Recht op aftrek van belasting, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 1 oktober 1999

Zoeken

Recht op aftrek van belasting, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-strafbepaling-administratieve-rechtbank-turnhout-1999-10-01-3259

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
1 oktober 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

100 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Turnhout d.d. 01.10.1999

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

VONNIS gewezen en uitgesproken in het Gerechtsgebouw “Het Kasteel” te Turnhout op VRIJDAG, 1 OKTOBER NEGENTIENHONDERD NEGENENNEGENTIG, in openbare zitting van de Tiende Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het arrondissement Turnhout, alwaar zetelden :

G. R., Enig Rechter.

J. B., griffier.

Inzake van :

H. C., handeldrijvende onder de benaming CH T. C.­NY, wonende en gehuisvest te …, …, ingeschreven in het H.R. te Turnhout onder nummer …;

- aanlegger in verzet; ter zitting vertegenwoordigd door Mr. H. D., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, gevestigd te Turnhout, Harmoniestraat 20;

- verweerder in verzet; ter zitting vertegenwoordigd door Mr. T. R. loco Mr. J. V. R., advocaat te …, …;

Gezien het vonnis dezer Rechtbank de dato 4.12.1998 waarbij het verzet ontvankelijk werd verklaard en de heropening der debatten werd bevolen ten einde partijen toe te laten voor te leggen :

- de schriftelijk verstrekte inlichtingen van de FIOD dd. 21.6.1993,

- het verzoek vanwege de Belgische Administratie tot het bekomen van voormelde inlichtingen.

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies, bij monde van hun raadslieden, ter openbare zitting van 3.9.1999.

Recht op aftrek.

De Administratie stelt dat de belastingplichtige BTW verschuldigd is voor een bedrag van … fr., uit hoofde van ten onrechte verrichte aftrekken van BTW.

De bewijslast wordt bepaald door de al dan niet regelmatigheid van de facturen :

Indien de facturen regelmatig zijn naar de vorm, behoort het aan de Administratie het bewijs te leveren van de onrechtmatigheid van de aftrek, waartoe zij gebruik kan maken van :

- het Proces-Verbaal van vaststelling,

- alle bewijsmiddelen van gemeen recht.

Indien de facturen onregelmatig zijn naar de vorm, valt de bewijslast van de rechtmatigheid van de aftrek aan de belastingplichtige.

Vooreerst dient dan ook vastgesteld aan wie in casu de bewijslast komt, vooraleer de voorgelegde bewijsmiddelen worden beoordeeld.

Het KB nr. 3, in uitvoering van art. 49, 2° W. BTW, stelt vast aan welke formaliteiten facturen dienen te voldoen om als bewijs en rechtvaardiging voor de gedane aftrek te kunnen worden aangewend.

Aanlegger op verzet betwist dat de door hem voorgelegde facturen niet zouden voldoen aan de vormvoorwaarden van voornoemd KB nr. 3 en wijst er tevens op dat, bij eerdere controles, door de diensten van de BTW-controle, gelijkaardige inkomende facturen werden aanvaard, waarna hij zich beroept op een rechtmatig vertrouwen dat alzo door de Administratie zou zijn geschapen dat dergelijke facturen in aanmerking kwamen voor de aftrekregeling.

Verweerster op verzet heeft hieromtrent geen standpunt ingenomen.

Het wordt niet betwist dat de betwiste facturen, in strijd met de reglementering terzake, geen datum van levering vermelden.

Zulks is van belang opdat de opeisbaarheid van de belasting, verbonden aan de belastbare handeling zelf, kan worden bepaald.

Aanlegger op verzet stelt voorop dat de datum van facturatie gelijk is aan de datum van levering, en daarom de vermelding van de leveringsdatum overbodig was.

De verplichte vermelding op de facturen beogen een volledige controle van de realiteit van de belastbare handeling mogelijk te maken.

Daarbij dient vastgesteld te worden dat, bij het niet-vermelden van de datum van levering, alleszins onduidelijkheid wordt gecreëerd omtrent de uitvoering van de belastbare handeling, hetgeen, op zijn minst, de controle bemoeilijkt, wanneer de daaraan verbonden handelingen van in-en/of uitvoer evenmin gedateerd zijn.

Zelfs al wordt aangenomen dat de datum van levering gelijk is aan de factuurdatum, is de vermelding van de datum van levering noodzakelijk voor de controle op de correcte toepassing van de BTW-wetgeving.

Indien deze vermelding ontbreekt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de factuur regelmatig is.

(cfr. Cass. 7.6.1996, Fiscale Koerier, 96/569)

Het behoort de belastingplichtige het bewijs te leveren dat de Administratie in het verleden de aftrek toch heeft aanvaard, ondanks het feit dat dezelfde vermeldingen op bepaalde facturen ontbraken, opdat er sprake zou kunnen zijn van schending van het rechtmatig gewekt vertrouwen van de rechtsonderhorige en van het billijkheidsbeginsel.

Aanlegger op verzet verwierf slechts de hoedanigheid van belastingplichtige op 1.10.1988.

Er wordt verwezen naar twee correctieopgaves van respectievelijk 30.5.1989 en 1.7.1992, waarbij geen opmerkingen zouden zijn gemaakt omtrent het ontbreken van de leveringsdatum op inkomende facturen.

Bij lezing van bedoelde stukken, valt op dat, voor de eerste correctieopgave, uitdrukkelijk vermeld wordt dat het een beperkte BTW-controle betrof en, voor de tweede correctieopgave, dat deze slechts gedeeltelijk was.

De controles, welke hebben aanleiding gegeven tot het thans betwiste dwangbevel, betroffen trouwens de periode vanaf 1.10.1988, aanvang van de belastingplichtigheid van de betrokkene, waarvoor enkel beperkte controles waren uitgevoerd.

In casu kan dan ook niet gesteld worden dat, uit de houding van de Administratie kan worden afgeleid dat zij het gebruik van facturen met niet-vermelding van de leveringsdatum zou hebben aanvaard.

De Rechtbank stelt daarop vast dat de betwiste facturen niet de door de BTW-reglementering vereiste vermeldingen bevatten en daardoor onregelmatig zijn.

Bij onregelmatigheid van de facturen, vervalt niet het recht op aftrek, gezien dit verbonden is aan de handeling zelf: doch komt de bewijslast terecht bij de belastingplichtige :

deze dient aan te tonen dat de handeling, waarop de aftrek gesteund is, effectief heeft plaats gehad.

Het voorleggen van de factuur volstaat daartoe niet meer.

(cfr. Rb Kortrijk, 13.5.1991, Fiscale Koerier, 1991, 468-470 en Rb Kortrijk 2.9.1991, Fiscale Koerier, 1991, 545-547)

Facturen BVBA De Heide.

Er worden geen bewijzen van betaling voorgelegd, noch van bestellingen of orderbevestigingen, noch vervoerfacturen i.v.m. de verhandeling van de betrokken goederen, na aankoop door de belastingplichtige.

Aanlegger op verzet legt, behalve de betwiste facturen, geen enkel stavingstuk neer ten bewijze van de echtheid van de handeling.

Hij bewijst dan ook niet zijn recht op aftrek.

Facturen BVBA ABC E..

M.b.t. de facturen, ingeschreven onder nrs. 445/90 en 446/90, worden bewijzen voorgelegd van overschrijvingen op de bankrekening, voorkomend op de facturen voor bedragen, met voormelde facturen corresponderend.

Anderzijds is de herkomst van de goederen onbekend: aanlegger op verzet beperkt zich tot de verklaring dat "de goederen" zich bevonden in een loods in de Antwerpse haven en door hem werden aangekocht om in zijn bedrijf te worden verwerkt ofwel verkocht te worden aan de BV A. of BV H..

Er wordt geen enkele factuur voorgelegd van vervoer of verkoop van de materialen na verwerking noch van de facturen, of vervoer aan de BV A. of BV H..

Aanlegger op verzet legt evenmin betalingsbewijzen van de betrokken klanten voor.

Bij gebrek aan bijkomende stukken dient de Rechtbank vast te stellen dat aanlegger op verzet in gebreke blijft zijn recht op aftrek te staven.

Voor de overige facturen BVBA ABC E. wordt niet het bewijs van betaling geleverd :

de opneming van contanten voor bedragen, die de factuurbedragen benaderen, zonder verdere gegevens, kan bezwaarlijk als afdoend bewijs van betaling beschouwd worden.

Ook de enkele vermelding op het bankrekeninguittreksel "betaling met cheque" volstaat niet, waar de identiteit van de ontvanger niet gekend is. terwijl aanlegger op verzet, door het opvragen van de desbetreffende stukken bij de bank, in de mogelijkheid verkeert aan te tonen wie de cheque geïnd heeft.

Bij gebreke aan bijkomende stukken, dient de Rechtbank ook hier vast te stellen dat aanlegger op verzet in gebreke blijft zijn recht op aftrek te staven.

Facturen BVBA CTD.

Er worden geen bewijzen van betaling voorgelegd, noch van bestellingen of orderbevestigingen, noch vervoerfacturen i.v.m. de verhandeling van de betrokken goederen, na aankoop door de belastingplichtige.

Aanlegger op verzet legt, behalve de betwiste facturen, geen enkel stavingstuk neer ten bewijze van de echtheid van de handeling.

Hij bewijst dan ook niet zijn recht op aftrek.

Facturen M. H.

Voor de factuur dd. 31.3.1992, ingeschreven onder nr. 202, wordt copie voorgelegd van een bankrekeninguittreksel met de debitering van de rekening door betaling van een cheque ter waarde van een bedrag, overeenstemmend met de gefactureerde som. De ontvanger van de cheque is niet bekend niettegenstaande aanlegger op verzet, door het opvragen van de desbetreffende stukken bij de bank, in de mogelijkheid verkeert aan te tonen wie de cheque geïnd heeft.

Waar geen bijkomende stukken worden voorgelegd bewijst aanlegger op verzet zijn recht op aftrek niet.

Facturen SPRL M. I..

De facturen, ingeschreven onder nrs. 3/91, 101/91, 102/91, 134/91, 104/91 en 105/91 werden afgetekend voor voldaan en zijn vergezeld van een bankrekeninguittreksel, waaruit de opneming in contanten voor een nagenoeg corresponderend bedrag blijkt.

Op zich volstaat dit niet om de echtheid van de handeling aan te tonen :

aanlegger op verzet verschaft geen enkele inlichting omtrent de herkomst van de goederen noch van de bestemming, welke hij er zelf aan gegeven heeft.

Bij gebreke aan bijkomende documenten stelt de Rechtbank vast dat aanlegger op verzet in gebreke blijft zijn recht op aftrek te bewijzen.

Geldboete.

De fiscale sanctie, zoals voorzien in art. 70 van het BTW-wetboek, heeft een strafrechtelijk karakter.

(cfr. M. Maus, Kritische bemerkingen bij de arresten van het Hof van Cassatie van 5.2.1999 inzake fiscaal-administratieve sancties, AJT 1998-99, p. 981 e.v.)

Ter bepaling van het karakter van de sanctie, dient vooral de aard van de overtreden norm te worden beschouwd evenals de aard en ernst van de op te leggen straf.

Het staat buiten kijf dat de verplichtingen inzake BTW zich richten tot alle rechtsonderhorigen, wijl de sanctie, bij overtreding van de geldende bepalingen, zowel een preventieve als een repressieve werking heeft :

de boete is dermate hoog, dat zij een afschrikwekkend effect heeft, en, waar zij duidelijk geen verband houdt met de eventuele schade, door de overheid geleden, er tevens op gericht is een zeker leed aan de betrokkene te berokkenen.

(cfr. in die zin, M. Maus, op.cit.)

De bestraffing van fiscale inbreuken is aan de Administratie toegelaten doch het behoort aan de Rechtbanken na te gaan of de sanctionering niet ingaat tegen algemene rechtsbeginselen en of zij in overeenstemming zijn met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur.

Bij het opleggen van een sanctie dient, ook door de overheid, het redelijkheid- en evenredigheidsbeginsel te worden gehanteerd.

Het komt de Rechtbank dan ook toe de overheidsbeslissing aan deze criteria te toetsen.

(cfr. K. Morbee, BTW-boeten : rechterlijke bevoegdheid eindelijk erkend, AFT 1999/3, p. 84- 93).

De toepassing van een boete, gelijk aan 200 % van het ontdoken recht, hetzij … fr. komt onredelijk hoog voor.

De Rechtbank herleidt deze in billijkheid tot … fr.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

Gezien de anikelen 2, 34, 36, 37 en 42 van de wet van 15 juni 1935

DE RECHTBANK, vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg,

verklaart het verzet deels gegrond als volgt,

verklaart het verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door de Belgische Staat, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, de dato 22.11.1993, uitvoerbaar verklaard op 24.11.1993, ontvankelijk en deels gegrond als volgt,

zegt voor recht dat aanlegster de in de bestreden dwangbevel gevorderde BTW-boete slechts verschuldigd is voor een bedrag van … frank (… fr.),

vernietigt dienvolgens het dwangbevel voor zover de betaling van een geldboete wordt opgelegd, welke het bedrag van … fr. overtreft,

verklaart het verzet voor al het overige ongegrond,

veroordeelt aanlegger op verzet tot de kosten van het geding, begroot op in hoofde van

- Aanlegger op verzet :

- Dagvaarding en rolstelling : … fr.

- Rechtsplegingsvergoeding : … fr.

- Verweerster op verzet :

- Rechtsplegingsvergoeding : … fr.

G. R.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8