, Bewijslast, recht op aftrek van Btw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 2 februari 2026

Zoeken

Recht op aftrek, Bewijslast, recht op aftrek van Btw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-btw-rechtbank-brugge-2026-02-73bc

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
2 februari 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

80 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 02.02.2026

WF 714-15-22/012297 - Finaliti 54784244/01 en 54784244/02

[ Gunstig vonnis ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Bewijslast

Wettelijke bepalingen

Art. 45, §1 WBTW

Samenvatting van het vonnis

1. Feiten

Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders. In de jaren 2018 en 2019 had eiseres diverse landbouwwerktuigen aangekocht en de btw volledig in aftrek gebracht.

Naar aanleiding van een btw-controle stelde de administratie inbreuken vast op de aftrekregeling inzake btw. De administratie stelde dat een eventueel beroepsgebruik van deze landbouwwerktuigen in het kader van de economische activiteit van eiseres niet op ernstige wijze kon worden vastgesteld.

Er werden twee processen-verbaal inzake btw opgemaakt.

Eiseres diende een administratief bezwaarschrift in. Bij beslissing van 17 juli 2022 werd dit bezwaar integraal afgewezen.

Aangezien eiseres hiermee niet akkoord ging, stelde zij een vordering in rechte in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 13 januari 2023.

2. Het vonnis

Het recht op aftrek kan slechts worden uitgeoefend wanneer degene die de btw-aftrek vraagt, heeft aangetoond dat aan de voorwaarden om van die aftrek te genieten werd voldaan. De bewijslast rust op degene die een recht op aftrek wil uitoefenen, in dit geval eiseres.

De rechtbank merkt op dat op hetzelfde adres als eiseres meerdere btw-belastingplichtigen (zonder recht op aftrek) geregistreerd zijn. Zo is de zoon van de zaakvoerder van eiseres daar sedert 2012 actief onder de forfaitaire landbouwregeling voor hopteelt. Daarnaast werd op 1 januari 2019 op hetzelfde adres een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid opgericht door de zoon en de zaakvoerder van eiseres, eveneens onder de forfaitaire landbouwregeling, met activiteiten in specerij-, aromatische en medicinale gewassen.

Eiseres draagt de bewijslast om aan te tonen dat de aangekochte goederen voor haar eigen economische activiteit werden gebruikt.

Eiseres stelt dat de landbouwwerktuigen bestemd waren voor de aanplant, kweek en teelt van ‘aroma’ hopvariëteiten. Zij toont evenwel niet aan dat zij in 2018 of 2019 hopplanten voor de teelt heeft aangekocht, noch dat zij in die jaren hop van eigen teelt heeft verkocht.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres faalt in haar bewijslast en wijst de vordering af als ongegrond.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis rechtbank eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge dd. 02/02/2026

23/2968/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 23/ 2968/A

Hoofdzaak :

cie1 (KBO: ...), maatschappelijke zetel te ... ..., ...,

eisende partij,

hebbende als raadsman meester SOETAERT FILIP, advocaat te 8500 KORTRIJK, Spinnerijstraat 101

bus 22B (ref.: fsoetaert@kpmglaw.be).

tegen :

cie2 (KBO: ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te ... ..., ..., handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, ... van het ..., met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt D.J., attaché (ref.: ...).

1. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 25 oktober 2023.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in de openbare terechtzitting van 5 januari 2026.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer ..., voor de activiteit van groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders, algemeen assortiment. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 6 juni 2021 wordt bij eiseres een controle gestart wat betreft de jaren 2018 en 2019.

Op 23 december 2021 worden processen-verbaal opgemaakt inzake BTW betreffende de jaren 2018 en 2019. In de processen-verbaal is opgenomen dat eiseres wegens het onterecht aftrekken van BTW verschuldigd is als BTW 54.740,37 EUR, als geldboete 5.470,00 EUR en intresten op het BTW-bedrag.

De fiscale schulden worden opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 28 december 2021, uitvoerbaar verklaard op 29 december 2021 (schuldnummer ...) en in het innings- en invorderingsregister op 7 februari 2022, uitvoerbaar verklaard op 10 februari 2022 (schuldnummer ...).

Op 18 februari 2022 wordt een bezwaarschrift ingediend door eiseres. Bij beslissing d.d. 17 juli 2022 wordt het bezwaar afgewezen.

Op 13 januari 2023 wordt door eiseres een verzoekschrift neergelegd.

2.Eiseres vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- de schulden opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 28 december 2021 en 7 februari 2022 (schuldnummers ... en ...) worden vernietigd, minstens ongegrond worden verklaard

- verweerders worden veroordeeld tot terugbetaling van de onterecht betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met moratoriumintresten;

- verweerders worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Recht op aftrek

Conform artikel 45 §1,1° WBTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.

De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 WBTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.

Niet betwist wordt dat eiseres als activiteit heeft o.a. groothandel in hoppe en hoppepellets.

Gelet op het feit dat eiseres ingeschreven is voor de activiteit van groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders, waaronder dus hoppe, zijn er vragen over de aankoop en gebruik van diverse landbouwmachines en goederen.

Eiseres heeft in 2018 aangekocht een Reden lade wagen, Guy cable wire, houten palen en Rankenlader met toebehoren. In 2019 heeft eiseres aangekocht 2 hoppe schijveneggen, wijnstolhakselaar, Fendt tractor, John Deere tractor en kraan Wackler. De BTW die werd betaald bij aankoop van deze goederen werd door eiseres afgetrokken. De BTW wat betreft de 2 tractoren wordt door verweerder aanvaard voor 5% omdat deze soms gebruikt worden voor het transport van hoppe van leveranciers en naar klanten.

Volgens eiseres worden de goederen gebruikt in het kader van de activiteit van het planten, kweken en telen van 'aroma' hoppevariëteiten.

Eiseres bewijst deze activiteit evenwel niet voor de jaren 2018 en 2019. Eiseres bewijst niet dat zij hoppeplanten voor de teelt aankocht in 2018 of 2019, noch dat zij hoppe van eigenteelt verkocht in de jaren 2018 en 2019.

Bij een controle in 2023 werd wel aanvaard dat eiseres in 2020 en 2021 een activiteit van hoppeteelt had. Dit bewijst evenwel niet dat dit ook zo was in 2018 en 2019.

Niet onbelangrijk is dat H.L., zijnde de zoon van de zaakvoerder van eiseres, op hetzelfde adres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder de forfaitaire landbouwregeling voor de activiteit van teelt van granen, peulgewassen en oliehoudende zaden, meer bepaald hoppeteelt en dit sedert 2012. Op 1 januari 2019 werd een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid opgericht door H.L. en zijn vader op hetzelfde adres. Deze vereniging is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder de forfaitaire landbouwregeling voor de activiteit van specerijgewassen en van aromatische en medicinale gewassen.

Gelet op de activiteiten van andere BTW-belastingplichtigen (zonder recht op aftrek) op hetzelfde adres, is het voor eiseres belangrijk dat zij kan bewijzen dat de aangekochte goederen door haar worden gebruikt voor haar economische activiteit. Eiseres faalt in haar bewijslast.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1 lid GerW de gerechtskosten dragen.

Verweerders worden niet bijgestaan door een advocaat en hebben derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerders begroot op 00,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag twee februari tweeduizend zesentwintig waar zitting hadden:

Lucienne De Peuter, rechter;

Jorina Teerlinck, griffier.

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 714-15-22/012297 - Finaliti 54784244/01 en 54784244/02

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 454 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8