Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 06.11.1995
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zes november negentienhonderd vijfennegentig, in openbare zitting van de zestiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
I. V. O., enig rechter,
R. D., griffier.
In zake : AR.98.408
A. M., echtgenote B. P., wonende te …, …
eiseres,
verschijnend bij Meester B. C. loco Meester V. D., advocaat te …, …
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen 2, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4
verweerder,
verschijnend bij Meester A. V. L. d.·J., advocaat te …, …
De vordering strekt er in hoofdzaak toe, verweerder te horen veroordelen tot intrekking van het aan eiseres betekende dwangbevel van 18 november 1994 en eiser te horen ontslaan van de daarbij van haar gevorderde sommen.
Eiseres bracht bij haar BTW-aangiften in de loop van het jaar 1990 sommen in mindering voor een totaal bedrag van 129.965 Fr. die als door haar aan de leverancier verschuldigde BTW. vermeld stonden op beweerde inkomende facturen van zekere C. C. & S. S. (zonder opgave van vennootschapsvorm).
Het BTW-nummer dat deze facturen vermeldden, bleek niet te bestaan. Anderzijds bestaat er ook geen BTW-nummer op naam van een firma met de naam C. C. & S. S.. Op het opgegeven adres is ze onbekend. Het handelsregisternummer hoort toe aan iemand anders die al in 1973 - zowat 10 jaar voor het begin van het computertijdvak - zijn handel stopzette.
Een en ander bleek naar aanleiding van een controle, uitgevoerd op 18 november 1991.
Zich baserend op de onregelmatigheid van deze facturen maakt verweerder aanspraak op de terugbetaling van de ten onrechte afgetrokken BTW (art. 45 van het BTW-wetboek, samen gelezen met art. 3, § 1 van het KB nr. 3 van 10 december 1969 - inmiddels afgeschaft doch op het onderzochte tijdstip nog in voege - en art. 2 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969).
Tevens spreekt hij eiseres aan in betaling van de BTW op de handelingen waarbij ze de goederen, voorwerp van de onregelmatige facturen, aankocht, en dit op grond van het oude art. 53, § 1 van het BTW-wetboek, wegens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de medecontractant van de leverancier tot voldoening van de belasting wanneer de factuur niet werd uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat.
Eiseres houdt vooreerst voor dat het dwangbevel nietig is wegens onvoldoende motivering. Zij betwist verder zowel de verwerping van de aftrek als de toepasbaarheid van art. 53, § 1 en vecht tenslotte de gezamenlijke toepassing van deze beide regels aan.
A. Vernietiging van het dwangbevel wegens onduidelijkheid van de motivering
Terecht houdt eiseres voor dat de BTW-navordering gemotiveerd moet zijn teneinde de belastingplichtige toe te laten zich erop te verweren.
Het dwangbevel beroept zich, wat zijn gronden betreft, op een bijgevoegd afschrift van een proces-verbaal van 4 juli 1994.
Dit proces-verbaal, dat eiseres aldus samen met het dwangbevel ter kennis gebracht werd, bevatte de zienswijze van de administratie over de samenloop tussen enerzijds de verworpen aftrek, anderzijds de solidaire gehoudenheid tot de BTW die de leverancier had moeten voldoen, evenals de samenstelling van de gevorderde sommen, de onregelmatigheden waarmee de facturen behept zijn.
Door naar deze bijgevoegde gegevens te verwijzen heeft het dwangbevel voldaan aan de wettelijke vereiste van motivering.
Deze motivering laat toe, te onderzoeken of de door verweerder gevolgde redenering op wettige redenen steunt en op een correcte manier redeneert.
Daarbij is het niet nodig dat uit deze motivering zou blijken welk standpunt de administratie inneemt tegenover vraagstukken waarvan het antwoord niet relevant is voor de getroffen beslissing.
Of de administratie al dan niet gelooft in de realiteit van de litigieuze leveringen is irrelevant zolang de te nemen beslissing dezelfde was in het geval de goederen effectief geleverd werden als wanneer ze dat niet waren.
Eiseres mag, onder het mom van haar rechten van verdediging, niet verwachten dat verweerder een deel zou overnemen van de bewijslast die in de respectieve gevallen op haar rust, door van meet af aan in den blinde één der mogelijkheden uit te sluiten.
B. Ten gronde
1. Afwijzing van de aftrek - art. 45 van het BTW-wetboek
Krachtens art. 2 van het KB nr. 1 moeten op de factuur voorkomen :
“ 1° …
2° de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige en het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel; de naam van de van zijn mede contractant of diens adres, het registratienummer ... dat de belastingplichtige is toegekend voor de toepassing van de BTW, alsmede zijn handelsregisternummer ….
3° …
Ten onrechte meent eiseres dat deze bepaling niet vereist dat het juiste adres, het juiste BTW-nummer enzovoort dienen vermeld te zijn.
Met "het adres van de administratieve of maatschappelijke zetel" van de belastingplichtige kan onmogelijk gelijkgesteld worden een willekeurige als schijnbare - doch in werkelijkheid niet bestaande - straatnaam, aangevuld met een willekeurig getal en de naam van een gemeente. Evenmin voldoet elke willekeurige benaming aan de omschrijving "de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige".
Ook indien net beginsel van de goede trouw zich ertegen zou verzetten dat de positiefrechtelijke regel van art. 2, § 1 van het KB nr. 3 toegepast wordt bij elke onnauwkeurigheid, ongeacht of deze afbreuk doet aan verweerders mogelijkheden tot controle, dient vastgesteld dat in casu geen sprake kan zijn van zulke correctie, nu alle factuurgegevens in verband met de identiteit van de leverancier uit de lucht gegrepen blijken te zijn. De waarschuwingen van zowel het Europees Hof als de rechtsleer en verweerder zelf strekken ze slechts toe, de toepassing van de onderzochte regel te beperken tot de gevallen waarin de ontbrekende gegevens van belang zouden zijn om de BTW-administratie toe te laten haar controle uit te oefenen.
Ten onrechte houdt eiseres voor dat "de aanwezigheid van alle vermeldingen op de factuur het de BTW-administratie mogelijk maakt haar controles uit te oefenen". Nu de factuur geen enkel gegeven bevat dat toelaat de leverancier te identificeren en eiseres daartoe ook geen nuttige gegevens kan of wil verstrekken, laat ook de eventuele goede trouw van eiseres niet toe af te wijken van de gestelde regel.
Evenmin kan eiseres zich op overmacht beroepen. Het enkele feit dat de factuurgegevens foutief blijken te zijn, maakt immers nog geen overmacht uit. Zelfs indien eiseres werkelijk de identiteit van haar medecontractant niet kende, is dit niet noodzakelijk overmacht: dit is slechts het geval als ze die ook niet kon kennen.
Daarbij mocht van haar, precies omwille van een positiefrechtelijke bepalingen van art. 53, § 1 en art. 3 van het KB nr. 1 die beogen de afnemer een zekere verantwoordelijkheid op te leggen voor de aan hem gerichte facturen, enig initiatief verwacht worden.
Als ze enig initiatief genomen had in de loop van de commerciële relatie dan had ze zeker ontdekt dat de factuurvermeldingen onjuist waren.
Het is immers absoluut ongeloofwaardig dat eiseres, die blijkens de ingeroepen facturen maandenlang gehandeld heeft met de leverancier - hoewel ze alle van hem afkomstige facturen na elkaar inboekte - in deze periode niet kon ontdekken dat het adres waar ze hem zogezegd kon bereiken, niet bestond. Hoe kon de leverancier bijvoorbeeld overgaan tot terugname en creditering van de gefactureerde, naar beweerd geleverde en contant betaalde Netware Novell (97.5DO Fr. - zie stuk 1 in het bundel van eiseres) als eiseres hem er niet kon van verwittigen dat hij dit goed moest terugnemen ?
Terecht stelt verweerder dan ook dat deze documenten geen rechtsgeldige titel kunnen vormen voor de uitoefening van de aftrek.
2. Hoofdelijke gehoudenheid op grond van art. 53, § 1
Krachtens het voormalige artikel 53, § 1 is de mede contractant van de leverancier ... hoofdelijk met deze laatste gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur ... onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van - onder andere - de naam en het adres van de bij de handeling betrokken partijen.
Het spreekt vanzelf dat deze bepaling slechts toepasselijk kan zijn wanneer het gaat om een werkelijke factuur, betrekking hebbend op een werkelijke levering. In het geval van fictieve facturen kan er immers ook geen sprake zijn van een contract, en bijgevolg ook niet van een medecontractant noch van hoofdelijke gehoudenheid van deze medecontractant.
In casu houdt eiseres zelf voor dat het om reële leveringen gaat en zijn er geen redenen om aan de waarheid hiervan te twijfelen nu het overgrote deel der goederen zich nog in haar bezit blijkt te bevinden.
Dat de vermeldingen van de factuur onjuist zijn ten aanzien van de naam en het adres van de leverancier, kan onmogelijk betwist worden.
Om dezelfde redenen als hierboven vermeld kan eiseres zich in casu niet beroepen op goede trouw of overmacht om de werking van art. 53, § 1 te vermijden.
Dit artikel is dan ook ongetwijfeld toepasbaar op de onderhavige situatie.
3. Combinatie van de verwerping van de aftrek en toepassing van art. 53, § 1
De grondidee van de BTW-wetgeving is - zoals ook verweerster erkent in haar besluiten -dat op de waarde van elk product of geproduceerde dienst een eenmalige verbruiksbelasting geheven wordt. Vermits deze uiteindelijk volledig ten laste dient te komen van de eindverbruiker, is in beginsel de BTW-heffing in hoofde van de diverse tussenpersonen neutraal.
Om deze grondidee te realiseren worden diverse mechanismen voorzien in het wetboek.
De normale gang van zaken is dat elke schakel in de productie- of distributieketen tegenover de staat instaat voor de voldoening van dat gedeelte der belasting dat correspondeert met de door hem gecreëerde meerwaarde. Dit wordt bereikt door bij elke schakel de belasting te heffen op zijn volledige aan de BTW onderworpen omzet, verminderd met de BTW die geheven werd op de aan hemzelf geleverde goederen en diensten - en die bijgevolg moet geïnd worden bij zijn leverancier.
Ten einde te vermijden dat hij zijn eigen betalingsverplichting vermindert met bedragen die niet bij zijn leverancier geheven kunnen worden, wordt de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk gesteld van de vereiste dat een regelmatige factuur wordt voorgelegd.
Evenzo wordt de afnemer hoofdelijk medeaansprakelijk geacht voor de door zijn leverancier aangerekende BTW indien deze leverancier niet geïdentificeerd kan worden.
Deze drie verschillende technieken streven echter slechts één doel na, namelijk de integrale inning van de op het eindproduct verschuldigde belasting. Het neutraliteitsprincipe en de systematiek van het hele BTW-stelsel verzetten zich ertegen dat uit hoofde van verschuldigde belastingen meer geïnd wordt dan voor de verwezenlijking van dit doel nodig is.
Zo volgt uit het hoofdelijk karakter van de verplichting ex art. 53, § 1 dat, indien hoe dan ook zou blijken dat de leverancier zelf de BTW betaald heeft, de afnemer bevrijd is.
Zo vervalt de hoofdelijke gehoudenheid van de afnemer zelfs op het ogenblik dat hij aan de administratie de nodige gegevens verschaft om zijn leverancier te identificeren.
Nu het vaststaat dat, mits de naleving door eiseres van haar verplichtingen uit art. 53, § 1, alle tot op dat ogenblik verschuldigde BTW vereffend is terwijl ze ofwel de goederen nog steeds onder zich heeft, ofwel het bewijs levert dat ze aan de latere verkrijgers de volledige BTW heeft doorberekend, vervalt de ratio legis voor een gelijktijdige verwerping van de aftrek. (De vraag naar het bewijs van de realiteit der leveringen komt hierbij niet ter sprake, nu hierboven aangetoond werd dat er slechts samenloop zou kunnen zijn indien er werkelijk leveringen geweest zijn. Dat de op de factuur vermelde goederen in het bedrijf van eiseres gebruikt werden voor het verrichten van belaste handelingen kan moeilijk betwijfeld worden.) Anderzijds vervalt de ratio legis voor de toepassing van art. 53, § 1 op het ogenblik dat eiseres, na verwerping van de aftrek, rechtstreeks in handen van verweerster alle BTW voldoet waarop deze had kunnen aanspraak maken.
De rechtsleer verwerpt dan ook terecht de gelijktijdige toepassing van de beide regels (Fiscale documentatie Vandewinckele, art. 53 oud /2/8; Vandebergh H. BTW-handboek 1993, nr. 599). De administratie heeft de mogelijkheid ofwel de aftrek te verwerpen, ofwel de hoofdelijke aansprakelijkheid in te roepen, maar dient hiertussen een keuze te maken.
Het is niet aan de rechtbank zich in de plaats van de administratie te stellen voor de uitoefening van deze keuze.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, zetelend in eerste aanleg en recht doende op tegenspraak,
alle verdere of strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de eis ontvankelijk en in de volgende mate gegrond;
Verklaart het dwangbevel reg. 127/225/94, uitgevaardigd op 18 november 1994 door de Heer Ontvanger J., van nul en generlei waarde in zoverre het gelijktijdig de aftrek der betwiste facturen verwerpt en toepassing maakt van art. 53, § 1 van het BTW-wetboek, en in zoverre het de boete berekent op de ingevolge beide maatregelen verschuldigde bedragen;
beveelt verweerder het genoemde dwangbevel in deze zin aan te passen;
Wijst het meergevorderde af.
Veroordeelt elke partij tot de helft der kosten van het geding, deze tot op heden begroot in hoofde van eiseres op :
dagvaarding : 2.594 Fr.
Compenseert de rechtsplegingsvergoedingen.
Doorhaling goedgekeurd van … regel (s') en … woord(en).
R. D. I. V. O.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.